Leesfragment: Afscheid van Zsömle

03 juni 2026, door László Krasznahorkai

9 juni verschijnt de nieuwe roman van László Krasznahorkai: Afscheid van Zsömle (Zsömle odavan, vertaald uit het Hongaars door Mari Alföldy), over de onontkoombare krachten van verval, macht, totalitarisme, chaos en de zoektocht naar betekenis in een desolate wereld! Wij publiceren voor.

In een afgelegen dorp in Noord-Hongarije leidt de 91-jarige gepensioneerde elektricien Józsi Kada een stil, schijnbaar betekenisloos bestaan, vergezeld door zijn hond Zsömle. In eindeloze brieven aan machthebbers ontvouwt hij een overtuiging die even verheven als wankel is: hij is, als directe afstammeling van Béla IV en Dzjengis Khan, de rechtmatige erfgenaam van de Hongaarse troon, en ziet het als zijn plicht een moreel uitgehold vaderland te redden. Wanneer zijn geheim uitlekt, stroomt het dorp vol volgelingen, gedreven door nostalgie, wanhoop en nationalistische droombeelden. Józsi’s geest schommelt tussen verheffing en verval; zijn hond sterft en wordt vervangen, zoals ook ideologieën worden doorgegeven. Wat volgt is geen restauratie, maar ontwrichting.



 

Deel I

Ik zal geen hout meer op het vuur doen.

