6 maart verschijnt de nieuwe roman van tweevoudig Libris Literatuurprijswinnaar Rob van Essen: De grote schoonmaak. Het is tevens Boek van de Maand maart bij Boekhandel Scheltema. Wij publiceren voor!
Hoe verklaar je het onverklaarbare?
In het jaar dat John Lennon wordt doodgeschoten, stopt Thomas zonder goede reden met school. In plaats van aan zijn eindexamenjaar VWO te beginnen, gaat hij werken bij een supermarkt in een Wageningse wederopbouwwijk, waar hij elke ochtend voor dag en dauw naartoe fietst.
Het werk gaat hem goed af, totdat er een voorval plaatsvindt dat elke verbeelding tart. Het is het begin van een hallucinant decennium waarin Thomas langs Amsterdamse kraakgaleries en Noord-Engelse uitgaanscentra trekt, wanhopig op zoek naar antwoorden.
De grote schoonmaak is een meeslepende zoektocht naar een verklaring voor het onverklaarbare. Hoe hou je je vast aan je eigen waarheid als niemand je gelooft?
Rob van Essen (1963) behoeft geen introductie. De schrijver van onder meer Visser, De goede zoon, en Ik kom hier nog op terug is een van de meest geliefde en gevierde auteurs van Nederland en België.
(ENGELAND, 1990)
Toen de vrouw haar evenwicht dreigde te verliezen en ik haar in een reflex tegen me aan duwde, braakte ze over me heen. Het was al laat en iedereen om me heen was dronken, of in ieder geval flink aangeschoten, maar toch verraste het me. Ik maakte tenslotte geen deel uit van een hulpdienst die zich tegen de tijd dat de cafés dichtgingen door het uitgaanscentrum bewoog om zich te ontfermen over zwalkende drinkers die te ver heen waren; kom hier, kots maar eens lekker, we dragen afwasbare overalls ziet u wel, laat maar komen, straks op kantoor spuiten ze me met de brandslang schoon, daar hebben we speciale betegelde kamers voor, met extra grote gaten in de afvoerroosters zodat ook de brokjes – wat was het, curry, fish-and-chips? – zo het riool in stromen, niets aan de hand, zoals ik al zei: laat maar komen.
Dat dus niet, al had ik wel iets aan wat makkelijk afwasbaar was: ik droeg een latex outfit in de vorm van een manshoog bierflesje.
Misschien dat de vrouw daarom ondersteuning bij me zocht, misschien had ze grote dorst en dacht ze dat ik die als geen ander kon lessen. Zodra ik haar vastgegrepen had, kwam het naar buiten, in golven, over de rubberen huid van het flesje dat ik was.
Er kwam een lauwe geur van af, eerder een walm dan een geur – de walm van een cafékelder waarin onlangs een paar vaten bier zijn leeggelopen en die daarna is getroffen door een vloedgolf die onderweg een wegrottende begraafplaats voor kleine huisdieren heeft meegenomen.
Ik bevond me voor een café dat The Smelly Stream heette, maar dat was toeval, ik had geen vaste route opgegeven gekregen, ik had alleen de opdracht om me in mijn bierflesjespak door de straten van het centrum te bewegen, tussen het aangeschoten en dronken uitgaanspubliek. Nu de meeste kroegen dichtgingen, was de drukte op haar hoogtepunt. Het afgelopen halfuur had ik geprobeerd tussen de feestgangers door te laveren zonder voortdurend tegen mensen op te botsen, maar door mijn beperkte gezichtsveld was dat niet meegevallen. Veel passanten wilden me in het voorbijgaan de hand schudden want ik was een fles met rubberen armen, die uitliepen in handen die als iets te grote handschoenen om mijn vingers zaten. Al de hele avond kreeg ik allerlei opmerkingen toegeschreeuwd, en op een gegeven moment werd ik zelfs opgetild. Drie mannen hielden me horizontaal boven hun hoofd en liepen op een sukkeldrafje met me weg, alsof ik een reusachtig potlood was waarmee ze op een muur gingen schrijven. Maar ze waren iets anders van plan, er was een vierde man bij, die op zijn knieën ging zitten. De drie anderen lieten de hals van het flesje dat ik was naar zijn mond zakken, hij riep ‘GLOEGLOEGLOE!’ – ze gaven hem mij te drinken. Daarna zetten ze me weer op mijn benen, redelijk voorzichtig dan ook nog, ze klopten me af, ik was nog heel, werd mij verzekerd, niets aan de hand, kun je nog lopen ja goed zo mooi zo – en toen ik met onzekere stappen bij ze wegliep, was ik een beetje opgelucht maar toch vooral teleurgesteld omdat alles gewoon doorging. Toen ik op de schouders was gegaan flitste het even door me heen dat dit het kon zijn, dat het pak zou scheuren en dat ik dan – ja, wat? – een verklaring zou krijgen voor alles wat hieraan voorafgegaan was, een uitleg, een acceptatie, eeuwige rust?
