Een van de beste romans aller tijden volgens The Guardian, getipt door onder anderen Salman Rushdie, Yael van der Wouden en Kit de Waal: Toni Morrisons grote roman Beminde (Beloved, vertaald door Nettie Vink)! Lees nu een fragment.
Amerika, de tweede helft van de negentiende eeuw. De gevluchte slavin Sethe vermoordt uit wanhoop haar dochtertje Beminde om haar te behoeden voor de slavernij. Maar Beminde keert terug als kwade geest en terroriseert haar moeder. Het is uiteindelijk Denver, de tweede dochter van Sethe, die het gezin van de beklemmende vloek weet te verlossen. Beminde is een schitterende en angstaanjagende roman over het beladen verleden van de Verenigde Staten.
1
Nr. 124 wrokte. Zo giftig als een klein kind. De vrouwen in het huis wisten het en de kinderen ook. Jarenlang had iedereen zich die wrok op zijn eigen manier laten welgevallen, maar tegen 1873 waren alleen Sethe en haar dochter Denver er nog de dupe van. De grootmoeder, Baby Suggs, was dood en de zoons, Howard en Buglar, waren er rond hun dertiende al vandoor gegaan – zodra een spiegel in diggelen viel als je er maar in keek (dat was voor Buglar het teken) en zodra de afdruk van twee kleine handjes in de koek verscheen (dat was het teken voor Howard). Ze hadden genoeg gezien, geen van tweeën wachtten ze af tot er weer een ketel met kikkererwten in een dampende hoop op de grond lag of verkruimelde sodacrackers parallel aan de drempel waren uitgestrooid. Ze wachtten niet eens op een adempauze, op de weken, de maanden soms waarin alles op zijn plaats bleef. Nee. Ze gingen allebei direct op de loop op het moment dat het huis hun die ene klap toebracht die ze niet nog eens konden verdragen of wilden meemaken. Binnen twee maanden, hartje winter. En zo lieten ze hun grootmoeder Baby Suggs, Sethe hun moeder en hun zusje Denver helemaal alleen achter in het grijs-met-witte huis aan Bluestone Road. Dat had toen nog geen nummer omdat Cincinnati zich nog niet zo ver uitstrekte. Ohio was naar eigen zeggen pas zeventig jaar een staat, toen eerst de ene en toen de andere broer dekenvoering in zijn hoed propte, zijn schoenen pakte en wegsloop voor de levendige wrok die het huis hun toedroeg.
Baby Suggs tilde niet eens haar hoofd op. Dat ze zich niet verroerde toen ze hen hoorde gaan, was niet omdat ze ziek in bed lag. Ze vond het een mirakel dat het zo lang had geduurd voor haar kleinzoons beseften dat niet elk huis zo was als hun huis aan Bluestone Road. Omdat ze zweefde tussen het rottige leven en de gemene doden liet het haar koud of ze het leven moest laten of ermee door moest gaan, en de angst van twee jongens die de deur uitslopen, liet haar al helemaal koud. Haar verleden was niet anders geweest dan haar heden: niet om uit te houden, en omdat ze wist dat de dood allesbehalve vergetelheid betekende, gebruikte ze het beetje energie dat ze nog had om na te denken over kleur.
‘Breng me wat lavendel, als je dat hebt. En anders roze.’
En Sethe kwam behulpzaam met van alles aanzetten, van een stukje stof tot aan haar eigen tong. Winter in Ohio was extra akelig als je zo’n trek had in kleur. Alleen de lucht zorgde soms voor een dramatisch effect, en het was zonder meer roekeloos om voor je voornaamste bron van levensvreugde te vertrouwen op de horizon van Cincinnati. Dus Sethe en het meisje Denver deden voor haar wat ze konden en wat het huis toeliet. Ze vochten samen werktuiglijk tegen het gewelddadige gedrag van het huis; tegen omgevallen plaspotten, klappen op je achterwerk en gure windvlagen. Want ze kenden de oorsprong van het geweld even goed als de oorsprong van het licht.
Baby Suggs stierf kort nadat de broertjes weggegaan waren, zonder enige belangstelling voor hun vertrek of haar eigen vertrek, en prompt besloten Sethe en Denver een eind aan de kwellingen te maken door het spook op te roepen dat zo’n bezoeking was. Een gesprek, dachten ze, een gedachtewisseling of zo zou misschien helpen. Dus ze pakten elkaars hand vast en zeiden: ‘Kom dan. Kom dan. Je kunt net zo goed komen.’
Het dressoir kwam een stap naar voren, maar dat was het enige.
‘Opoe Suggs houdt het zeker tegen,’ zei Denver. Ze was tien jaar en nog steeds kwaad op opoe Suggs omdat ze gestorven was.
Sethe deed haar ogen open. ‘Ik geloof van niet,’ zei ze.
‘Waarom komt het dan niet?’
‘Je vergeet dat-ie zo klein is,’ zei haar moeder. ‘Ze was nog niet eens twee jaar toen ze stierf. Te klein om het te begrijpen. Zelfs te klein om al veel te kunnen praten.’
‘Misschien wil ze het niet begrijpen,’ zei Denver.
‘Misschien. Kwam ze maar, dan kon ik het haar uitleggen.’ Sethe liet de hand van haar dochter los en ze schoven samen het dressoir weer tegen de muur. Buiten bracht een voerman zijn paard met zweepslagen in galop; de mensen uit de buurt vonden dat nodig als ze langs nr. 124 kwamen.
‘Ze heeft een sterke toverkracht voor een klein kind,’ zei Denver.
