Leesfragment: Eindeloos vertier

26 januari 2026, door David Foster Wallace

23 februari verschijnt David Foster Wallace' Eindeloos vertier (Infinite Jest) in de vertaling van Robbert-Jan Henkes! Tijd voor een voorpublicatie.

Eindeloos vertier, het kolossale, tragikomische meesterwerk van David Foster Wallace, speelt zich af in een kliniek voor drugsverslaafden en op een tennisacademie, gelegen in een fictief Amerika waar bedrijven de dienst uitmaken en de smetvrezende zanger Johnny Gentle president is. Via de Incandenza’s, de meest innemend verknipte familie van de moderne literatuurgeschiedenis, en dan met name wonderkind Hal, volgen we een maatschappij die in de ban is van een film die zó vermakelijk is dat iedereen die hem kijkt al het andere in zijn leven vergeet en uiteindelijk wegglijdt in een catatonische gelukzaligheid.  Bij verschijnen lapte Eindeloos vertier alle romanconventies aan zijn laars zonder ook maar een moment zijn eigen entertainmentwaarde te verliezen. Ook dertig jaar na verschijnen stelt Eindeloos vertier, fonkelend vertaald door Robbert-Jan Henkes, essentiële vragen over wat entertainment is en waarom het ons leven zo domineert; over hoe ons verlangen naar vermaak onze behoefte aan contact met anderen beïnvloedt; en over wat de verdoving die we kiezen zegt over wie we zijn.