Dat was dus allemaal niet gebeurd. Je zou denken dat het ontzettend onhandig was om als bierflesje rond te lopen, en in de eerste minuten was dat ook zo geweest, alleen al omdat ik eraan moest wennen dat de bodem van het flesje net onder mijn knieën zat. Daardoor kreeg ik het idee dat mijn benen pas daar begonnen, mijn hele lichaamsbeeld was in de war. Pas na een paar minuten begon alles op zijn juiste plaats te zitten en durfde ik grotere passen te nemen. Toen ik het pak vanmiddag aantrok, had de directeur al op dit effect gewezen, maar ook al was je erop voorbereid, je moest erdoorheen. Verder zou je denken dat je je kapotzweette in zo’n pak, maar dat viel mee, de huid was van dun latex, als het al geen andere kunststof was, het was een ademende stof, had de directeur gezegd, en dat klonk goed, al had ik geen idee wat ik me bij die term moest voorstellen.
Het enige nadeel was het beperkte gezichtsveld. Er zat een kijkvenster in het pak maar omdat ik mijn hoofd niet onafhankelijk van mijn lichaam kon bewegen, moest ik mijn hele gestalte draaien als ik om me heen wilde kijken. Het doorzichtige plastic van het kijkgat was lichtbruin, om niet al te zeer uit de toon te vallen bij de donkerbruine tint van het flesje. De eerste minuten had ik mijn omgeving waargenomen door een bruinig waas, alsof er eerder op de avond op verschillende locaties goedgevulde rioleringen waren ontploft en we nu ronddwaalden in de wolk die zich daarna over de stad had verspreid. Gelukkig kon het venstertje als het vizier van een ridderhelm omhooggeschoven worden. ‘Alleen in noodgevallen,’ had de directeur erbij gezegd, ‘als het van levensbelang is, bij het oversteken van drukke straten bijvoorbeeld.’ Nadat ik het eenmaal opgelucht omhoog had geschoven, had ik het niet meer naar beneden gedaan. Het leek me niet overdreven om de hele avond als noodgeval te beschouwen, en niet alleen deze avond: de hele onderneming, deze hele tocht naar Engeland was een noodgeval.
De mannen die me hadden uitgeschonken dan wel opgedronken schreeuwden me opgewekt allerlei beste wensen achterna. Op mijn pak had hun aanval geen sporen nagelaten, zelfs het viziertje zat nog keurig op zijn plek. De flits van verlossing en verandering waar ik even op had gehoopt was verdampt en vergeten, grotendeels dan toch, ik had hoe dan ook andere dingen aan mijn hoofd want kijk, ik stond voor The Smelly Stream met in mijn armen de vrouw die uit het niets was opgedoken en over me heen had gekotst, een normale vrouw van middelbare leeftijd met een leren jasje en een spijkerbroek en een warrige haardos waarmee ze al weken geleden voor de volgende onderhoudsbeurt langs de kapper had gemoeten, of misschien was dit juist haar kapsel, wat wist ik ervan. Ik had haar van me af kunnen duwen, ze was dronken en dronken mensen breken nooit iets als ze vallen, dat is algemeen bekend, maar ik deed het niet, ik trok haar dichter naar me toe.
Terwijl de kots van me af droop, bleef ik haar vasthouden, wat kon ik anders, nu ik er eenmaal voor gekozen had kon ik haar niet alsnog op de grond gooien, dat zou als een daad van agressie kunnen worden opgevat, voornamelijk omdat het dat ook zou zijn, en zo stonden we daar, ik als bierflesje, de vrouw als vrouw, en terwijl ze zich tegen me aan drukte, streelde ze met een hand over de substantie die ze zojuist over me had uitgestort, zacht en teder, alsof ze er nog geen afstand van kon doen, al lag het meer voor de hand deze handeling op te vatten als een poging haar braaksel van me af te vegen. Een erg geslaagde poging was het niet.
De geur van haar kots hing nog steeds als een kleffe, vochtige wolk om ons heen, ik moest nu niet zelf gaan overgeven, niet in dit pak, het zou langs mijn lichaam omlaag druipen en ik zou er niet bij kunnen om het weg te vegen.
Met de vrouw in mijn armen draaide ik om mijn lengteas, voetje voor voetje, twee tot elkaar veroordeelde mensen in een trage schuifeldans.
[…]
© Rob van Essen, 2026