9 juni verschijnt de nieuwe roman van Dave Eggers, Contrapposto, vertaald door Gerda Baardman, Betty Klaasse, Jan de Nijs en Bernard Wesseling! Wij publiceren voor.
Cricket Dib groeit op in een gebroken gezin op de Amerikaanse prairie. Zijn toekomstvooruitzichten zijn niet goed, tot hij op de lagere school ontdekt dat hij kan tekenen. Vlak daarna ontmoet hij de iets oudere Olympia Argyros. Zij is vroegwijs en vol energie en Cricket raakt al snel in de ban van haar. Olympia ziet zijn talent en weet hem over te halen een speelplaats te ontsieren met vulgaire tekeningen. Hij, inmiddels verliefd, denkt daar niet al te lang over na, en zo ontstaat een relatie die vijfenzestig jaar zal duren, soms zakelijk, soms vriendschappelijk, en soms liefdevol.
Contrapposto is een ontroerende, wilde, vaak grappige roman over vriendschap, liefde, kunst, en wat het betekent om kunstenaar te zijn. De liefde tussen Cricket en Olympia is altijd in beweging, maar hun toewijding aan elkaar is volledig, net als hun onwankelbare geloof dat kunst de wereld kan redden.
De dag erna, om elf uur, was Cricket thuis toen hij een hoekig, compact autootje, oranjebruin geverfd, de oprit op zag draaien. Zijn moeder stond net in de voortuin om de krant te halen toen Olympia uitstapte en zonder aarzelen met uitgestoken hand op haar afliep. Ze droeg een losse, zonnebloemgele blouse en een zwierige witte rok. Cricket liep naar buiten om ertussen te komen, maar was niet snel genoeg.
‘Ik ben Olympia,’ zei ze en ze schudde zijn moeder stevig de hand. ‘We hebben elkaar al eens ontmoet. Bij de Roemeensen. Ik had pianoles.’
Geen van zijn vrienden had zich ooit zo voorgesteld, zo rechtdoorzee, zo professioneel.
‘Dat was jij!’ zei zijn moeder. ‘En kijk nu eens. Je bent een vrouw geworden!’
Olympia glimlachte, ze was duidelijk gewend aan dit soort opmerkingen.
‘We gaan naar de renbaan,’ zei Olympia. ‘Zin om mee te gaan?’
Er waren honderd antwoorden mogelijk, de meeste geschokt of geërgerd, maar zijn moeder schoot in de lach. De wapenen waren haar uit handen geslagen; wat kon ze nog zeggen? ‘De renbaan? De paardenrenbaan, bedoel je?’
‘Wees gerust, ik doe niet aan wedden!’ zei Olympia. ‘We gaan alleen om de kleuren in beweging te zien. Ga mee! Het is prachtig weer.’
Zijn moeder viel opnieuw stil. Ze keek naar de veranda, waar ze Cricket zag staan; ook hij wist niet wat hij moest doen of zeggen. ‘Nou,’ zei ze uiteindelijk. ‘Dat is een verleidelijk aanbod, Olympia. Gaan jullie maar samen. Veel plezier.’
Olympia tikte op het dak van haar auto en Cricket stapte in.
‘Hoe laat ben je thuis?’ vroeg zijn moeder. Ze stond stokstijf op de oprit.
‘De laatste race is om kwart voor vier,’ zei Olympia door het raampje aan haar kant, terwijl ze achteruit de oprit af reed. ‘Dus een uurtje later? Maar misschien gaan we nog wat eten. Moet hij om een bepaalde tijd thuis zijn?’
Crickets moeder schudde haar hoofd en wuifde lusteloos met haar hand.
‘Fijne dag nog!’ zei Olympia. Ze reed de oprit af en al snel zaten ze op de grote weg. In de auto rook het naar kruidige deodorant, watermeloenkauwgom en iets ouds en muffigs – een vlek die er niet meer uit ging. Haar auto was handgeschakeld, en terwijl Olympia geroutineerd de met hout afgewerkte versnellingspook bewoog, raakte haar hand af en toe Crickets knie.
