Leesfragment: Tussen heden en morgen

24 september 2025, door Jenny Erpenbeck

25 september verschijnt Jenny Erpenbecks Tussen heden en morgen (Aller Tage Abend), in de herziene vertaling uit het Duits van Elly Schippers! Wij publiceren voor. Lees nu een fragment en koop dat boek!

  • ‘Deze onthutsende, diepmenselijke roman, waarin de stemmen van Stefan Zweig en Joseph Roth doorklinken, toont de genialiteit van Jenny Erpenbeck.’ – BBC Radio 4

In het stadje Brody sterft aan het begin van de twintigste eeuw een joodse baby. Of toch niet? We zien haar in het volgende hoofdstuk terug als jonge vrouw in Wenen, vlak na de Eerste Wereldoorlog. Daar sterft ze. Of toch niet?
Steeds opnieuw laat Jenny Erpenbeck haar hoofdpersoon doodgaan en toch weer verder leven. Via die mogelijke levens vertelt ze de geschiedenis van de hele twintigste eeuw.

Tussen heden en morgen is een aangrijpende moderne klassieker over leven, dood en toeval van de auteur van Kairos.

  • ‘De knappe compositie, haar stijl en taal, die een heel eigen klankkleur heeft, maken de roman tot een indrukwekkend geheel.’ – de Volkskrant


 

Eerste boek

1

De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen, had haar grootmoeder aan de rand van het graf tegen haar gezegd. Maar dat klopte niet, want de Heer had veel meer genomen dan er was – ook alles wat er van het kind had kunnen worden lag nu daarbeneden en kwam onder de aarde. Drie handen vol en het kleine meisje dat met de schooltas op haar rug het huis uit rent, lag onder de aarde, de schooltas wipt op en neer terwijl ze zich steeds verder verwijdert; drie handen vol aarde en daar lag de tienjarige die met bleke vingers pianospeelt; drie handen vol en de halfvolwassene naar wie de mannen omkijken omdat haar haar koperrood glanst, werd bedolven; drie keer aarde gooien en ook de volwassen vrouw die haar, als ze zelf trager was geworden, werk uit handen genomen zou hebben met de woorden: ach, moeder, ook die werd langzaam gesmoord door de aarde die in haar mond viel. Onder drie handen vol aarde lag daar een oude vrouw in het graf, een vrouw die zelf al trager begon te worden en tegen wie een andere jonge vrouw of een zoon af en toe gezegd zou hebben: ach, moeder, ook die wachtte tot er aarde op haar werd gegooid en het graf weer helemaal vol zou zijn, een beetje voller dan vol, want het lichaam maakt dat de heuvel boven het graf zich welft, ook al ligt het zo diep dat je het niet meer ziet. Boven een baby die plotseling is gestorven, welft de heuvel zich vrijwel niet. Maar eigenlijk zou de heuvel zo reusachtig moeten zijn als de Alpen. Dat denkt ze, hoewel ze de Alpen nog nooit met eigen ogen heeft gezien.

