15 januari verschijnt de nieuwe roman van Zora del Buono, Vanwege hem (Seinetwegen), vertaald door Michel Bolwerk! Wij publiceren voor.
Net als haar roman De maarschalk is Vanwege hem geïnspireerd op Del Buono’s eigen familiegeschiedenis; de zoektocht naar de man die verantwoordelijk was voor de dood van haar vader maakt dit verhaal zowel spannend als emotioneel.
Zora del Buono was nog maar acht maanden oud toen haar vader in 1963 omkwam bij een auto-ongeluk. Zijn plotselinge dood liet een diepe leegte achter in het gezin. Haar moeder en zij spraken nauwelijks over hem. De pijn van haar moeder was te groot om te verdragen. Vele jaren later, als de auteur zestig is, komt ze op het spoor van de destijds achtentwintigjarige man met de initialen E.T. die verantwoordelijk was voor de dood van haar vader. Hoe heeft hij de afgelopen zestig jaar doorgebracht, is hij gebukt gegaan onder schuldgevoel?
Vanwege hem is een roman en een zoektocht ineen. De verteller is vastberaden om de inmiddels bejaarde E.T. te confronteren met het tragische verleden van haar familie. Haar reis leidt haar door mysterieuze landschappen, waar antwoorden nieuwe vragen oproepen. Wat gebeurt er met haar nu ze meer weet over de man die haar vaders dood veroorzaakte dan over haar eigen vader? En hoe vind je verzoening als je weet dat de leegte nooit helemaal zal verdwijnen?

Heuvelachtig landschap, heerlijk weer, een meidag, alles groent. Onderweg naar de bergen op verkeersborden opeens vertrouwde plaatsnamen, Uznach, Näfels, Kaltbrunn, keer op keer gehoord, onherroepelijk in het kinderbrein gegrift, maar nooit goed geplaatst: waar is het ongeluk gebeurd, waar was het ziekenhuis waar de gewonden naartoe zijn gebracht, waar werd de rechtszitting gehouden? Als vroeger die namen opdoken, ook in gesprekken van anderen die daarmee niet het verband legden dat wij ermee legden, kromp ik ineen, Uznach, Näfels, Kaltbrunn; hopelijk komen die kwalijke woorden moeder niet ter ore.
Al jaren denk ik als ik langs een van die plaatsnaamborden kom: zou E.T. nog leven? Hij zou halverwege de tachtig moeten zijn. Hoe heeft hij de afgelopen zestig jaar doorgebracht, met zijn schuld? En dan de gedachte: ik moet hem zoeken, hem opzoeken. De doder van mijn vader.
Ik weet alleen zijn initialen: E.T.
Als kind fantaseerde ik vaak dat ik hem vond en ter verantwoording riep en daarmee moeder wreekte. Het waren melodramatische innerlijke filmpjes die ik dan produceerde, ik had de dimensie van wat er gebeurd was totaal niet begrepen. Op je tiende bevat je het definitieve van de dood nog niet (als je dat al ooit bevat). Later vervloog de gedachte.
Pas de laatste tijd duikt die weer op.
Vaders zwager, mijn peetoom, eigenaar en bestuurder van de vw Kever, zei op hoge leeftijd een keer dat het het drama van zijn leven was, dat het hem nooit had losgelaten. Talloze malen, vooral ’s nachts, de overpeinzingen, had ik het stuur niet kunnen omgooien, heb ik iets niet gezien, had ik sneller gereageerd, waren we later vertrokken of eerder, maar een minuut later of eerder, dan was het niet gebeurd. Hij, de onschuldige, zat in over zijn schuld, terwijl de schuldige inzat over zijn naam.
Lindegroene vw Kevers waren er veel. Er zaten mensen in die niets van onze persoonlijke Kever-tragedie wisten. Het is een auto waar je graag naar kijkt, vrolijk, een brommend kleurig beestje, voor veel mensen was het hun eerste auto, een vrijheidsbelofte; voor ons was het de dood. In de herfst van 1938 werden de eerste exemplaren in gebruik genomen, het was de auto die Adolf Hitler voor zijn volk wilde hebben en ook kreeg. Tot 2002 was de Kever de meestverkochte auto ter wereld, waarna hij werd afgelost door de vw Golf.
Hoeveel mensen zijn er sinds 1938 in een vw Kever om het leven gekomen? Deze vraag is te hoog gegrepen. Het zullen er vele duizenden zijn.