‘Warm vandaag, hè?’ zei Olympia. Ze pakte de zoom van haar rok en liet die flapperen als de vleugel van een mus. Hij ving een glimp op van haar roze, sproetige kuit.
‘Gaan we echt naar de paardenrennen?’ vroeg hij.
‘Ben je daar nog nooit geweest?’ vroeg Olympia. ‘Ik mag je moeder wel. Ze lijkt me lief. Je beugel is eruit. Je had toch een beugel? Doe je nu steeds zo?’ Ze ging met haar tong over haar glanzende tanden.
Terwijl het landschap voorbijschoot, vertelde hij haar over dokter Talmadge.
‘Wat een lul,’ zei ze. ‘Zal ik hem voor je omleggen?’
Het was een heldere, warme dag en telkens als ze iets zei, wierp hij een snelle blik op haar, op zoek naar iets wat nog leek op het meisje van vroeger.
‘Je ziet er anders uit,’ zei ze. ‘Je haar was eerst langer. En je was zo’n klein knulletje. Je bent al bijna volwassen. Word je nog groter?’ Hij voelde zich verplicht om ja te zeggen.
‘Ongelooflijk dat ik terug in Indiana ben,’ zei ze, terwijl ze naar de braakliggende akkers en de winkelstrips keek. ‘Het is hier zo godvergeten plat. Jammer dat we gestopt zijn met brieven schrijven. Ik heb al jouw brieven bewaard, in een doos in Connecticut. Heb je mijne nog?’
‘Ja,’ zei hij.
‘Wat een romanticus ben je toch,’ zei ze. ‘Dat wist ik eigenlijk al. Je ziet er anders uit, maar ook weer hetzelfde. Je lijkt op je moeder. Je hebt zo’n onschuldig gezicht. Heb je weleens gehoord van de “onbevangen blik”?’
‘Nee.’
‘Nou, die heb jij dus nodig!’ zei ze. Ze lachte, een donderende schaterlach. ‘Daar gaat het om, toch? Dat je alles kunt zien alsof het nieuw is.’
Ze kwamen aan bij een enorm wit gebouw, rijk versierd als een bruidstaart.
‘Hier is het.’ Olympia zette de auto in z’n vrij en liet hem zonder af te remmen de parkeerplaats op rollen, waardoor een stelletje opzij moest springen. Ze stapte uit, hees haar grote gehaakte tas over haar schouder en sloot de deuren af.
‘Sorry!’ riep ze naar het stel. ‘Klaar?’ vroeg ze aan Cricket.
‘Heb ik een id nodig?’
‘Niet om binnen te komen,’ zei ze. ‘Je hoeft geen kaartje te kopen of zo. Het is gratis.’
Ze gingen door de poort naar binnen en zagen drie paarden in een ronde paddock, vol bloemen en slingers. Een jockey in roze en zwart zat op een enorm paard met een glimmende bordeauxrode vacht en een witte tooi.
‘De kleuren!’ zei Olympia. ‘Dat geloof je toch niet? Moet je die zien!’
Een glanzend zwart paard werd de paddock binnengeleid door een jockey in een jasje met polkadots, staande in de stijgbeugels. ‘Zo kunnen de wedders de paarden vóór de races bekijken. Zie je hoe die vacht glanst? Wat zou het evolutionaire nut van zo’n glans zijn? Ik heb dorst. Jij ook?’
Ze loodste hem door de draaipoortjes naar een schemerige gang waar het naar urine, bleekmiddel en sigaretten rook. Ze bleef staan toen ze een snackkraam zag.
‘Wacht hier,’ zei ze. ‘Of doe maar daar.’ Ze wees naar een donkere hoek. ‘Heb je een tientje?’
Cricket gaf haar een tientje. Hij had vijftien dollar bij zich.
Ik ben zo terug,’ zei ze.
Hij keek haar na toen ze in de gang onder de tribune verdween, een paar mannen stapten opzij om haar door te laten. Een oudere man zette plechtig zijn honkbalpet af en sloot zijn ogen toen ze langsliep.