Ze zit op hetzelfde voetenbankje waarop ze als kind altijd zat als haar grootmoeder haar verhalen vertelde. Dat voetenbankje was het enige wat ze van haar grootmoeder voor haar eigen huishouden had willen hebben. Ze zit in de gang op het voetenbankje, leunt met gesloten ogen tegen de muur en raakt het eten en drinken dat een vriendin voor haar heeft neergezet niet aan. Zeven dagen zal ze zo blijven zitten. Haar man heeft geprobeerd haar overeind te trekken, maar het lukte niet omdat ze zich verzette. Toen de deur achter hem in het slot viel, was ze opgelucht. Afgelopen vrijdag had de overgrootmoeder het slapende meisje nog over haar hoofd geaaid en haar mijn maidele genoemd. Zijzelf had door de geboorte van het kind haar grootmoeder veranderd in een overgrootmoeder en haar moeder in een grootmoeder, maar nu waren al die veranderingen alweer ongedaan gemaakt. Eergisteren had haar moeder, die op dat moment nog grootmoeder genoemd kon worden, een wollen omslagdoek voor haar meegebracht voor als ze op koude dagen met de baby in het park ging wandelen. Haar man had ’s nachts tegen haar geschreeuwd dat ze iets moest doen. Maar ze wist niet wat je in zo’n situatie moest doen. Na zijn geschreeuw en na de paar minuten die nacht waarin ze niet wist wat ze moest doen, na dat ene moment waarop ook haar man niet wist wat hij moest doen, had hij geen woord meer tegen haar gezegd. In haar wanhoop was ze naar haar moeder gerend, die nu geen grootmoeder meer was, haar moeder had tegen haar gezegd dat ze weer naar huis moest gaan en daar op haar moest wachten, zij zou de mensen sturen. Terwijl haar man in de woonkamer heen en weer liep, had ze het kind niet meer durven aanraken. Ze had alle emmers die met water waren gevuld naar buiten gebracht en leeggegooid, ze had een laken voor de spiegel in de gang gehangen, ze had de ramen in de kamer waar het kind lag naar buiten toe opengezet en was toen naast de wieg gaan zitten. Door die handgrepen had ze zich het deel van het leven herinnerd dat voor mensen hanteerbaar was. Maar wat nog geen uur geleden bij haar in huis was gebeurd, daar kreeg geen mensenhand greep op.

Zo was het ook gegaan bij de geboorte van het kind, nog geen acht maanden geleden. Na een nacht, een dag en nog een nacht waarin het kind maar niet kwam, had ze willen sterven. Zo ver had ze zich in die uren van het leven verwijderd: van haar man, die buiten wachtte, van haar moeder, die in een hoek van de kamer op een stoel zat, van de vroedvrouw, die met kommen water en doeken in de weer was, en ook allang van het kind, dat zogenaamd in haar buik zat, maar onzichtbaar was blijven steken. De ochtend na de bevalling zag ze vanuit haar bed hoe iedereen gewoon deed wat er gedaan moest worden: haar moeder, die nu in een grootmoeder was veranderd, ontving een vriendin die kwam feliciteren, de in een overgrootmoeder veranderde grootmoeder bracht de kraamkamer-amuletten met Psalm 21 en versgebakken taart, en haar man was naar het café gegaan om op de gezondheid van het kind te drinken. Zelf hield ze het kind in haar armen, en het kind droeg de kleertjes die zij, haar moeder en haar grootmoeder in de maanden voor de bevalling hadden geborduurd.

Ook voor wat er nu was gebeurd bestonden regels. De mensen waren bij zonsopgang gekomen, hadden het kind uit de wieg gepakt, in een doek gewikkeld en op een grote draagbaar gelegd. Het bundeltje was zo licht en klein dat een van hen het moest vasthouden toen ze de trap af liepen, anders was het eraf gerold. Zai moichl oen fal mir maine trep nit aroenter. Wees zo goed. Ze wist dat het kind nog dezelfde dag onder de grond moest liggen.

Nu zit ze op het houten voetenbankje dat ze op haar bruiloft van haar grootmoeder heeft gekregen, ze zit daar met gesloten ogen zoals ze anderen in tijden van rouw heeft zien zitten. Soms was zij het die de rouwenden eten bracht, nu heeft een vriendin voor háár voeten schalen met eten neergezet. Zoals ze gisternacht al het water in huis heeft weggegooid omdat ze zeggen dat de engel des doods er zijn zwaard in afspoelt, zoals ze de spiegel heeft afgedekt en het raam heeft opengezet omdat ze het anderen heeft zien doen, maar ook omdat de ziel van het kind dan niet zou terugkeren maar voorgoed zou wegvliegen, zo zal ze nu zeven dagen blijven zitten omdat ze anderen zo heeft zien zitten, maar ook omdat ze niet zou weten waar ze heen moest nu ze niet meer op die onmenselijke plaats wil komen die de kamer van het kind de afgelopen nacht was. De gebruiken van de mensen zijn als loopplanken naar het onmenselijke gebouwd, denkt ze, grijpbare constructies waaraan een schipbreukeling zich indien mogelijk weer zou kunnen optrekken. Wat zou het mooi zijn, denkt ze, als het toeval regeerde in plaats van een God.