Jaar van Glad

Ik zit in een kantoor, omgeven door hoofden en lijven. Mijn houding komt overwogen overeen met de vorm van mijn rigide stoel. Het is een koude ruimte in de universiteitsadministratie, houtbeslagen, met Remingtons behangen, dubbelbeglaasd tegen de novemberhitte, afgeschermd van administratief lawijd door de receptieruimte buiten, waar oom Charles, meneer deLint en ik zonet zijn gerecipieerd.
Hier zit ik.
Drie gezichten zijn tot rust gekomen boven zomerlange jasjes en halve windsors aan de andere kant van een gepolitoerde grenen conferentietafel met de spinneglans van een Arizoonse namiddag. Het zijn de drie dekanen – van toelatingen, van academische aangelegenheden, van sport. Ik weet niet welk gezicht bij wie hoort. Ik geloof dat ik onbewogen overkom, misschien zelfs innemend, hoewel me is aangeraden liever de onbewogenheid te accentueren dan een naar mijn gevoel innemende gezichtsuitdrukking of glimlach uit te proberen.
Ik heb ervoor gekozen mijn ene been, hopelijk zorgvuldig, op mijn andere been te leggen, enkel op knie, handen gevouwen op schoot van mijn sportbroek. Mijn vingers zijn verenigd in een gespiegelde reeks van wat zich aan mij voordoet als de letter x. De andere aanwezigen in de gespreksruimte beslaan onder meer: het universitaire hoofd schrijven, de tenniscoach van het universiteitsteam en de academische prorector meneer A. deLint. C.T. zit naast mij; de anderen zitten, respectievelijk staan en staan aan de periferie van mijn blikveld. De tenniscoach rinkelt met kleingeld in zijn broekzak. Er hangt een vaag peristaltische geur in het vertrek. De high-traction-zool van mijn gesponsorde Nike-sneaker ligt op één lijn met de wiebelende instapper van mijn moeders halfbroer, hier in zijn hoedanigheid van rector, gezeten in de stoel hopelijk direct rechts naast mij, eveneens dekaansgewijs vis-à-vis.
De linkerdekaan, een schraal gelig iemand met een onbeweeglijke glimlach die niettemin de voorbijgaande indruk wekt in weinig meewerkend materiaal gestanst te zijn, is van een karakter dat ik de laatste tijd ben gaan waarderen, het type dat mij uitstel geeft om te moeten antwoorden door mijn kant van het verhaal voor mij, aan mij op te dissen. Hem is door de middelste, borstelige leeuwdekaan een stapel computeruitdraaien toegeschoven en hij spreekt min of meer tegen deze blaadjes, met een neerwaartse glimlach.
‘Jij bent Harold Incandenza, achttien, diploma-uitreiking is over ongeveer een maand, zit op de Enfield Tennis Academie, Massachusetts, een kostschool, waar je inwoont.’ Zijn leesbril is rechthoekig, courtvormig, de zijlijnen boven en onder. ‘Je bent volgens coach White en dekaan [onverstaanbaar] een jeugdtennisser met regionale, nationale en continentale ranking, een potentieel veelbelovende o.n.a.n.c.a.a.-sporter, na briefwisseling met Dr. Tavis hier geworven door coach White beginnende in... februari van dit jaar.’ Het bovenste blaadje wordt opgelicht en netjes onder op de stapel gelegd, successievelijk. ‘Je verblijft al sinds je zevende aan de Enfield Tennis Academie.’
Ik overweeg het risico te nemen aan mijn rechterkaak te krabben waar ik een wondje heb.
‘Coach White rapporteert dat hij het programma en de verrichtingen van de Enfield Tennis Academie in hoog aanzien houdt, dat het tennisteam van de universiteit van Arizona heeft geprofiteerd van de inschrijving in het verleden van verscheidene e.t.a.-alumini, onder wie ene meneer Aubrey F. deLint, die u blijkbaar vandaag vergezelt. Wij hebben van coach White en zijn staf...’
De woordkeus van de gele bestuurder is over het geheel genomen vlakjes, hoewel ik moet toegeven dat hij zich begrijpelijk weet uit te drukken. Het hoofd schrijven lijkt een surplus aantal wenkbrauwen te hebben. De rechterdekaan kijkt mij enigszins vreemd aan.
