Philippe is veertig, commercieel directeur, getrouwd en vader van twee kinderen. Ambre is twintig, heeft niets en niemand. Behalve hem. Wanneer ze, overweldigd door de leegte van haar bestaan, een einde aan haar leven probeert te maken, stuurt Philippe haar ver weg naar een hotel in de bergen, waar ze als serveerster kan beginnen. Daar moet ze zichzelf opnieuw uitvinden. Leren leven zonder hem. Waar de zon de sneeuw raakt is het verhaal van een nieuw begin. Een kroniek over een hotel waar een groep seizoenswerkers samenleeft, allemaal getekend door het leven. We maken kennis met hun kwetsbaarheid, hun angsten en geheimen. Beetje bij beetje betreedt Ambre hun stiltes — en stapt met hulp van de anderen uit die van haarzelf. Want als we elkaar niet kunnen helpen, wie doet het dan?
Het leven houdt stand
Philippe duwde de deur van het appartementje open en was verbaasd dat het er donker was. Ze had de luiken niet opengedaan, de kamer was in duister gehuld. Toch was het al na twaalf uur ’s middags. Zodra de vergadering afgelopen was, was hij naar haar toe gekomen. Ze hadden elkaar al een week niet gezien. Elke keer hetzelfde liedje. Als hij haar een paar dagen niet opzocht, sloot ze zich op. Het kostte hem uren om haar op te vrolijken voordat ze zich weer in zijn armen vlijde.
‘Ambre?’
Geen reactie. Dat was een slecht teken. Ze was echt kwaad. Hij rolde met zijn ogen.
‘Ambre?’
En toch had hij gebeld. Om haar te zeggen dat hij zou komen.
Hij had een ijselijke stilte verwacht, maar met een vreemde stem had ze gezegd: ‘Ja, goed.’ Een beetje verstikt. Alsof ze ziek was.
Hij legde zijn jasje op het onopgemaakte bed. Het moest echt slecht met haar gaan. Normaal waren de lakens keurig rechtgetrokken, klaar om opnieuw gekreukeld te worden tijdens hun liefdesspel.
‘Alles in orde?’
Nog steeds niets. Hij streek zijn jasje glad op het hoofdkussen.
Dat maakte deel uit van de rituelen als hij hier kwam. Hij kwam binnen,legde zijn jasje zorgvuldig neer en dan riep hij haar. Een keer. Twee keer. In principe was dat voldoende. En dan kleedde hij haar zonder veel omwegen uit, gooide haar op het bed en liet haar kreunen. Dat was simpel, als ze niet mokte…
Vervolgens was hij tederder. Een beetje minder gehaast. Hij liet zijn handen over haar huid glijden en drukte zich tegen haar aan, zijn gedachten al elders, bij de geplande afspraken die middag.
‘Wat is er aan de hand? Ben je ziek?’
Hij was vlak bij de badkamer, verbaasd dat ze ook daar geen licht had aangedaan. Hij duwde de deur met zijn knie open.
Daar was ze wel degelijk, liggend in de badkuip in het donker.
‘Wat doe jij nu?’
De lichtschakelaar verjaagde het donker en het eerste wat hij zag was haar doorschijnende gezicht, haar half gesloten oogleden. Pas daarna ontdekte hij de kleur van het water, oranje, en de langgerekte rode vegen op de rand van het bad.
‘Ambre!’
Zijn schreeuw doorkliefde de lucht als een zweepslag. Hij viel op zijn knieën, greep haar onbeweeglijke polsen en drukte er stevig op.
Oude reflexen kwamen boven zonder dat hij daar moeite voor hoefde te doen. Alsof zijn hersens op de automatische piloot gingen.
De bloeding stoppen. Handdoeken pakken, die om haar polsen wikkelen, stevig aanduwen om zo een drukverband aan te leggen.
‘Verdomme, Ambre!’
De hulpdiensten bellen. Ze is niet dood. Ik geloof dat ze niet dood is. Om zijn telefoon uit zijn zak te halen, liet hij haar handen los, die slap op de rand terugzakten.
