Nu in onze boekhandels: Anna Woltz’ nieuwe jeugdroman De eerste Alix! Lees nu een fragment.
Alix is wanhopig: haar moeder is gearresteerd en dat is háár schuld. Dwars door de storm van de eeuw is ze op weg naar het politiebureau – maar dan gaat er een rilling door de aarde.
Opeens staat Alix drijfnat op een zonnige stoep. Het is 1926 en haar leven lijkt uitgewist: haar huis is weg en van het politiebureau met haar moeder erin is geen spoor meer te bekennen.
Op dat moment stopt er een bloedrode auto naast haar. Een vrouw en haar keurige zoon staren naar Alix. ‘Dit meisje is perfect,’ fluistert de vrouw – en dan vraagt ze Alix voor de gevaarlijkste rol van haar leven…
Anna Woltz schreef een meeslepend en origineel detectiveverhaal met alles wat je nodig hebt om te ontsnappen aan deze tijd: een eigenzinnige privédetective, een moord in een landhuis, romantiek en fonkelnieuwe oldtimers.
NU
Mijn moeder is gearresteerd.
Ze had er een zonnige dag voor kunnen kiezen, maar dat heeft ze niet gedaan. Dwars door de grootste storm van het jaar ren ik naar haar toe. Mijn fietsband is al twee weken lek, maar tot vandaag maakte dat niks uit, want ik mocht tóch niet naar school.
En nu sprint ik dus zo hard als ik kan door de druipende stad. Takken vliegen opgewonden door de lucht, fietsers worden omvergeblazen en bij elke stap dreunt het door mijn hoofd: het is mijn schuld.
En niet zo’n beetje vaag mijn schuld, maar écht.
Ze deed het voor mij.
In de verte kan ik het politiebureau al zien liggen. Een spiegelend, ultramodern gebouw waar ik straks in mijn eentje naar binnen moet. En als ik dan vuurrood voor de balie sta, met om elke klotsende schoen een klein poeltje water, moet ik zeggen dat ik voor mijn moeder kom.
Hi, ik ben Alix! Zesenveertig jaar lang hield mijn moeder zich aan elke regel op aarde. En nu zit ze hier. Als jullie haar de kans geven, dan ruimt ze al jullie bureaus op, troost ze drie trieste agenten en geeft ze minstens zeven onmisbare kampeertips. En o ja – dat ze nu een crimineel is geworden, dat komt door mij. Mag ik haar zien?
Bliksem snijdt knetterend door de wolken en even zit de lucht vol littekens. Net aan de telefoon vertelde de advocaat dat mijn moeder tijdens haar arrestatie een van de agenten een bloedneus heeft geslagen. Hoe verbijsterend on-moederachtig kun je zijn?
Donder knalt boven mijn hoofd. Het is nog maar vijfentwintig meter tot het politiebureau, maar ik kan niet meer verder. Het lukt gewoon niet.
Ze gaan me natuurlijk in een pleeggezin stoppen. Mijn moeder hoort vanaf nu bij de mislukte alleenstaande moeders, en ik moet naar de afdeling met mislukte kinderen. Het is duidelijk: mijn moeder had me nooit moeten krijgen.
Een nieuwe flits scheurt de hemel in stukken en elke atoom in mijn lijf schreeuwt: Haal me hier weg! Ik wil hier niet zijn.
Ik wil mij niet zijn.
Ik kan dit niet, ik ben veertien.
Buiten adem wacht ik op de donder, maar die komt niet. Het geraas van de wind verdwijnt. De regen stopt.
Ik kijk naar boven en zie dat de hemel daadwerkelijk in stukken is gescheurd. Reusachtige, rafelige stukken loodgrijze lucht drijven langzaam uit elkaar. De hemel daarachter is zacht zomers blauw.
Het laatste stuk donderlucht schuift weg en plotseling kijk ik recht in de zon. Mijn hersens vonken, en ik knijp duizelig mijn ogen dicht.
Onder mijn voeten gaat er een rilling door de aarde.

1
Ik doe mijn ogen open. Ik kijk om me heen en merk meteen dat er iets mis is met de elektrische signalen die mijn ogen naar mijn hersens sturen.
Of – en eigenlijk dacht ik dat al langer – er is iets mis met de wereld.
