Leesfragment: Chita

23 juni 2026, door Lafcadio Hearn

Nu in onze winkels: de met 5 ballen besproken roman (NRC) van Lafcadio Hearn, Chita: Herinnering aan Last Island (Chita: Memory of Last Island, vertaling Barbara de Lange)! Tijd voor een fragment.

Het is 1856 en een verwoestende orkaan heeft het eiland Last Island, nabij New Orleans, volledig weggevaagd. In de nasleep van de storm redt de visser Feliu Viosca een kind. Zijn vrouw Carmen wordt al tijden geplaagd door dromen waarin hun overleden dochter, Conchita, terugkeert – en haar droom lijkt even waarheid te worden. Ze dopen het kind Chita.

Ze leren haar zwemmen, laten haar kennismaken met hun geloof, en met alles wat je moet weten over het leven aan de kust. Ze weten dat haar moeder dood is, maar hoe zit het met haar vader, die op de lijst van vermisten stond? Lafcadio Hearn baseerde Chita op historische feiten, en publiceerde het oorspronkelijk als feuilleton in Harper’s New Monthly Magazine in 1888. Met zijn zintuiglijke beschrijvingen van de natuur en het hardvochtige leven van de lokale bevolking is Chita een klimaat- roman avant la lettre, die toont hoe de mens overgeleverd is aan de schoonheid én de wreedheid van de natuur.

 

Deel I
De legende van L’Île Dernière

1.

Als je vanuit New Orleans in zuidelijke richting naar de Eilanden gaat, kom je over verschillende slingerende waterwegen via een vreemd land aan bij een vreemde zee. Je kunt de Golf met een logger bereiken, als je dat graag wilt, maar de overtocht verloopt veel sneller en aangenamer op zo’n licht smal stoomschip, speciaal gebouwd voor tochten door de bayous, dat doorgaans passagiers aan boord neemt op een plek niet ver van het eind van de oude Saint-Louis Street, vlak bij de suikerloshaven, waar het een constant gedrang en gekrioel is van stoomschepen – die allemaal trachten hun witte borst tegen de steiger te vleien, naast elkaar – als grote vermoeide zwanen. Maar de miniatuurstomer waarop je scheep gaat naar de Golf blijft nooit lang op de Mississippi dralen: hij steekt de rivier over, glipt een kanaalmonding in, ploegt een poos door de kunstmatige waterloop en verlaat die dan met een kreet van blijdschap om vervolgens mijlen lang vrij voort te tuffen in de donkere schaduwen van de bayou. Mogelijk zal hij je daarna meenemen door de onmetelijke stilte van drassige rijstvelden, waar het geelgroene oppervlak sporadisch wordt doorsneden door het zwarte silhouet van irrigatiewerken; maar welke van de vijf verschillende routes ook wordt gekozen, meer dan eens zal je door sombere doolhoven van moerasbossen komen te drijven – langs collecties cipressen, baardig van parasiterend Spaans mos, zo bizar als een bijeenkomst van afgoden. Steeds glijdt het stoomschip van een stroom of een meertje naar een kanaal of bayou – en van bayou of kanaal weer naar meer of baai; en af en toe, verder weg van de oevers, dunt het moerasbos zichtbaar uit tot een woestenij van rietmoerassen, waar zelfs in benauwde nachten de zompige bodem trilt op een geluid als het gebulder van de branding op een kust: het onweersgedonder van miljarden reptielenstemmen die in één cadans scanderen – in ritmische golven van verbluffend crescendo en diminuendo – een monsterlijk en schokkend koor van kikkers! ...
Hijgend, krijsend, met de bodem schrapend over de zandbanken – zo ploetert de kleine stoomboot de hele dag voort om uit te komen in het oogverblindende licht van blauw open water voorbij de moeraslanden; en met een beetje geluk vaart het schip misschien de Golf binnen rond de tijd van zonsondergang. Ter wille van de passagiers wordt de tocht uitsluitend overdag gemaakt; maar er zijn andere schepen die de reis ook ’s nachts maken – die zich ’s zomers en ’s winters een weg banen door het labyrint van bayous: soms door te navigeren op de poolster, nu eens – in het witte seizoen van mistbanken – door met vaarbomen de route af te tasten, dan weer door te navigeren op de Avondster die aan onze hemel zo fel schijnt als een extra maan en boven de stille meren ondergaat, terwijl de boot een sidderend spoor van zilveren vuur kruist.
De schaduwen lengen; en uiteindelijk vervagen de bossen achter je tot blauwige smalle stroken – land zowel als water nemen helderder kleuren aan – bayous monden uit in brede stromen – meren lopen uit in inhammen van de zee – en de zeewind slaat je tegemoet – fel, koel en vol licht. Voor het eerst begint de boot te schommelen – deinend op de machtige, levende hartslag der getijden. En wanneer je op het dek om je heen kijkt, nu de muren van wouden het zicht niet meer belemmeren, zal het zijn alsof het lage land ooit door de zee is uiteengereten en in fantastische flarden over de Golf is uitgestrooid...
Af en toe zie je boven een woestenij van in de wind gekromd prairieriet een oase opduiken – een richel of heuvel in de donkere schaduw van het geronde loof van altijdgroene eiken: een chénière. En ook uit de flonkerende vloed verrijzen soortgelijke bollingen – mooie eilandjes, elk omzoomd met een strand van oogverblindend zand en schelpen, geelwit – en elk met stralend semi-tropisch gebladerte, mirre en waaierpalm, sinaasappel en magnolia. In het smaragdgroene lommer dommelen vreemde kleine dorpen met hutten van palmblad, waar een donkere bevolking van Oosterlingen huist – Maleise vissers, die behalve hun eigen Tagal ook het Spaans-creools van de Filippijnen spreken, en die in Louisiana de katholieke tradities uit Indië bewaren. Er leven in die onbekende dorpen meisjes die een mooie inspiratiebron zouden zijn voor alle mogelijke beeldhouwkunst – knap, met de schoonheid van rossig brons – gracieus als de waaierpalmen die boven hen wiegen... Verder naar zee toe kun je ook een Chinese kolonie tegenkomen: een merkwaardig kampement van houten hutten gegroepeerd rond een kolossaal platform dat op duizenden palen in het water staat – het witte bord beschilderd met rode ideogrammen boven het mini-haventje kan je moeilijk ontgaan. Het reusachtige platform dient om vis in de zon te drogen, en de bizarre karakters op het bord betekenen letterlijk vertaald: ‘Hoop – Garnalen – Volop’. En ten slotte zinkt al het land weg in mistroostige zeemoerassen, waar de stilte zelden wordt verstoord, alleen door de droefgeestige kreet van langpotige vogels, en in de onstuimige jaargetijden door het geluid dat alle kusten opschrikt wanneer de grillige Musicus van de Zee het basregister van zijn machtige orgel bespeelt...

 

Copyright © Lafcadio Hearn, 1886
Copyright Nederlandse vertaling © Barbara de Lange, 2025

Wil je van je bestaande account gebruikmaken op onze nieuwe website? Je behoudt dan onder meer je bestelgeschiedenis, reeds aangeschafte e-books en je persoonlijke verlanglijst. Als je toestemming geeft krijg je direct een mail om een nieuw wachtwoord in te stellen.

Voer een geldig e-mailadres in

Hostname: pro-mbooks2