Oom Charles zegt dat hij voorziet dat de dekanen waarschijnlijk geneigd zullen zijn om zijn uitlatingen aan te merken als ingegeven door zijn verschijning hier als een soort cheerleader van de e.t.a., maar dat hij de hier bijeengekomen dekanen niettemin kan verzekeren dat het allemaal waar is, en dat de tennisacademie momenteel niet minder dan eenderde van alle jeugdspelers uit de landelijke top dertig herbergt, in alle mogelijke leeftijdscategorieën, en dat ik hier, die meestal ‘Hal’ genoemd wordt, ‘daarbij in het puikje van de bovenste gelederen zit’. Rechter en middelste dekaan glimlachen vakkundig; de hoofden van deLint en de coach wenden zich als de linkerdekaan zijn keel schraapt:
‘... vertrouwen gegeven dat je zelfs als eerstejaars hier een daadwerkelijke bijdrage kan leveren aan het universitaire tennisprogramma. We zijn blij,’ zegt hij of leest hij voor terwijl hij een blaadje verwijdert, ‘dat een belangrijke competitie je deze kant op heeft gestuurd en ons de kans gaf te babbelen over je inschrijving en mogelijke werving en toelating en studiebeurs.’
‘Mij is gevraagd om hieraan toe te voegen dat Hal als derde geplaatst is in de junioren singles onder 18 in het prestigieuze WhataBurger Southwest Junior Invitational tennistoernooi in het Randolph Tennis Center...’ zegt naar wat ik aanneem sportzaken, wiens voorovergebogen hoofd een besproet schedeldak toont.
‘In Randolph Park, bij het uitmuntende El Con Marriott,’ interpoleert C.T., ‘een complex dat het hele contingent tot dusver luidkeels betuigt simpelweg geweldig te vinden, en dat...’
‘Precies, Chuck, en dat Hal volgens Chuck hier zijn plaatsing al heeft waargemaakt, aangezien hij met zijn kennelijk indrukwekkende zege vanmorgen de halve finale heeft bereikt en het morgen op center court opneemt tegen de winnaar van de kwartfinale van vanavond, en morgenochtend dus aantreedt om ik geloof naar planning half negen...’
‘Probeer een end te komen voor de gruwelijke hitte daar toeslaat. Een droge hitte, maar toch.’
‘... en heeft zich kennelijk al verzekerd van deelname aan het Continental Indoors deze winter in Edmonton, hoor ik van Kirk,’ verder links omhoog reikhalzend naar de tandenblikkerend achter een heftige zonnebrand lachende teamcoach, ‘en dat wil wat zeggen.’ Hij kijkt mij glimlachend aan. ‘Hebben we dat goed gezegd Hal.’
C.T. heeft zijn armen losjes over elkaar gelegd. Het geairconditionde zonlicht legt een gemarmerd netwerk over de triceps. ‘Zeker weten, Bill.’ Hij glimlacht. De twee helften van zijn snor passen nooit helemaal. ‘En mag ik daaraan toevoegen hoe bijzonder Hal het vindt dat hij voor het derde opeenvolgende jaar voor het Invitational is geïnviteerd, dat hij terug is in een gemeenschap waar hij echte affectie voor voelt, om jullie alumni en coaches te zien, dat hij zijn hoge plaatsing al heeft waargemaakt tegen de allerminst gemakkelijke tegenstanders van deze week, dat hij er zoals ze zeggen nog steeds bij is zonder dat de dikke dame met de vikinghelm heeft gezongen bij wijze van spreken, maar natuurlijk het allermeest dat hij de kans heeft om met u heren kennis te maken en de voorzieningen hier kan bekijken. Het is allemaal bovenste-plankwerk hier, voorzover hij heeft gezien.’
Stilte. DeLint verschikt zijn rug tegen de lambrizering en vindt een nieuw zwaartepunt. Mijn oom straalt en trekt een rechte horlogeband recht. 62,5% van de gezichten in het vertrek zijn naar mij gekeerd, innemend verwachtingsvol. Mijn borst bonkt als een wasdroger met schoenen. Ik construeer wat ik me voorstel dat als een glimlach zal overkomen. Ik draai me deze en deze kant op, een beetje, globaal mijn gezichtsuitdrukking tonend aan iedereen aanwezig.
Opnieuw stilte. De wenkbrauwen van de gele dekaan gaan in circumflex. De andere twee dekanen kijken naar het hoofd schrijven. De tenniscoach is bij het brede raam gaan staan en betast zijn kortgeknipte achterhoofd. Oom Charles wrijft over zijn onderarm boven zijn horloge. Scherpe kromme palmschaduwen schuiven licht over de grenen glans, één hoofd werpt als schaduw een zwarte maan.
‘Is Hal oké, Chuck?’ vraagt sportzaken. ‘Hij lijkt alleen maar te... nou ja, grijnzen. Heeft hij pijn? Heb je pijn, jong?’