Ze kwam terug met twee doorzichtige plastic bekers met geel bier. Hij stak zijn hand uit om er een aan te pakken. ‘Wacht even,’ zei ze. ‘Kom mee.’ Ze leidde hem door de koele betonnen gangen, sloeg plotseling een hoek om en daarna stapten ze het felle zonlicht van het terrein in: een zee van groen gras, groepjes rode, witte en gele rozenstruiken en anjers, en in het midden van dat alles een zilveren fontein die wit water omhoog spoot. Hij had nog nooit zoiets moois gezien.
Ze gingen zitten en zij gaf hem een beker.
‘Zo, hier is het oké,’ zei ze. ‘Zolang je er niet mee rondloopt.’ Ze sloeg de helft van haar beker in één teug achterover, zette hem tussen haar knieën en veegde met de muis van haar hand haar mond af. ‘Het is Pabst, dus het is goed.’
Ze zaten op de zonnige onderste rijen van de tribune, en de zon versterkte het effect van het bier; binnen een paar minuten was Cricket dronken.
‘Wacht maar tot je ze ziet rennen,’ zei ze. ‘Ben benieuwd of je het ook slow motion vindt lijken. Ik kom er niet uit.’
De bel ging, de startboxen klapten open en in de verte begon het hoefgeroffel. Cricket had brute snelheid, lawaai en chaos verwacht, maar zo was het niet.
‘Zie je hoe het vanaf hier lijkt alsof ze in slow motion bewegen?’ vroeg ze.
‘Ja,’ zei hij.
‘Dank je! Ik begon al te denken dat ik gek was. Ze gaan razendsnel, dat snap ik ook wel, maar vanaf hier lijkt het ongelooflijk langzaam. Dus jij ziet het ook zo? Ik weet dat jij anders kijkt dan de meeste mensen. Je houdt vast van Degas,’ zei ze. ‘Zoals jij tekent.’
‘Ik denk van wel,’ zei hij en hij nam een grote slok van het gele bier. Het werd al lauw en hij kende de naam niet die ze net had genoemd. Elke minuut noemde ze wel een naam die hij niet kende, een plek waar hij nooit van had gehoord.
‘Je denkt van wel? Als je paarden ziet, denk je dan niet meteen aan Degas? Hij kon twee dingen geweldig tekenen: paarden en ballerina’s. En vloeren!’ Ze lachte weer. ‘Maar serieus, hij en Manet hadden altijd ruzie over wie er als eerste paarden schilderde.’ Ze nam een grote slok, haar beker was al bijna leeg. ‘Het was trouwens Manet, maar Degas wilde dat nooit toegeven. Weet je nu wie ik bedoel? Ballerina’s op het podium, vloeren en fagotten op de voorgrond? Degas?’
Nu wist hij het. ‘Ja, ik weet het,’ zei hij, en hij deed zijn ogen dicht. Hij had het gevoel dat hij verdampte, één werd met de zon en het gras en de bloemen.
‘Ben jij goed in handen?’ vroeg ze, en hij stelde zich zijn handen om haar middel voor, terwijl ze langzaam dansten zoals hij in de brugklas met Inés Herrera had gedaan, toen hij had gevoeld hoe haar borst tegen de zijne rees. ‘Ik vind mijn handen niet mooi. Stuart zegt dat ik stompe vingers heb. Wat vind jij?’ Ze hield ze voor hem op en legde een hand pontificaal op zijn knie. Het volgende moment was haar hand alweer weg, verdwenen tussen de plooien van haar rok. ‘Weet je wat, geef maar geen antwoord. Maar Degas maakte alle handen sierlijk. Daar was hij goed in.’
Meer dan wat ook ter wereld wilde Cricket dat haar hand weer op zijn knie lag. Hoe moest hij dat vragen? Dat kon niet.