‘Niet sterker dan mijn liefde voor haar,’ antwoordde Sethe, en daar had je het weer. De koelte van onbewerkte grafstenen die haar opnam, die ene die ze uitzocht om op haar tenen tegenaan te staan, met haar knieën wijd uit elkaar als een graf. Roze was hij, als een vingernagel, en bezaaid met glinsterende schilfertjes. Tien minuten, zei hij. Als je tien minuten hebt doe ik het voor niks.
Tien minuten voor zeven letters. Had ze voor nog eens tien ‘Teer’ erbij kunnen krijgen? Ze had er niet aan gedacht om hem dat te vragen en het zat haar nog dwars dat het misschien had gekund, dat ze voor twintig minuten, zeg een halfuur, het helemaal had kunnen hebben, elk woord dat ze de predikant op de begrafenis had horen zeggen (en meer viel er toch ook niet te zeggen) in de grafsteen van haar kleintje gegrift: Teer Beminde. Maar ze kreeg, ze nam genoegen met het woord waar het om ging. Het moest genoeg zijn, dacht ze, bronstig parend tussen de grafstenen met de graveur, terwijl zijn zoontje toekeek met op zijn gezicht een oeroude woede en een heel nieuwe begeerte. Dat moest zeker genoeg zijn. Daar konden de volgende predikant, de volgende abolitionist en een walgende stad het mee doen.
Vol vertrouwen in de rust in haar eigen ziel was ze die andere vergeten, de ziel van haar kleine meid. Wie had kunnen denken dat zo’n klein mensje zo’n woede kon koesteren? Bronstig paren tussen de stenen waar de zoon van de graveur bij stond, was niet genoeg. Ze moest niet alleen haar leven slijten in een huis dat was lamgelegd door een klein kind dat razend was omdat het de keel was afgesneden, maar die tien minuten dat ze daar klem stond tegen een steen met de kleur van de dageraad en bezaaid met sterrenschilfertjes, haar knieën wijd uit elkaar als het graf, duurden langer dan het leven, hadden meer leven in zich en meer kloppende kracht dan het bloed van het kleintje dat als vet in haar vingers trok.
‘We kunnen verhuizen,’ stelde ze haar schoonmoeder een keer voor.
‘Wat heeft dat voor zin?’ vroeg Baby Suggs. ‘Er is geen huis in het land dat niet tot de nok toe vol zit met het verdriet van een of andere neger. We boffen nog dat dit spook een klein kind is. Moet de geest van mijn man hier terugkomen, of van jouw man? Hou je maar stil. Jij boft. Jij hebt er nog drie. Drie die aan je rokken hangen en maar eentje die van de overkant de boel op stelten zet. Wees jij maar dankbaar. Ik had er acht. Stuk voor stuk bij me weggegaan. Vier gepakt, vier weggejaagd en allemaal kwaad aan het stichten in iemands huis, denk ik.’ Baby Suggs wreef over haar wenkbrauwen. ‘Mijn eerstgeborene. Van haar weet ik alleen nog dat ze dol was op verbrande broodkorsten. Is dat niet kras? Acht kinderen en dat is alles wat ik me herinner.’
‘Meer wil je je niet herinneren,’ had Sethe tegen haar gezegd, maar ze had er nu zelf nog maar één over – in leven dan. De dode had de jongens weggejaagd, en wat ze zich van Buglar herinnerde vervaagde zienderogen. Howard had tenminste nog een hoofd om nooit te vergeten. En verder deed ze hard haar best zich, waar dat veilig kon, zo min mogelijk te herinneren. Jammer genoeg kon ze niet van haar hersens op aan. Dan stak ze bijvoorbeeld haastig, op een holletje bijna, een veld over om maar vlug bij de pomp te zijn en het kamillesap van haar benen te spoelen. Zonder iets anders in haar hoofd. Het beeld van de mannen die haar kwamen vasthouden, was net zo dood als de zenuwen van haar rug, waar het vel kromtrok als een wasbord. En geen spoortje inktlucht of de lucht van de kersengom en de eikenschors waarvan die werd gemaakt. Niets. Alleen het briesje dat haar gezicht afkoelde terwijl ze naar het water rende. En dan sopte ze de kamille van haar benen, met al haar aandacht bij het laatste druppeltje sap dat weg moest, bij haar onnadenkendheid om de nog geen kilometer kortere weg door het veld te nemen en pas te merken hoe hoog het onkruid stond toen de jeuk al bij haar knieën was. En dan iets. Het spattende water, de aanblik van haar schoenen en kousen kriskras op het pad, of Here Boy die in de plas bij haar voeten lebberde, en dan ineens begon Sweet Home zich voor haar ogen te ontrollen en hoewel er geen boomblad op dat bedrijf was dat haar niet aan het gillen bracht, ontrolde het zich toch voor haar in schaamteloze schoonheid. Het zag er nooit zo verschrikkelijk uit als het was en daardoor vroeg ze zich af of de hel soms een aantrekkelijk oord zou zijn. Vuur en zwavel natuurlijk, maar verstopt in het kantwerk van boomgroepen. Jongens hingen in de mooiste platanen ter wereld. Het was een schande, maar ze herinnerde zich de prachtige ruisende bomen beter dan de jongens. Ze kon nog zo hard proberen om het andersom te doen, de platanen wonnen het altijd van de kinderen en dat kon ze haar geheugen niet vergeven.
Toen het laatste beetje kamille weg was, liep ze om het huis heen naar voren, intussen haar schoenen en kousen oprapend. Alsof ze nog meer straf verdiende voor haar verschrikkelijke geheugen, zat daar op de veranda nog geen anderhalve meter van haar af Paul D, de laatste van de Sweet Home-mannen. Ze zou hem nooit voor een ander aanzien, maar toch vroeg ze: ‘Ben jij het?’
Copyright © 1987 Erven Toni Morrison
Copyright Nederlandse vertaling © 1988 Nettie Vink