In 1963 hadden maar weinig auto’s een hoofdsteun, hoewel al in 1921 een Amerikaan met de naam Benjamin Katz een patent had gekregen op zijn headrest (hoofdrust, een mooi woord). Als de auto van mijn peetoom (oom klinkt zo oud, hij was drieëntwintig toen ik op de wereld kwam en vierentwintig toen het ongeluk gebeurde) hoofdsteunen had gehad, had vader, die ik vast papà zou hebben genoemd, het waarschijnlijk wel overleefd. De klap brak zijn nek. Dat is ook iets wat mijn peetoom zichzelf verweet: had mijn auto nou maar hoofdsteunen gehad.
Ene Karl Meier uit Saarland, die daar het autovak had geleerd en daarna naar Zwitserland was verhuisd om vouwdaken voor cabriolets te ontwikkelen, keerde in 1936 terug naar Duitsland, ging naar Opel in Rüsselsheim, waar hij de Kadett van het laatste stuk hout bevrijdde. Daarna de stap naar de door Ferdinand Porsche geleide Maatschappij ter voorbereiding der Duitschen volkswagen. Meier moest zich bekommeren om het interieur van de auto, voor 430 rijksmark per maand, achttien patenten heeft hij op zijn naam. De Kever werd zijn paradepaardje. Na de oorlog verliet hij Volkswagen, opende in een houten barak een werkplaats, vond de kleurige beschermhoes voor autostoelen uit, vw nam het idee over. In 1952 richtte hij het bedrijf Kamei (Karl Meier) op, en deed misschien wel zijn baanbrekendste uitvinding naast de naar het lichaam gevormde stoel: de opsteekbare sluimerrol, die ook als kussen of armleuning kon worden gebruikt. De kritiek was fors, automobilisten zouden in slaap kunnen vallen, heette het. Meier pareerde dat een ‘automobilist het gemakkelijk en comfortabel moet hebben, zodat hij zich beter op het verkeer kan concentreren. Bovendien biedt de rol bij een aanrijding bescherming voor de nek.’ Uit deze sluimerrol kwam de eerste veiligheidshoofdsteun ter wereld voort, in september 1969 getest door de tu Berlijn: ‘De belasting van het hoofd en de halswervelkolom wordt duidelijk gereduceerd, en slingerbewegingen van het hoofd worden verregaand tegengegaan.’
Telkens als ik een oldtimer zonder hoofdsteun zie, schrik ik, ik fantaseer het ergste, zie de botsing voor me, de naar achteren en weer naar voren geslingerde schedel, hoor een knakkend geluid, wil op het raampje kloppen en de inzittenden waarschuwen en doe het toch niet.
De allereerste bioscoopfilm die ik heb gezien was Bambi. Tante Anni nam me mee naar de kinderbioscoop aan de Bellevueplatz in Zürich, zo heette die ook: Kino Bellevue. Er zit nu een café in dat bekendstaat om zijn kitscherige interieur. Bijna ieder kind in Zürich zal daar zijn eerste bioscoopfilm hebben gezien, in 1921 werd dit filmtheater geopend. Als je de bioscoop uitkwam, stond je direct bij de Riviera, de zittrappen langs de rivier Limmat die in de jaren tachtig beroemd werden, wij, de linkse, graag blowende jeugd hing daar urenlang rond op de treden; ertegenover waren, zo hoorden we later, camera’s geïnstalleerd, de staat bespioneerde zijn kinderen, wij maakten deel uit van het Fichenskandal, een affaire die decennialang speelde en in 1990 eindigde. In de loop van de tijd waren er 900.000 notities verzameld in de dossiers van de nationale veiligheidsdienst. Onvergetelijk een passage op de fiche van Max Frisch: ‘Reisde op 23-8-48 naar Polen voor deelname aan het wereldcongres van intellectuelen voor de zaak van de vrede’.
Bambi is me bijgebleven als een gebeurtenis waarbij ik veel huilde en uiteindelijk toch gelukkig was. Ik huilde om de doodgeschoten moeder van het hertje, ik huilde omdat hij nu ook halfwees was (net als ik), ik huilde omdat Bambi zo veel vrienden had die om hem gaven, het konijn Stampertje, het stinkdier Bloempje en Vriend Uil. Vanaf die dag in de bioscoop ben ik jagers gaan verachten, en het heeft niet geholpen dat ik tientallen jaren later Die Leidenschaft des Jägers van de grote psychoanalyticus Paul Parin heb gelezen, die zelf jager was, waarin hij het over geritualiseerd geweld heeft, over begeerte en wellust, hij schrijft dat die drift de mens aangeboren is, wat ik verbazingwekkend vind, omdat toch maar 0,3 procent van de bevolking jager is.
[…]
© Verlag C.H.Beck München 2024
© 2026 Nederlandse vertaling Michel Bolwerk en Meulenhoff Boekerij bv, Amsterdam