‘En vrouwen die in een badkuip stappen,’ zei ze, en ze lachte zo hard dat ze moest hoesten. ‘Daar heeft hij er volgens mij wel vijftig van gemaakt. Kun je je hem voorstellen, helemaal enthousiast over zijn volgende schilderij? “Hm, wat zal ik schilderen. Eens even denken. Ik weet het! Nog een chick in een badkuip!” En altijd van achteren gezien. Maar heeft de wereld nog een schilderij nodig van een vrouw die in bad stapt? Aan de ene kant: nee. Aan de andere kant: dan mag hij wel weer een blote vrouw in een badkuip schilderen. En dan heb je ook nog Tolstoj.’
Ze dronk de laatste slok van haar bier en stond op. ‘Nog eentje?’
Cricket sloeg de rest van zijn eerste beker achterover en deed opnieuw zijn ogen dicht. Rode ringen pulseerden achter zijn oogleden. Er begon een nieuwe race en hij dommelde even weg. Al snel was Olympia terug met twee nieuwe bekers geel bier. Ze boog zich over zijn schoot om er een in de bekerhouder rechts van hem te zetten. De bekerhouder links van hem was leeg, maar toch reikte ze over zijn schoot heen en hij was intens dankbaar voor die keuze. Ze claimde hem alsof dat vanzelfsprekend was en hij hield waanzinnig van haar.
‘Ik bedoel niet dat Degas een viespeuk was,’ zei ze. Ze pakte de draad gewoon weer op. ‘Al denken veel mensen dat tegenwoordig. Zo’n ouwe man die dansende pubermeisjes tekent. Had ik het niet over Tolstoj? Heb je Wat is kunst? gelezen? Het begint heel sterk, over hoe ongezellig en pretentieus kunstenaars zijn geworden, dat kunst juist vreugdevol moet zijn. Dat vond ik goed. Dat klopte. Maar dan volgen er nog eens honderd pagina’s vol saaie, academische shit, met voetnoten en alles. Heel vreemd. Ken je de uitspraak: schrijven over kunst is als dansen over architectuur? Ik bedoel, zelfs Tolstoj kreeg het niet voor elkaar. Misschien is het wel onmogelijk.’
Een derde race begon. De paarden leken nu nog langzamer te bewegen. Hij was elk gevoel kwijt voor hoe snel dingen hoorden te gaan.
‘Soms hoop ik bijna op een ongeluk,’ zei ze. ‘Is dat ziek? Heb je Anna Karenina gelezen? Die scène waarin ze het paard doodschieten nadat Vronski onderuit is gegaan – vond je dat ook niet afschuwelijk?’
‘Het ziet er zó langzaam uit,’ zei Cricket. Hij kon het maar niet bevatten. Het hoefgedreun klonk razendsnel, maar de paarden bewogen zich stroperig traag door zijn blikveld. Het leek wel alsof ze tegen een bulderende stroom in zwommen. Ze kwamen nauwelijks vooruit.
‘De race?’ vroeg ze, met een daverende lach. Haar lach had zijn eigen echo. Een handvol mensen keek om, benieuwd waar het geluid vandaan kwam. Normaal zou Cricket ineenkrimpen onder al die aandacht, maar hij was overdonderd door Olympia’s levenskracht, door haar bereidheid naast hem te zitten en hem te overladen met haar aandacht. Ze was volledig vrouw, en ze bewoog zich door de wereld alsof alles wat ze tot dan toe had gezegd en gedaan met verrukt applaus was ontvangen.
‘Het is hier verrassend mooi, hè?’ zei ze.
Het tafereel dat zich voor hen afspeelde was een feest van kleur. Het was eigenlijk niet te begrijpen dat dit als een louche of ordinaire plek te boek stond. De mensen om hen heen, verspreid over de tribune, zagen er afgeleefd en eenzaam uit, maar alles vóór hen was overvloedig en weelderig. Het was een paradijs.
[…]
Copyright © 2026 Dave Eggers
Copyright Nederlandse vertaling © 2026 Gerda Baardman, Betty Klaasse, Jan de Nijs, Bernard Wesseling