Dit is onmogelijk.
Ik sta plotseling op een filmset.
Overal om me heen lopen mensen in ouderwetse kleren. Meisjes dragen geruite jurkjes en hebben grote strikken in hun haar, jongens rennen voorbij in korte broeken met hoog opgetrokken sokken en vuile knieen. Een magere man op een bak!ets rijdt me bijna omver en even verderop loopt een echt paard voor een platte wagen vol aardappelschillen.
Dit is waanzin.
Kom op! zeg ik tegen mezelf. Op school vermijd ik nadenken altijd zoveel mogelijk, maar dit is geen stomme breinbreker op papier, dit is echt.
Hoe kan dit?
Het leek alsof ik mijn ogen maar drie seconden dicht had, maar ik moet urenlang bewusteloos zijn geweest. Terwijl ik out was hebben ze de hele filmset opgebouwd, en op het moment dat ik bijkwam hebben ze me teruggezet op de plek waar ik stond.
Ik ril, want ik heb het ijskoud. Mijn kleren zijn nog altijd doorweekt en uit mijn haren drupt regen. Welke gek zet een meisje dat net bewusteloos is geweest midden op een filmset?
Ik probeer verder te denken, maar ik kan niet stoppen met om me heen kijken. De figuranten vielen me als eerste op, maar de straat zelf is pas echt adembenemend. Elke moderne lantarenpaal is verdwenen. Alle auto’s en bushokjes met reclames zijn weg, de winkels hebben ouderwetse uithangborden gekregen, zelfs de kauwgomkringen zijn allemaal van de stoep geschrobd.
Dit moet een ongelooflijk dure film zijn. Of misschien is het een prank van zo’n YouTuber die miljoenen uitgeeft aan elke video die hij maakt. Ik kijk om me heen of ik verborgen camera’s kan ontdekken, of misschien een beroemde acteur.
Maar dan zie ik het gat.
Ik zie wat er niet is, en een ijzige tinteling danst over mijn rug. Vijfentwintig meter hiervandaan is een open plek tussen de huizen. Ik zie een vriendelijk pleintje met een paar bomen, een bankje, een vrouw en een baby.
Maar precies daar, op die plek, stond dus het politiebureau. En nu is het weg. Het enorme, spiegelende gebouw met mijn moeder erin is verdwenen.
Ik ben zo duizelig dat ik bijna niet kan blijven staan. Mijn moeder is weg. Eerst sloeg ze een agent een bloedneus, toen zat ze gevangen, en nu is ze compleet weggevaagd.
Met een trillende hand wil ik mijn telefoon pakken, maar mijn zak is leeg. Geen telefoon. Ik zoek in de andere zakken van mijn jas, in mijn broekzakken, ik check alle zakken nóg een keer, maar mijn telefoon blijft weg. En mijn huissleutels zijn ook verdwenen.
Ik moet naar de politie, dat is duidelijk. Maar hoe kan ik naar de politie gaan als het politiebureau er niet meer staat?
‘Mevrouw!’ roep ik naar een vrouw met een donkere jas en een hoedje met een veer. Mijn stem trilt, je kunt het gat tussen de huizen horen in mijn stem.
‘Mevrouw, mag ik uw telefoon even lenen?’
De vrouw blijft verbaasd staan. ‘Hoe kom je erbij dat ik telefoon heb? Mal kind!’ Ze kijkt naar mijn kleren. ‘Trek toch vlug iets droogs aan, anders word je nog ziek.’
‘Maar ik moet echt even bellen!’
Ze fronst haar wenkbrauwen. ‘Ik heb ook geen bel. Mensen kloppen altijd. Goedendag, hoor.’ Ze loopt vlug verder.
De volgende die voorbijkomt is een oudere man met een pijp.
‘Meneer!’ Ik heb een hekel aan praten met onbekenden, maar ik moet wel. ‘Kunt u me alstublieft naar de regisseur brengen?’
‘De Reggeseur? Die ken ik niet, hoor.’ De man mist een voortand en zijn andere tanden zijn bruin. ‘Weet je Pa wel dat je hier in een broek rondbanjert, meissie?’ Hoofdschuddend loopt hij verder.
[…]
© Anna Woltz