‘Hal is pico bello,’ glimlacht mijn oom en hij sust de lucht met een terloops handgebaar. ‘Alleen een beetje laten we zeggen misschien een soort kleine tic, van alle adrenaline door het bezoek aan jullie indrukwekkende campus, dat hij zijn plaatsing heeft waargemaakt zonder een enkel setverlies tot nu toe, dat hij van coach White hier het officiële schrijven kreeg, Pacific-10 briefhoofd, met het aanbod voor de verkorte procedure en toelage voor levensonderhoud, en naar alle waarschijnlijkheid popelt om hier en nu ter plekke een officiële intentieverklaring te tekenen, heb ik van hem begrepen.’ C.T. kijkt me aan, zijn blik gruwelijk goedmoedig. Ik kies de veilige weg, ik ontspan alle gezichtsspieren waardoor iedere uitdrukking vervaagt. Ik kijk strak naar de Kekuléaanse knoop in de stropdas van de middelste dekaan.
Mijn zwijgende reactie op de verwachtingsvolle stilte besmet langzaamaan de atmosfeer van het vertrek. De in de aircobries opdwarrelende stofpartikels en colbertpluisjes doen een dronken dans in het schuin invallende raamlicht, de lucht boven het tafelblad is als het sprankelende laagje boven een vers ingeschonken glas spuitwater. De coach legt in een licht, noch Brits noch Australisch accent aan C.T. uit dat het hele inschrijvingsgesprek, doorgaans een ongedwongen formaliteit, waarschijnlijk het best geaccentueerd wordt door de inschrijver zelf aan het woord te laten. Rechter en middelste dekaan zijn naar elkaar toegebogen in zacht conclaaf onder een soort tipi van van haar en huid. Ik vermoed dat het waarschijnlijk faciliteren is dat de tenniscoach bedoelde voor accentueren, hoewel accelereren, weliswaar rammelender dan faciliteren, vanuit fonetisch perspectief een begrijpelijker vergissing is. De dekaan met het platte gele gezicht buigt voorover: zijn lippen hebben zich van zijn tanden teruggetrokken in iets dat ik als bezorgdheid interpreteer. Zijn handen komen samen op het tafelblad. Zijn vingers lijken in elkaar te schuiven terwijl mijn eigen reeks van vier x-en oplost en ik me vastgrijp aan beide stoelleuningen.
Wij dienen openhartig te spreken aangaande mogelijke struikelblokken voor mijn inschrijving, zij en ik, begint hij. Hij maakt een toespeling op openhartigheid en het belang ervan.
‘De zorgen van mijn afdeling over het inschrijvingsmateriaal in ons bezit, Hal, betreffen een aantal toetsresultaten.’ In de loopgraaf van zijn armen kijkt hij omlaag naar een veelkleurig vel examenuitslagen. ‘De toelatingsafdeling heeft van jou – en je weet het ongetwijfeld zelf en zal het kunnen uitleggen – examenuitslagen voor zich, die, laten we zeggen... subnormaal zijn.’ Ik dien uit te leggen.
Het is duidelijk dat die echt best serieuze gele dekaan links toelatingen is. Dan moet de kleine vogelfiguur rechts sport zijn, omdat de gezichtsplooien van de borstelige middelste dekaan inmiddels afstandelijk gekrenkt zijn samengetrokken tot een blik van wat-ik-op-het-moment-eet-maakt-alles-wat-ik-erbij-drink-bijzondersmakelijk duidend op diepgaande academische bedenkingen. In het midden derhalve een ongecompliceerde trouw aan regels. Mijn oom kijkt als het ware nietbegrijpend naar sport. Hij gaat licht verzitten.
De ongerijmdheid tussen gelaats- en handkleur van toelatingen is bijna flagrant. ‘... mondelinge scores die toch wel iets dichter bij de nul liggen dan wat we gewend zijn, vergeleken met een schoolrapport van het instituut waar zowel je moeder als haar broer een bestuursfunctie hebben,’ leest hij rechtstreeks van de stapel binnen de ellips van zijn armen, ‘en het afgelopen jaar, ja, wat achteruitgegaan zijn, al bedoel ik met “achteruitgegaan” tot uitmuntend van het eerlijk gezegd ongelofelijk van de drie voorgaande jaren.’
‘Cijfers gingen door het dak.’
‘De meeste instituten hebben niet eens een hoogste cijfer met meerdere plussen erachter,’ zegt hoofd schrijven met een onpeilbare gezichtsuitdrukking.
‘Van deze... hoe zal ik het zeggen... ongerijmdheid,’ zegt toelatingen met een open en bezorgde blik, ‘gaan bij ons eerlijk gezegd alarmbellen rinkelen voor potentiële problemen bij de toelatingsprocedure.’
‘Wij verzoeken je daarom een verklaring te geven voor die schijnbare ongerijmdheid als het al geen kwajongensstreken zijn.’ Academische aangelegenheden heeft een schrille piepstem die zeer ongerijmd is bij zijn enorme gezicht.
