Oprukkend in de bestsellerlijsten (Bestseller60 en NRC-top 10): Sheila Sitalsings nieuwe boek Waar ik me voor schaam. Over zwijgen en het doorgeven van schuld! Tijd voor een fragment. Lees de eerste pagina’s en koop dat boek!
Sheila Sitalsings moeder verzweeg tot haar dood een cruciaal deel van haar familiegeschiedenis voor iedereen die haar nabij stond. Sitalsing bleef achter met duizenden-een vragen.
De archieven over de rechtsvervolging van zij die van collaboratie verdacht werden in de Tweede Wereldoorlog worden steeds verder ontsloten. In veel families komt daardoor na ruim tachtig jaar een einde aan het hardnekkige zwijgen over familieleden die aan de verkeerde kant van de geschiedenis hebben gestaan.
Waar ik me voor schaam is een scherpzinnig verslag van een zoektocht naar de werking van intergenerationele schaamte en de totalitaire verleiding. Terwijl de verontrustende echo’s van de jaren dertig nu opnieuw klinken, onderzoekt Sitalsing de overeenkomsten met toen.
Vooraf
Als mijn moeder vertelde over de oorlog, vertelde ze over de hunkering naar roomboter en over fietsen naar Assen op houten banden, en over die keer dat ze zich aan het wassen was bij het kraantje op een uitwijkadres en vanuit het raam witte vlekjes uit de lucht zag vallen: het waren parachutisten die Arnhem kwamen bevrijden.
Die poging mislukte, daar zijn boeken over geschreven en films over gemaakt, maar daar gaat het nu niet om. Het gaat erom dat ze bevrijden zei, en dat ik altijd dacht: ja natuurlijk, bevrijden.
Ze ging dood op Curaçao, op haar zevenentachtigste. Tweeënveertig jaar had ze er gewoond. Met mijn vader, die haar na hun huwelijk uit Nederland had meegenomen, de oceaan over, precies zoals een handlezer het lang geleden aan haar had voorspeld: ‘Ik zie een donkere man en een toekomst overzee.’
Eerst bracht de donkere man, een Surinaamse Hindostaan, haar naar zijn vaderland. In Suriname, waar het broeiheet en vochtig is en waar alles op den duur naar schimmel gaat ruiken, voelde het als rondlopen met een natte wollen deken over je heen die je nooit mag afdoen, zei ze.
Ze kreeg er mij, hun tweede en jongste kind, in 1968. Het was het jaar van wereldwijde opstanden tegen het gezag, flowerpower, seks & drugs, en in Amerika gooiden vrouwen die het patriarchaat zat waren hun beha’s in vuilnisbakken waar ze met grote letters freedom trash op hadden geschreven. Mijn moeder had daar niet zoveel mee, zei ze als ik haar daar later opgewonden naar vroeg, ze had andere dingen aan haar hoofd, ze was zich door het leven aan het ploegen in een land dat haar vreemd was, met twee kleine kinderen en de natte wollen deken over zich heen, en ze leerde koken wat hij lekker vond: rijst met masala kip en gele dahl. Ik heb er een hekel aan rijst met kip aan overgehouden.
Later voerde hij ons naar een groot huis in de droge hitte van Curaçao, dat een patio had met slordig gelegde gele tegels waaronder overdag de kakkerlakken scholen. ’s Nachts, als ze tevoorschijn kropen met gruwelijk vele tegelijk en door de kieren onder de deuren het huis probeerden binnen te dringen, lag ik in mijn bed te luisteren. Mijn getrainde kinderoor kon het horen wanneer ze hun vleugels uitstrekten om een stukje te fladderen.
Fladderend zijn ze op hun onberekenbaarst. Curaçaose kakkerlakken hebben weerhaken aan hun poten waaraan ze in je haar blijven hangen nadat ze op je hoofd zijn geland. Overdag waren ze weg, dan sliepen ze, en als ik met de mand vol natte was niet over de patio naar de waslijn durfde te lopen, omdat ze dan misschien wakker zouden worden, zei mijn moeder dat ze er niet waren zolang ik niet aan ze dacht.
In het huis met de gele patiotegels zou ze doodgaan, 7800 kilometer van het Den Haag van haar jeugd. Op de rand van het bed waarin ze vijf dagen later op haar zevenentachtigste zou sterven aan een tumor die haar buik had gekoloniseerd, maakten we samen de inventaris van haar leven op. Het was lang, mooi en avontuurlijk geweest, toch? zei ik. Je hebt er ons aan overgehouden, toch? zei ik.
De airco zoemde, buiten was het zo warm dat je de hitte kon zien kronkelen door de lucht, in hun schuilplek sliepen de kakkerlakken – dat had ik gecheckt, ik controleerde altijd eerst waar de kakkerlakken waren – en mijn moeder vertelde. Over mijn vader en dat hij af en toe best een lul was geweest, maar dat is een ander verhaal, en per saldo was het goed gekomen, zo waren de dingen nu eenmaal gegaan. Mijn moeder, die in 1929 in Nederlands-Indië werd geboren als het enige kind in een wankel huwelijk, is nooit van de contramine geweest.