Hij keek naar de vlammen in de kookkachel en hij bleef net zo lang kijken tot ze helemaal uitgingen en zei: nee, onder geen enkel beding, tot hier en niet verder, want er is geen doel en geen reden, wat tot nu heet was, is nu koud, wat tot nu toe af en toe opgloeide is nu uitgedoofd, het leven gaat mij niet meer raken en interesseert me verder ook niet, hij ging zich niet meer verroeren, zei hij, hij stopte ermee, zoals het hart dat ook doet op het allerlaatste ogenblik, wat had hij hier in ’s hemelsnaam nog te zoeken, het einde moest maar komen, wat kon het hem schelen, hij had genoeg gezien, genoeg gestreden, genoeg werk laten verzetten door het bloed, de lymfe, de spieren en de zenuwen, de Hemelse Vader moest hem maar komen halen, ze konden hem wel aansporen van ach Majesteit, waarom gaat u niet tenminste wandelen, u woont op het hoogste punt van het bosgebied, boven op een berg, achter uw terras gaat het steil naar beneden, het is het heerlijkste dat Moeder Natuur ooit heeft voortgebracht, ten minste één keer per dag een wandeling in deze ongestoorde schoonheid, een uurtje maar, te midden van de bossen, de struiken, de vogeltjes en de frisse lucht, en uw gezondheid is gered, dan mag u nog jarenlang bij ons blijven, tot onze grote vreugde en respect, verbazing en bewondering, natuurlijk niet in deze bewoordingen, maar op hun eigen onbeholpen manier, het waren kinderen van het volk, maar ze hadden een natuurlijke neiging tot het goede, dus hij moest waardering opbrengen voor hun inspanningen en hun blijdschap, hun respect, hun verbazing en bewondering, ze waren tientallen jaren naar hem op zoek geweest, zo was gebleken, ze hadden bibliotheken, archieven en antiquariaten ondersteboven gehaald, ze hadden gespeurd en gesnuffeld, ze waren op jacht gegaan in stambomen en familiewapens, en ze hadden hem gevonden, want ze wisten dat hij er moest zijn, ze wisten dat hij ergens leefde, tot ze opeens aan zijn poort klopten, of beter gezegd: het klokje onder het wachthuisje luidden en hem lieten weten dat zij het waren, wie dan, riep hij toen in de richting van de poort door de op een kier geopende deur, maar er kwam geen antwoord, alleen wat geschuifel en geritsel, hij vroeg dus nog een keer wie daar was, zij dus, zeiden ze en ze keken hem geëmotioneerd aan toen hij naar buiten liep en de poort opende, zelfs Zsömle, de oude hond, hief zijn hoofd op, wat hij de laatste tijd bijna nooit meer deed, dus hij wilde zelf ook niet onbeleefd tegen hen zijn, natuurlijk ging hij naar buiten om de poort te openen, en de bezoekers bleven een tijdlang roerloos voor de poort staan en staarden hem aan alsof ze hun ogen niet konden geloven, terwijl hij uit de onsamenhangende woorden alleen kon opmaken dat ze gekomen waren om hun respect te betuigen, nou, als ze gekomen waren, zei hij met een verwelkomend gebaar, dan moesten ze maar binnenkomen, en ze liepen in ganzenmars achter hem aan tot het huis, maar ze wilden niet gaan zitten, wij gaan niet zitten in uw aanwezigheid, want we hebben gespeurd en gesnuffeld en we zijn op jacht geweest, en nu hebben we u gevonden, en vanaf nu zullen wij u dienen, maar hem wilde maar niets te binnen schieten waarmee ze hem konden dienen, bovendien moest hij zich snel omdraaien, naar de kookkachel toe, die bij hem al lange tijd nergens toe diende, behalve als onderstel voor de kookplaat, daar moest hij naartoe, want hij had net zijn aardappelprutje op het vuur gezet voor het middageten en hij was bang dat het zou aanbranden, met kordate bewegingen roerde hij er een paar keer in en tikte vervolgens met de pollepel tegen de rand van de pan om de vastgekleefde stukjes eraf te krijgen, hij zette de plaat op stand twee en gooide een beetje water bij het eten uit de emaillen beker met bloemetjesmotief, en aangezien de bezoekers zich nog steeds niet uitlieten over de vraag wat ze hier eigenlijk wilden met dat respect en hij door de plechtige toon al iets vermoedde, namelijk dat ze werkelijk ontdekt hadden dat hij onlangs het zwaard van de Ridderorde van Sint-Joris had gekregen, hij was al een tijd geleden tot de orde toegelaten, maar het zwaard was nu pas aangekomen, want voortaan zou híj de nieuwe kandidaten tot ridder slaan, hij kon het wel even laten zien als ze wilden, maar alvorens dat te doen vroeg hij over zijn schouder of ze koffie wilden, de koffie is net