Eén keer ging de telefoon over. Twee keer. Een mannenstem die iets zei.
Hij onderbrak hem abrupt: ‘Alstublieft, dit is een spoedgeval!’
De oogleden van het meisje bewogen snel. Ze was half buiten bewustzijn en ze bedacht dat hij zijn volwassen, zelfverzekerde, zware toon kwijt was. Zijn stem klonk zwak en klagerig.
‘Het adres is Rue des Tilleuls 113. Een meisje van twintig. Ze heeft haar polsen doorgesneden. Ze bloedt dood! Snel!’
Ze had het gevoel dat hij in alle staten was maar was daar niet zeker van, alles leek van veraf te komen. Hij bleef praten, maar niet langer tegen de noodcentrale. Tenminste, die indruk had ze.
‘Ambre, wat heb je gedaan!’
Hij greep zich vast aan de rand van het bad, aan haar verbonden polsen. Hij had niet door dat hij haar pijn deed. De handdoeken raakten doordrenkt van bloed, terwijl zij steeds bleker werd.
Ze kon de woorden die hij haar toeslingerde slechts met moeite ontcijferen. Het leek wel of ze watten in haar oren had.
‘Ambre, ik ben het, ik ben er.’
Ze deed haar best het te begrijpen. Haar oogleden gingen snel op en neer, als vleugels van een vlinder. Philippe stond weer op, probeerde haar glazige blik vast te houden.
‘Ambre, blijf bij me! Blijf hier! Kijk me aan!’
Als een gordijn vielen haar oogleden weer over haar ogen.
‘Verdomme, blijf bij me! Wat heb ik je nu gezegd!’
Nu was ze helemaal buiten bewustzijn. Haar hoofd stootte tegen de badrand en in zijn mooie nieuwe pak verloor Philippe de moed, begon te hijgen.
Toen de hulpdiensten arriveerden, wisten ze niet wat hen het meest schokte. Een keurig in het pak gestoken man die met een ontdaan gezicht verbeten bezig was boven het bewegingsloze lichaam van een meisje op de vloer van de badkamer, dat hij zojuist uit het water had gehaald. Of de aanblik van dat naakte, blanke, tere lijf op de met bloed besmeurde tegelvloer.
‘Gaat u eens even opzij, meneer!’
Ze moesten het een paar keer zeggen, want de man keek hen met verdwaasde, wijdopen ogen aan maar bewoog niet, alsof hij niet wilde dat iemand dicht bij haar kwam.
Zonder pardon duwden ze hem opzij, elke minuut telde. Ze was lijkbleek, bijna levenloos.
Een van de ambulancebroeders knielde naast haar, legde twee vingers in haar hals en knikte.
‘Het is in orde. Ik heb een hartslag.’
Daarop ging alles heel snel. Philippe werd naar de woonkamer geduwd.
‘We hebben ruimte nodig, meneer. Gaat u alstublieft weg hier.’
En om haar heen waren ze druk in de weer; Philippe kon niets meer zien.
Op een brancard werd ze uit de badkamer gedragen. Ze leek daarop nog bleker. En buitengewoon klein. Twintig jaar, verdomme, twintig jaar, herhaalde hij telkens voor zich uit, alsof hij zich daar nooit echt bewust van was geweest.
De mannen gingen naar buiten.
‘Komt u maar mee, meneer.’
Met moeite werd de brancard de trappen af gedragen en verscheidene keren stootte hij tegen de muur. Ambres hoofd wiegelde als dat van een pop.
Onder aan het flatgebouw stond naast de ambulance een politieauto geparkeerd.
‘Meneer, wilt u ons volgen. We hebben een verklaring van u nodig.’
Hij keek naar de politieauto, de zwaailichten, de man in uniform.
‘Nee... Ik wil met haar mee.’
Hij gaf de indruk geheel de weg kwijt te zijn en de politieman moest dat aanvoelen, want hij zei wat vriendelijker: ‘Het duurt maar een paar minuten.’