Iedereen die haar kende vond haar intens lief, en dat was ze. Zorgzaam en zacht, zeiden ze, en dat was ze. Ze zeiden het ook omdat ze zelden herrie schopte. Als je nooit eens obstinaat op je strepen staat, vinden ze je algauw lief.
Ze had dingen voor ons opgeschreven, zei ze. Dat ging ze niet allemaal toelichten, zei ze, ze was te moe, het was te veel, het was niet bijzonder, het waren dingetjes, gewoon goed om te weten, een beetje familiegeschiedenis ‘en zo’, misschien wilde ik er nog wat mee doen, wellicht kon ik het op een dag verder uitzoeken en afschrijven, ik moest het maar lezen.
Ze wees naar haar laptop, waar ze in de weken voor haar dood nog op had zitten scharrelen met moeizame vingers, tikkend tegen de tijd. Blijf toch liggen, zeiden we, en dan gebaarde ze weer naar die laptop.
Voor lezen was geen tijd. Ze moest gewassen worden en gevoed en in en uit bed getild, ze woog niks meer, ze ging elke dag een stukje meer dood. Er moest in allerijl naar de supermarkt gereden worden om dingen te kopen waar ze om vroeg – iets zuurs, iets zoets, een slaatje – en die ze vervolgens niet opat, want eten deed ze allang niet meer.
Kijk, wees de zuster van de thuiszorg die kwam helpen met wassen en met rust brengen in een huis waar iets tussen paniek en berusting heerste: paarse vlekken trokken van haar voeten op naar haar benen. Aanzeggers van de dood.
Ze vroeg nog een keer: ‘Heb je het al gelezen?’
In de kist had ze roze nagellak op. Dat had ze normaal nooit. Ze had erop gestaan in een gebloemde nachtjapon de oven in te gaan. In haar goede goed vond ze zonde.
Het document dat ze op haar laptop had opgeslagen en waar ze, zittend op de rand van haar bed met stijve vingers aan had zitten typen, en dat uitgeprint een paar A4’tjes beslaat, en dat ik had moeten lezen toen ik er nog iets over had kunnen zeggen tegen haar – dat het niet meer gaf, dat ze het niet kon helpen, dat ze het nooit had kunnen helpen, dat ik het voor haar zou uitpluizen en afschrijven –, heette biografie.doc.
Ze had het haastig geschreven, de aanstormende dood had een formidabele daadkracht in haar wakker gemaakt. Ik las het toen het te laat was, op de rand van haar bed, dat inmiddels was afgehaald en schoongeboend omdat ze er nooit meer in zou slapen. Het was geen brief, er stond geen uitleg bij, het waren geen persoonlijke notities. Er stond niet bij hoe ze zich had gevoeld of wat ze ervan had gevonden. Het was een opsomming van feit jes uit haar familiegeschiedenis en van wat ze nog wist, biografische gegevens over haar overgrootouders en grootouders, over haar moeder, haar vader.
Het bevatte de dingen waar ze vaak over had verteld. Verhalen uit een lang vervlogen wereld. Van welgestelde kolonialen in het Nederlands-Indië van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw, tijd van gordel van smaragd en suikerweelde. Hollandse handelaren in suiker en in tabak op Java die er generaties lang hadden gewoond. Ze hadden er kapitaal opgebouwd en een comfortabel leven, mijn moeder werd er geboren bij de suikerfabriek Kemantran in Tegal op Java, de baboe sliep naast haar wieg op een matje. Totdat de Grote Depressie uitbrak, de suikerindustrie ineenstortte en haar ouders terug naar Nederland trokken. Gelukzoekers op de terugtocht naar een land waar ze opnieuw aan moesten wennen.
De anekdotes had ik uitentreuren gehoord, want ze kon eindeloos vertellen over heel vroeger. Ze had stapels fotoalbums uit Nederlands-Indië waar weetjes bij hoorden over mensen die al verschrikkelijk lang dood waren en die ik nauwelijks uit elkaar kon houden. Ze blikten ernstig in de camera, fotograferen was een serieuze aangelegenheid, ze hadden vaak een hoed op.
Het waren geconstrueerde herinneringen aan een verloren paradijs. Verhalen uit een gecultiveerd verleden die ze ook maar van horen zeggen had, want toen haar ouders Nederlands- Indië verlieten, was ze twee. Op de foto’s is ze een ernstige peuter met een buitenformaat strik in blond piekhaar.
Daartussendoor stond het ‘en zo’. De dingen uit haar kindertijd in Nederland in de jaren dertig en haar tienertijd in de oorlogsjaren, waar ze daarna niet meer over had gesproken. Niet met de collega’s die ze had gekregen toen ze na de oorlog was begonnen aan een nieuw leven, als werkende jonge vrouw in het lab van het Zuidwal Ziekenhuis in Den Haag. Daar prikte ze bloed en onderzocht ze sedimenten in urine, ze had net als haar vader voor een loopbaan in de chemie gekozen.
[…]
Copyright © 2025 Sheila Sitalsing