klaar, mag ik u een kopje inschenken?, waarop zij beleefd protesteerden, daar waren ze niet voor gekomen, en ze wilden hem niet vermoeien, ze waren hier om een andere reden, maar uiteindelijk namen ze het aanbod toch aan, er waren echter niet genoeg kopjes, dus terwijl de eerste vier de vers gezette koffie dronken, zette hij op de andere pit, naast de pan met het prutje, een nieuwe portie op in het vierpersoons espressopotje, dit gebruik ik, het heeft me nog nooit in de steek gelaten, en de zeven – of hoeveel het ook waren – beduusde mannen stonden er maar en bleven steeds opnieuw zeggen dat ze in overdrachtelijke zin een lange weg hadden afgelegd om hem te zien, en hij moest er nu niet op letten dat het hun nauwelijks lukte om hun eigen verhaal te vertellen en dat ze moeilijk uit hun woorden kwamen, hij moest maar zeggen wat ze op dit moment voor hem konden doen, maar hem wilde nog steeds niets te binnen schieten, en hij begreep eigenlijk ook niet wat ze bedoelden, hij had geen idee wat ze wisten en hoe diep hun kennis ging, al had hij wel zijn vermoedens, terwijl het hem anderzijds hoogst onwaarschijnlijk leek dat uitgerekend zulke eenvoudige mensen… nou ja, eenvoudig… toen hij hun vroeg wie wie was, zei de een dat hij allround elektricien was, de ander rondtrekkende gitaarspeler en liedjeszanger, de derde autospuiter, de vierde fokker van oude Hongaarse paardenrassen, er zat een politieagent bij, een boekhouder annex belastingadviseur, alsmede een potige adjudantonderofficier, en op het laatst bleek dat er ook een leraar onder hen was, die door de anderen professor werd genoemd, die daar ook geen bezwaar tegen maakte, het enige wat hij deed wanneer ze ‘meneer de professor’ tegen hem zeiden, was even zijn hoofd schudden, één keer naar links en één keer naar rechts, en dan nog een keer, in dezelfde volgorde, waarna hij zijn keel schraapte en zijn omlaaggegleden bril terugduwde om in het vervolg vooral zelf het woord te voeren, als er al iemand sprak, hij herhaalde dat zij niet de bel hadden geluid om hem bij zijn belangrijke bezigheden te storen, waarna hij op de humoristische toer ging door te zeggen dat zij niet zouden weggaan voordat ze hadden kunnen beginnen met iets, hoe klein ook, wat ze voor hem konden doen, en hij legde een sterke nadruk op het woord ‘doen’, terwijl hij het lege koffiekopje voorzichtig bij de andere op de met bruin pakpapier afgedekte tafel zette om te voorkomen dat het een tik zou geven – kon hij hun niet ten minste een klein klusje geven dat ze konden doen, vroeg hij, want ze wilden zich niet met woorden maar met daden aan hem voorstellen, dat hadden ze met elkaar afgesproken, en als hij het hun toestond, dan gingen ze dat doen en dan zouden ze rust vinden, en aldus geschiedde, tegen de avond hadden ze de vier hoeken van het grondstuk uitgemest, want hij had hun verklapt dat dat iets was waar hij wel dankbaar voor zou zijn, die vier hoeken, die vier hoeken stoorden hem namelijk, het was daar allemaal zo rommelig, zo verwaarloosd, al jaren, het grondstuk was dankzij enkele niet totaal verdorven dorpelingen nog enigszins op orde, het gras werd af en toe gemaaid, de moestuin kreeg wel eens water, de fruitbomen werden soms gesnoeid, maar met die dorpelingen had hij ook wel problemen, waardoor hij hen voor die werkzaamheden, namelijk het uitmesten van de hoeken, nooit had ingeschakeld, en het op eigen kracht doen was geen optie, hij had er nooit tijd voor, jokte hij, en hij werd meteen boos op zichzelf, hij schaamde zich ervoor dat hij moest jokken, hij kreeg er een kleur van dat hij zich op zijn drukke bezigheden beriep terwijl het om zijn falende lichamelijke krachten ging, waardoor hij nog niet eens tot het bescheiden inzicht kon komen dat hij iets moest beginnen met die vier hoeken, maar dat wilde hij nog minder toegeven, want hij wilde zich niet zwak tonen voor een groep vreemden, misschien later, misschien zou hij hen een andere keer inwijden, bij gelegenheden van relatief oppervlakkig menselijk contact zag hij in lichamelijke zwakheid een gebrek in het karakter, dat wil zeggen: het toegeven daarvan, en daarbij vergeleken was het nog beter om zich te beroepen op zijn drukke werkzaamheden, die hij als reden opgaf voor het blijven staan van het onkruid, dat die zeven mannen, of hoeveel het er ook waren, die zomaar ineens uit het niets waren