‘Ik moet met haar mee.’
De politieman aarzelde, wisselde een blik met zijn collega en legde een hand op Philippes arm.
‘Goed… Dan ga ik met u mee in de ambulance.’
Rondom hen waren nieuwsgierigen samengedromd die naar hen keken en probeerden een glimp van de gewonde op te vangen. Ineens werd Philippe onrustig, hij wilde zich achter zijn jasje verstoppen maar realiseerde zich dat hij dat in het appartement had laten liggen. Nerveus probeerde hij weg te kruipen achter de politieman, die hem vreemd aankeek.
‘Gaat het wel goed met u, meneer?’
‘Mijn vrouw…’
‘Pardon?’
Hij zag er paniekerig uit.
‘Mijn vrouw… Die mag er niet achter komen.’
Niet-begrijpend fronste de politieman zijn wenkbrauwen. Achter hen werd de zware ambulancedeur gesloten en was men druk bezig rondom Ambre. Ze werd aan een infuus gelegd en de brancard werd vastgezet. De blik van de politieman bleef even hangen op de gewonde vrouw en verplaatste zich toen langs de deken omhoog naar een melkachtige blote borst die erboven uitstak. Hij schrok ervan en draaide zich weer naar Philippe. Hij had het begrepen. Nu was hij niet begripvol meer, maar buiten zichzelf. ‘Mijn hemel. Ze had uw dochter kunnen zijn.’
Hoe weet je dat je niet dood bent? Als je kunt horen? Als je kunt voelen? Als je iets waarneemt?
Er was een gedempt geluid te horen, een piep. Er was ook licht. Als een roze vlek achter haar oogleden. En iets warms drukte op haar buik. Het was zacht. Ze liet deze aangename gewaarwording over zich heen komen. Kriskras door elkaar kwamen er beelden terug. Het scheermesje op de glanzend witte rand van de badkuip. Het water dat ze had laten stromen terwijl ze onderzocht wat de beste manier was om haar aders door te snijden. De voordeur die ze niet op slot had gedaan.
En dan het onscherpe en bibberige beeld van Philippe boven haar. Philippe, wiens gelaatstrekken eruit hadden gezien als smeltende was, wiens stem zwak en klagerig had geklonken in haar oren. Hij praatte en wond zich op. Had ze het gedroomd of had hij haar gevonden? Hoe dan ook had ze het overleefd.
Ze wist niet of ze daar nu blij om was of niet. In feite was dat totaal onbelangrijk. Of ze nu hier was of elders, dat veranderde nergens meer wat aan. Toen ze haar ogen opendeed, werd ze overspoeld door schel wit kunstlicht. De ruimte was verlaten. Ze nam alleen een donkere massa boven op zich waar. Een hoofd. Philippe. Die zat op een stoel naast het metalen bed en was met zijn hoofd op haar buik in slaap gevallen.
Ze wilde zich wat dieper in de kussens drukken, zonder geluid te maken, zonder een beweging, maar ongewild bewoog ze haar voet en Philippe kwam abrupt overeind.
‘Ambre! Ik…’
De rest van zijn zin bleef in de lucht hangen. Ze nam rustig de tijd om hem te bekijken. Zijn gezicht was bleek, hij zag er ouder uit. Dat moest door het bleke ziekenhuislicht komen. Of niet.
‘Ambre’, herhaalde hij. ‘Het spijt me ontzettend.’
Ze had geen zin om hem aan te horen en had er spijt van dat ze hem had gewekt. Ze richtte haar aandacht op iets anders, op haar handen, op haar vingers waar ze nauwelijks gevoel in had. Haar polsen zaten in het verband en in haar rechterarm was een infuus in een ader aangebracht. Het deed haar geen pijn.
‘Ambre, ik vind het echt vreselijk…’
Het gezicht van Philippe vertrok tot een gepijnigde uitdrukking. Met een dikke tong legde ze hem het zwijgen op: ‘Het is wel goed.’
‘Nee. Ik verzeker je, ik dacht niet dat…’
‘Het is wel goed, zei ik toch.’