‘Met ongelofelijk bedoelde u toch zeker heel erg indrukwekkend en niet letterlijk ik citeer “ongelofelijk”, neem ik aan,’ zegt C.T. met zijn blik kennelijk op de coach die bij het raam zijn nek staat te masseren. Het grote raam ziet uit op enkel verblindend zonlicht en gecraqueleerde aarde waarboven de hitte trilt.
‘Dan hebben we nog de zaak van niet de twee vereiste maar negen afzonderlijke aanmeldingsessays, sommige vrijwel ter lengte van een monografie en zonder uitzondering,’ volgend blaadje, ‘was het epitheton dat verschillende lezers eraan gaven, ik citeer “stellair”...’
H. Schr.: ‘In mijn beoordeling gebruikte ik met opzet de woorden lapidair en fleps.’
‘... en op terreinen en met titels, en ik weet zeker dat je ze nog goed weet, Hal: “Neoklassieke vooronderstellingen in hedendaagse prescriptieve taalwetenschap”, “De implicaties van post-Fourier Transformaties voor een holografisch mimetische filmkunst”, “De opkomst van heroïsche stase in radio- en televisie-amusement”...’ ‘“Montague-grammatica en de semantiek van fysieke modaliteit”?’
‘“Een man die begon te vermoeden dat hij van glas was gemaakt”?’
‘“Tertiair symbolisme in Justiniaanse erotica”?’
Inmiddels waren grote vlakten van teruggeweken tandvlees zichtbaar. ‘Laat het gezegd zijn dat er enige eerlijke en openhartige bezorgdheid bestaat of de ontvanger van deze ongelukkige, zij het wellicht verklaarbare toetsresultaten, inderdaad de enige individuele auteur van deze essays is.’
‘Ik weet niet zeker of Hal weet wat hiermee bedoeld wil worden,’ zegt mijn oom. De middelste dekaan bevingert zijn revers terwijl hij de onsmakelijke becijferingen interpreteert.
‘Wat de universiteit hiermee bedoelt is dat er vanuit strikt academisch standpunt toelatingsproblemen zijn die Hal ons moet helpen glad te strijken. De eerste hoedanigheid aan de universiteit van een ingeschrevene is immers als student. Wij kunnen geen studenten toelaten van wie we met reden mogen vrezen dat ze de mist ingaan, ongeacht de toegevoegde waarde die ze op het veld mogen hebben.’
‘Dekaan Sawyer bedoelt natuurlijk de baan, Chuck,’ zegt sport, met zijn hoofd zo ernstig in een hoek gedraaid dat hij de White-figuur achter hem mede weet aan te spreken. ‘Om maar te zwijgen van de o.n.a.n.c.a.a.-regels en -speurders die overal rondsnuffelen op zoek naar een vleug van de geur van dingen die niet in de haak zijn.’
De universiteitstenniscoach kijkt op zijn eigen horloge.
‘Aangenomen dat de examenscores in dit geval een accurate weergave zijn van het daadwerkelijke talent,’ zegt academische aangelegenheden hoog, serieus en sotto voce, met zijn blik nog steeds op het dossier voor zich alsof het een bord met bedorvenheid was, ‘zeg ik onmiddellijk maar dat het niet eerlijk zou zijn. Het zou niet eerlijk zijn jegens de andere gegadigden. Niet eerlijk jegens de universitaire gemeenschap.’ Hij kijkt me aan. ‘En het zou helemaal oneerlijk zijn jegens Hal zelf. Een jongen toelaten die slechts van sportieve waarde is komt neer op de jongen misbruiken. We liggen van alle kanten onder de loep om te zorgen dat we niemand misbruiken. Je schoolresultaten, jong, geven aan dat we van misbruik beschuldigd kunnen worden.’
Oom Charles vraagt aan coach White om de dekaan sport te vragen of er aan de examenresultaten even zwaar getild zou worden als ik, zeg, een lucratief footballwonderkind was. De vertrouwde paniek dat ik verkeerd begrepen word stijgt en mijn borst bonkt en bonst. Ik spendeer energie om doodstil in mijn stoel te blijven zitten, leeg, mijn ogen twee grote bleke nullen. Mensen hebben me beloofd dat ze me hierdoorheen zouden slepen.
Oom C.T. heeft intussen de beklemde blik van iemand die in het nauw zit.

[…]

Wil je van je bestaande account gebruikmaken op onze nieuwe website? Je behoudt dan onder meer je bestelgeschiedenis, reeds aangeschafte e-books en je persoonlijke verlanglijst. Als je toestemming geeft krijg je direct een mail om een nieuw wachtwoord in te stellen.

Voer een geldig e-mailadres in

Hostname: pro-mbooks3