opgedoken, zo snel hadden laten verdwijnen dat hij niet eens kon bedenken waar al die rommel was gebleven die ze hadden weggehaald, hij wist niet zo goed hoe hij hen moest bedanken, misschien kon hij hun nu een kopje thee aanbieden, of misschien een glaasje wijn, als ze klaar waren, maar net zo snel als het onkruid uit de hoeken verdwenen was, waren zij ook verdwenen van het erf, hij hoorde alleen het getuf van meerdere wegrijdende auto’s na het invallen van de duisternis, waarna hij tot de volgende dag lag te na te denken, de kwestie was namelijk of hij wel wilde dat het ontdekt werd wie hij in werkelijkheid was, nee, hij wilde het niet, maar nu het toch gebeurd was, moest hij daar iets mee, voorlopig zou hij voorzichtig de boot afhouden, daar kwam hij op uit, maar de woorden waarmee hij hen de volgende keer ontving vielen zo voorzichtig uit dat de bezoekers niet begrepen wat ze betekenden, namelijk dat ze niet meer moesten komen, sterker nog, ze waren zichtbaar onder de indruk van het feit dat zijn woorden begrijpelijk waren, alsof hij dezelfde taal sprak als zij, dat was niet wat ze hadden verwacht, waardoor ze nog minder bereid waren om te gaan zitten in de keuken en pas na veel beleefde tegenwerpingen bereid waren een kopje koffie aan te nemen, iets anders had hij hun ook dit keer niet aan te bieden, koffie of thee, of een beetje wijn, koffie, antwoordden zij, vanwege zijn benen en zijn terugkerende evenwichtsstoornissen ging hij toen zitten, tijdens het luide geslurp deed iedereen er het zwijgen toe, en het was net als de eerste keer, vier mensen zaten zwijgend aan de koffie, en een van de wachtenden, de onderofficier, die zich vrijwillig voor de taak had aangemeld, zoals hij zich zelf uitdrukte, was bezig met het opnieuw vullen van het espressopotje, het was dus stil, of het zou stil zijn geweest, ware het niet dat de stilte te ongemakkelijk voor hem was, dus hij stond op, ondanks zijn zwakke benen en regelmatig terugkerende evenwichtsstoornissen was hij nog steeds vlug van beweging, de verdorven dorpelingen noemden hem dan ook meneertje Kwiek-en-vief, hij sprong op en liep snel naar de kamer, pakte het zwaard dat boven op de klerenkast lag en bracht het naar de keuken, gebaarde de bezoekers dat ze hun kopjes even dichter bij elkaar moesten zetten, legde het zwaard op de tafel en haalde het uit de rood-wit-groen geverfde wollen doek, liet zijn vinger langs de krullerige letters gaan om hun de inscriptie op het lemmet te laten zien, Internationale Ridderorde van Sint-Joris, zeven hoofden, of hoeveel het er ook waren, bogen over elke letter, en hier staat het motto, zei hij en hij draaide het zwaard om, ze hebben het hier geschreven, kijk maar, en hij liet zijn vingers over de gravering onder het gevest gaan zodat ze de letters konden volgen, ivishfs is een afkorting, dat is hun motto, fluisterde hij, en hij legde uit dat het zwaard hem eigenlijk door de koningin van Engeland was toegezonden en door de Ridderorde was bezorgd, toen zij, namelijk de mensen rond de koningin van Engeland, hadden uitgezocht hoe ze het bij hem thuis konden laten bezorgen, jullie zijn er ook al achter gekomen, zei hij met een knipoog, dat het adres Táncsics-straat 23/d te Egerlovászi is, maar de adviseurs van de koningin was alles duidelijk, zei hij terwijl hij omhoogkeek en weer op zijn plek ging zitten, wat het adres betrof was hun alles al vanaf het allereerste begin duidelijk, ze wisten waar hij woonde, en ze vonden de Ridderorde ook geschikt om hem het zwaard te laten bezorgen, en dus werd het inderdaad bij hem afgeleverd door de mensen van de Ridderorde, is de koffie al klaar, vroeg hij aan de gepensioneerde adjudant-onderofficier, ja, klonk het antwoord, en de andere drie dronken ook hun kopje leeg, als ze al met zijn drieën waren, en de derde keer verliep alles net zo, met als enige verschil dat ze toen al met veel meer waren, ze pasten nauwelijks in de kleine keuken, beter gezegd: ze pasten er helemaal niet in, een aantal moesten in de hal blijven, daar stonden ze naar hem te luisteren, terwijl ze met ingehouden adem naar hem staarden, maar hij zei eigenlijk niet veel, het kiezen van een onderwerp was weer eens ongemakkelijk, ze zaten aan de koffie te slurpen, althans diegene die koffie hadden gekregen, met licht trillende handen lieten ze hun kopjes zakken en zetten ze ze