De oorzaak zou toch geweest kunnen zijn dat de deken te dik was. Dat het kind op de rug sliep. Dat het zich heeft verslikt. Dat het ziek was zonder dat iemand het wist. Dat het geschreeuw van het kind door de deuren haast niet te horen was. In de kamer van het kind hoort ze nu de voetstappen van haar moeder en zonder te kijken weet ze wat die daar doet: ze pakt de dekens en kussens uit de wieg en haalt het beddengoed af, ze trekt de hemel van het houten frame en schuift de wieg aan de kant. Met haar armen vol wasgoed komt ze de kamer uit, loopt langs haar dochter, die nog steeds met gesloten ogen op het voetenbankje zit, en brengt alles naar de bijkeuken beneden. Dat ze te jong was om te weten wat ze moest doen. Dat haar moeder nooit met haar over die dingen heeft gepraat. Dat ook haar man niet wist wat hij moest doen. Dat ze eigenlijk altijd helemaal alleen was met het kind, met dat wezentje dat in leven gehouden moest worden. Dat niemand haar van tevoren heeft verteld dat het leven niet werkt als een machine. Haar moeder komt terug. Ze haalt in het voorbijgaan het laken van de spiegel in de gang, vouwt het op en brengt het naar de kamer van het kind. Ze legt het helemaal onder in de koffer die ze speciaal daarvoor heeft meegebracht, dan pakt ze de spullen van het kind uit de la van de commode en doet ze bij het laken in de koffer. In de maanden voor de bevalling hebben zij, de zwangere, haar moeder en haar grootmoeder die jasjes, jurkjes en mutsjes genaaid, geborduurd en gebreid. Haar moeder duwt de lege la nu dicht. Boven op de commode ligt het speeltje met de zilveren belletjes. Als ze het pakt, rinkelen de belletjes. Gisteren, toen de dochter zelf nog een moeder was en met haar kind speelde, rinkelden ze ook. Het gerinkel is in de vierentwintig uur die sindsdien zijn verstreken niet van klank veranderd. Haar moeder legt het speeltje nu helemaal boven in de koffer, dan doet ze de koffer dicht en tilt hem op, ze komt de kamer uit, loopt met de koffer langs haar dochter in de gang en brengt hem naar de kelder. Maar misschien was het toch omdat het kind nog niet was gedoopt en het huwelijk van de ouders maar een zogenaamd burgerlijk noodhuwelijk was. Volgens joods gebruik hebben ze het vandaag begraven en volgens joods gebruik zal ze nu zeven dagen op het voetenbankje zitten, maar haar man praat niet tegen haar. Hij zit nu vast in de kerk te bidden voor de ziel van het kind. Waar kan de ziel van het kind nu heen? Naar het vagevuur, het paradijs of de hel? Of was het kind, zoals sommigen zeggen, een van de kinderen die maar weinig tijd nodig hebben om iets uit een ander leven, waar de ouders geen weet van hebben, tot een goed einde te brengen en daarom zo snel terugkeren naar waar ze vandaan zijn gekomen? Haar moeder komt terug, gaat de kamer van het kind binnen en doet de ramen dicht. Misschien was er na dit leven toch gewoon niets. Het is nu heel stil geworden in huis. Dat heeft ze eigenlijk nog het liefst.

[…]

 

Oorspronkelijke tekst © Albrecht Knaus Verlag, a division of Verlagsgruppe Random House GmbH, Munich, Germany 2012
Nederlandse vertaling © Elly Schippers en De Geus bv, Amsterdam 2025

Wil je van je bestaande account gebruikmaken op onze nieuwe website? Je behoudt dan onder meer je bestelgeschiedenis, reeds aangeschafte e-books en je persoonlijke verlanglijst. Als je toestemming geeft krijg je direct een mail om een nieuw wachtwoord in te stellen.

Voer een geldig e-mailadres in

Hostname: pro-mbooks2