Ze wilde zijn excuses, zijn verklaringen en zijn spijt niet.
Bam. De klapdeur van de kamer vloog open, ze schrok ervan. Een dokter en een verpleegkundige kwamen binnen.
‘U zult moeten gaan, meneer. Ze is wakker’, wierp de arts hem toe.
De lange man met bril keek hem streng en verwijtend aan. De verpleegkundige was gezet en had een hoogrode kleur. Haar gezicht drukte meer medelijden uit. Ongemakkelijk wiebelde Philippe op zijn stoel, maar hij bleef wel zitten.
‘Meneer, u moet nu echt gaan’, zei de arts nog eens. ‘Dat u toestemming kreeg was al uitzonderlijk. Gewoonlijk staan wij naasten niet toe te blijven.’
Philippe stond op, trok nerveus aan de manchetten van zijn overhemd. Hij moest geprobeerd hebben ze te wassen aan een wastafel van het ziekenhuis, want er waren oranje kringen op te zien, een mengsel van bloed en zeep.
Aangezien hij niet reageerde, nam de verpleegkundige het over en zei vriendelijk maar stellig: ‘Dit is de procedure die wordt gehanteerd in dergelijke situaties…’
Ambre vertrok geen spier. Ze bleef hen onverschillig aankijken. Philippe knikte.
‘Ja, ik snap het. Ik… ik ga dan maar.’
Hij wendde zich tot Ambre, die er wit en uitdrukkingsloos uitzag, aarzelde en zwaaide toen ongemakkelijk naar haar. De dokter legde een hand op zijn pols.
‘Komt u maar met mij mee.’
Hij drong nogal aan. Philippe gehoorzaamde nu zonder morren.
‘We houden u op de hoogte. Maakt u zich geen zorgen.’
De arts gaf hem niet eens de tijd om te antwoorden. Achter hem werd de deur al dichtgedaan. Schuldig. Dat was wat hij hem leek toe te slingeren. Schuldig aan het feit dat hij een verhouding met haar had terwijl hij veertig was, getrouwd en vader van twee kinderen. Dat hij tegelijk haar redder en haar beul was.
Met zijn drieën bevonden ze zich in de in stilte gehulde ruimte. De dokter, de verpleegkundige en zij. Zij was laconiek terwijl de andere twee een gelegenheidsglimlach op hun gezicht toverden.
‘Het spijt ons vreselijk’, begon de verpleegkundige met een compassie waarop ze jaren had kunnen oefenen. ‘Zo is de procedure.’
Geen reactie. Starende, glazige ogen. Of ze nu alleen bleef of dat Philippe aanwezig was, niets was meer echt van belang.
‘Je ouders zijn ingelicht.’
Ze observeerden haar maar ze vertrok geen spier. Vervolgens nam de dokter het woord: ‘De isolatie zal slechts enkele dagen duren. Zo nodig enkele weken. Je gaat naar een psychologe, mevrouw Idalo. Ze is heel aardig.’
Overduidelijk verwachtten ze een reactie van haar, dus ze dwong zichzelf te knikken. Ze glimlachten.
De arts legde een paar pillen op het nachtkastje.
‘Hier. Neem die maar in met een groot glas water. Dat zal je helpen goed te slapen vannacht, afgesproken?’
Maar ze had de pillen al zonder water doorgeslikt.
Mevrouw Idalo was blond en heel lang. Ambre vond dat ze een beetje leek op Nina, de vrouw van Philippe. Die had ze maar twee keer gezien. Ze schaamde zich nog over de omstandigheden waaronder.
[…]
Heb je naar aanleiding van het eerste deel van dit boek behoefte aan een gesprek, dan kun je in België terecht bij de Zelfmoordlijn op het nummer 1813 of www.zelfmoord1813.be, en in Nederland op het nummer 0800-0113 of www.113.nl.
© 2021 Éditions Albin Michel – Paris 2021
© 2025 Nederlandse vertaling: Uitgeverij Manteau / Standaard Uitgeverij nv