op de keukentafel, waarna hij hun vroeg of ze de brief wilden zien die hij van Sjimmie Karter had gekregen, toen de Amerikaanse president de stem van zijn nobele hart volgend eindelijk de kroon teruggaf aan Hongarije, en dat wilden ze, Sjimmie Karter, ging het fluisterend van mond tot mond helemaal tot het halletje, zijn brief, ja, de brief, zei hij, terwijl hij met een grijze map uit de kamer terugkwam, hier zit alles in, jullie mogen het zien, hij legde de map geopend op tafel en zocht de brief op, dit is slechts een fotokopie, het origineel heb ik hier ook, maar ik heb het verstopt, kijk hier maar, en de gelukkigen, die dicht bij hem stonden, konden zich naar voren buigen en de brief bekijken, of eigenlijk alleen de envelop, waar Sjimmie Karter zijn naam op gekrabbeld had, zoals zij die schrijven natuurlijk, met een J en een C, voegde hij eraan toe met een beetje verwondering in zijn stem, zo van kijk toch hoe raar die Amerikanen de letters gebruiken, en de volgende rij zou net naar voren komen om ook te kijken toen hij de map dichtklapte en zei: oké, voor hen hoefde hij niet meer de schijn op te houden, hij kon beter klare wijn schenken, ja, het was waar, hij had zich verborgen gehouden, hij had in Szeged gewoond, waar de hele familie vandaan kwam, maar daarna woonden ze overal, aan het eind van de negentiende eeuw zelfs in het Amerikaanse Detroit, waarna hij, de laatste troonopvolger, zich hier vestigde met zijn vrouw, in Egerlovászi, Táncsics-straat 23d, maar zijn toehoorders wisten niet wat ze hiermee aan moesten, en dat terwijl het al de tweede keer was, want ze waren niet in Egerlovászi, maar niemand vroeg door, ze lieten dit Egerlovászi maar over zich heen komen en dachten waarschijnlijk dat het later wel duidelijk zou worden, in ieder geval, ging hij intussen verder, in ieder geval hadden deze lui, en hij wees met een grimas van afschuw op zijn gezicht naar het dorp, geen flauw benul wie er in hun dorp woonde, wat maar goed was ook, en als ze hem spottend meneertje Kwiek-envief noemden, zei hij daar niets van, ze noemden hem maar wat ze wilden, bovendien was hij allang niet meer kwiek en vief, vroeger wel, dat had hij van zijn vader, die was zo’n echte stuiterbal, hij stond nooit stil, was altijd aan het rennen, ging nooit zitten om even bij te komen, nee, altijd aan het hollen, nu eens hier en dan weer daar in de weer, voortdurend aan het werk, dat was dus het bloed dat in zijn aderen vloeide, maar de jaren hadden ook bij hem hun tol geëist, het was voorbij, zei hij met opgeheven hoofd, en wachtte trots rondkijkend op de kreten van ongeloof, hij was al de negentig gepasseerd, hadden ze dat gedacht?, nee!, wáát?, kwam het antwoord onmiddellijk in koor om weg te sterven achter in het halletje, toch was het wel zo, in januari dit jaar was hij eenennegentig geworden, en hij zou niet zeggen dat het zo super-de-super was, maar hij hield zich staande, zoals ze konden zien, mijn vrouw is er al twaalf jaar… of hoelang ook al weer… ja, twaalf jaar is ze er niet meer, de arme ziel, ook zij wist het niet, want hij had het haar niet verteld, terwijl ze lang getrouwd waren geweest, God zij gedankt, ze hadden het fijn samen, Ilona was een vrouw van weinig woorden, een goede ziel die alleen voor hem leefde, ze deed alles in en om het huis, terwijl hij uit werken ging tot zijn pensionering, bij het leven in het verborgene hoorde namelijk ook dat hij een vak moest hebben, hij had arbeid nooit geminacht en had respect voor mensen die werkten en hun mannetje stonden, ook al waren ze van hoge afkomst, of misschien juist daardoor, want zij wisten maar al te goed dat de bezigheden van een werkelijk edele persoon niet bestonden uit wat de gewone mensen zich daarbij voorstelden, luieren en handjes schudden en op de dansvloer rondzwieren en anderen uitbuiten en dat soort dingen, maar uit je mannetje staan, wat het leven ook voor je in petto had, wat hebt u dat prachtig gezegd, Majesteit, riep de allround elektricien links van hem, waardoor hij, door de intonatie, die dorpse manier van spreken, het sappige dialect, meteen landde, hier op de berg, in de werkelijkheid, in de kleine keuken, waar zij om hem heen stonden met ook nog mensen in het halletje, mensen van wie hij zelfs nu, bij de derde ontmoeting, nog steeds niet zo goed wist wat ze eigenlijk van hem wilden, en hij ging het dan nog maar eens vragen, dit keer op veel vastberadener toon, wel, het ging erom, stak de geschiedenisleraar van wal, met zijn blik op het onderste deel van de tafelpoot voor hem gericht, waar die de vloer raakte, het is onze wens, dat nu wij u gevonden hebben, en alle voorspellingen zijn uitgekomen, wij willen nu dus, om er niet te lang omheen te draaien, want ik houd er niet van om lang om de hete brij heen te draaien, kortom, wij willen de monarchie herstellen, er was namelijk sprake van rechtscontinuïteit, u bent het levende voorbeeld, het is immers…, maar hier moest hij hem onderbreken, onderbrak hij hem, en hij vertelde dat hij in 1945 had besloten zich niet met politiek in te laten, en daar had hij zich tot op de dag van vandaag aan gehouden, hij had zich hier in dit kleine huisje teruggetrokken met de nietsvermoedende Ilona, de arme ziel, die zoals gezegd al twaalf jaar geleden was heengegaan, maar geestelijk was ze nog hier, van politiek kon geen sprake zijn, maar wij hebben het ook niet over politiek, Majesteit, zei de geschiedenisleraar zichtbaar verschrikt, de monarchie is voor ons geen politiek, en u, de koning, u bent geen deel van de politiek, maar volgens de Leer van de Heilige Kroon berust alles bij u, u bent de Bewaarder, de Drager, waarop hij antwoordde dat hij niet kon ontkennen dat Miklós Horthy en nog een paar mensen, hij zou het later nog wel vertellen, alles wisten, maar hij had geen idee hoe zíj dit wisten, niemand had er tot nu toe enig idee van, die tijden waren voorbij, de wereld, en dus ook ons Heilige Vaderland, was nu vooral bezig met de komst van het einde van de wereld, die eind dit jaar te verwachten was, zoals hij in het nieuws las, en met de kansen van die vuile neger, de president, hij hield zich niet bezig met politiek, ooit had hij, om redenen die hier niet genoemd konden worden, besloten om de familietraditie te volgen en zijn rang te verbergen, en dat deed hij dus ook, hij leerde voor elektricien en agrarisch werktuigbouwkundige, en maakte zich op technisch gebied nuttig voor het heilige Hongaarse vaderland waar dat nodig was, maar geen politiek, dat moesten ze begrijpen, daarvan kon geen sprake zijn, dat had hij gezworen, en niet eens pas in ’45, maar al in ’44, ten overstaan van Horthy, en daar had hij zich aan gehouden, en dat zou hij blijven doen, wij willen u nergens toe overhalen, zei de geschiedenisleraar toen, geen van ons allen, en hij wees naar de mensen om hem heen, God beware, wij weten wat respect is, want zij dachten precies hetzelfde, dat politiek iets verrots was, iets lelijks, iets leproos, wat ook van hen ver afstond, juist daarom hadden ze naar hem gezocht, gesnuffeld en gejaagd, om hem te vinden, en nu waren ze hier, hij moest hen geloven, voor hen was het al reden genoeg tot blijdschap dat ze hem hadden gevonden, en wat de monarchie betrof… daar zouden zij wel voor zorgen, als hij daar geen bezwaar tegen had, de stem was smekend, en de diepe grom ter bevestiging was overtuigend, iedereen die hij hier zag, zei de leraar en hij liet zijn blik omhooggaan van de tafelpoot en wees naar zijn kameraden om hem heen, was op zoek naar het schone en het zuivere, naar het terugbrengen van de moraal, en daarop wilden ze hun leven… dat was dan in orde, viel hij hem in de rede, en hij vroeg of ze misschien wat wilden drinken, want hij had een beetje wijn in huis, waarmee hij zijn dankbaarheid wilde tonen voor het uitmesten van de hoeken van het grondstuk, ach, niets te danken, murmelden de mensen in het rond, dat stelt niets voor, Majesteit, waarop hij zei dat ze één ding moesten afspreken, als ze plannen hadden voor een langere termijn, en dit bezoek niet de laatste wilden laten zijn, mochten ze hem nooit meer zo noemen, laten we het erop houden, en hij keek de leraar aan, maar hij richtte zich tot iedereen, en verhief zijn stem, dat ik

OOM JÓZSI

ben, gewoon, dat moesten ze onthouden, dat was nodig

[...]

 

© 2024 László Krasznahorkai
© 2026 Nederlandse vertaling Mari Alföldy / Wereldbibliotheek

Wil je van je bestaande account gebruikmaken op onze nieuwe website? Je behoudt dan onder meer je bestelgeschiedenis, reeds aangeschafte e-books en je persoonlijke verlanglijst. Als je toestemming geeft krijg je direct een mail om een nieuw wachtwoord in te stellen.

Voer een geldig e-mailadres in

Hostname: pro-mbooks2