Op de longlist van de Libris Literatuurprijs 2026: Roderik Six’ nieuwe roman In het wit! Tijd voor een fragment.
’Sneeuwen zou geen werkwoord mogen zijn. Al dat gedwarrel, die speelse kristallen die meer zweven dan vallen, het heeft niets met werk te maken. Het woord mist daadkracht en gewicht, het mist sleur. Sneeuwen - het klinkt als de wind die met vingers van licht de kruin van een kind streelt.’
Een vrouw reist door een sneeuwlandschap. Ze is op weg naar de buitenwijk waar haar vader woont. In zijn hoofd sneeuwt het al lang. Terwijl de vlokken rond haar neerdwarrelen, moet ze een hartverscheurende beslissing nemen. Een moeder staart door een keukenraam. Buiten speelt een kind in de sneeuw. Was dit de droom - een huis in het dorp, een dochter, een man? Is dit nu leven?
In de nieuwe, ontroerende roman In het wit van Roderik Six worstelen jonge vrouwen met oeroude dilemma’s. Met stilistisch vernuft schetst Six een teder portret van mensen op het kruispunt van leven en dood. In het wit is een intieme roman over maatschappelijke thema's als dementie en moederschap.
Roderik Six (1979) is literair journalist bij het weekblad Knack. Met zijn debuut Vloed won hij prompt De Bronzen Uil. Zijn tweede roman Val werd bekroond met de driejaarlijkse Prijs voor de Letteren van de provincie West-Vlaanderen. Ook zijn romans Volt en Monster werden lovend onthaald. Roderik Six woont en werkt in Gent.
Het sneeuwde.
Op de bus naar het rusthuis leunde M net niet met haar voorhoofd tegen het raam – de kou slechts een gedachtestreepje van haar huid verwijderd.
Haar adem legde een laagje damp over het glas; nu nog een hartje, een lachend gezichtje. Maar M raakte de wasem niet aan. Ze wreef de jeuk uit haar vingertop en keek naar de vlokken, naar het vrolijk gedwarrel, de winter die over de stad danste.
Op het voetpad ploegde een oude vrouw met haar boodschappenkar door de bleke smurrie. Met haar andere hand trok ze een groezelig wit hondje voort, de leiband strak gespannen. Zijn vacht een vale camouflage, zijn koolzwarte ogen gestolen van een blinde sneeuwpop.
Sneeuwen zou geen werkwoord mogen zijn, dacht M, net voor ze met een harde schok in haar zitting werd gedrukt. De bus, een harmonica op wielen en diesel, slipte en zwenkte, en de chauffeur trok het voertuig weer vloekend recht, de dood nog maar eens een halte afgewend.
Al dat gedwarrel, die speelse kristallen die meer zweven dan vallen, het heeft niets met labeur te maken. Het verbum mist daadkracht en gewicht, het mist sleur.
Sneeuwen – het klinkt als de wind die met vingers van licht de kruin van een kind streelt.
M kende sneeuw. Ze had veel sneeuwstormen meegemaakt, arctisch geraas en blizzards, het geril dat je tanden deed trillen, de vorstbeten en het rondvliegend ijs dat je gezicht aan flarden reet. Ze had het gevoeld, de gevoelloosheid. De vrieskou die je botten versplintert, die je lichaam bezet als een hellevuur, die elke zenuw verschroeit – Dante had gelijk toen hij de duivel verankerde in een ijsblok: kou is het ware inferno.
M kende sneeuw. En ze kende de regen, en de bliksem in de Zwitserse bergen en een fatale picknick. Ze kende de wrede zon op het strand, de loop van een pistool, glimmend in het licht. Ze kende tropische stormen, hoe die op komst waren, donker aan de horizon, en hoe die later palmbomen uit de grond zogen.
De herfst, natuurlijk kende M de herfst, met zijn schaduw op de zonnewijzers en zijn rusteloos door lanen dwalen. M kende de lente, met haar springerige violen, en verzen die plat liggen, loom op het gras bij de eerste warmte. Ze kende de zomer, de eindeloze zomer met haar strooilicht, droge beloftes en flinterdun blauw.
M kende de hagel op haar handen, de nijdige beten en de gaten in de paraplu, en M had meteorieten zien neerstorten op de aarde, en kikkers en diepzeeduikers, en sprinkhanen die de lucht verduisterden en oogsten kaalvraten. M had alles uit de hemel zien vallen, regel na regel, de meest vreemde elementen die aan de zwaartekracht gehoorzaamden.
M kende het weer. Ze was gepromoveerd op meteorologische fenomenen in de moderne roman.
Aanvankelijk richtte haar onderzoek zich op Amerikaanse auteurs die de gouden stelregel van misdaadschrijver Elmore Leonard – ‘Never open a book with weather’ – grijnzend aan hun laars lapten. Hetzelfde gold blijkbaar voor droomscènes die ook niet in een roman thuishoorden.
De smeltende sneeuw in De verborgen geschiedenis, het koudefront dat over de prairie raast in De correcties, de winderige februaridag en de onzichtbare hond in Buitenlandse verhoudingen – aan rebellen geen gebrek, maar naast Tartt, Franzen (die ze ooit kort interviewde, na een kwartier legde hij zijn hand op de hare met de vraag of ze geen gram coke kon regelen) en Lurie diende zich een hele stoet auteurs aan, allemaal vastberaden om Leonard een neus te zetten door hun romans expliciet met het weerbericht te openen.
Het liep algauw uit de klauwen. Tot M in een nachtelijke flits van inspiratie aan de vulkaan dacht. De Indonesische vulkaanuitbarsting die in 1816 Europa in duisternis en kou dompelde. Het grauwe weer zou Mary Shelley, Lord Byron en William Polidori aangemoedigd hebben tot het schrijven van hun spookverhalen. Vampiers en droevige monsters: allemaal het resultaat van kwade magma.
Dus draaide M de redenering om. Welk weer was het toen Tartt en haar collega’s hun openingszinnen schreven? Had het echte weer een impact op het fictionele? Het kostte haar jaren research, en ze moest leren werken met algoritmes die weermodellen lieten terugkeren in de tijd, die als het ware het verleden voorspelden, maar eens ze haar doorwrocht werkstuk publiceerde, maakte ze meteen furore in de academische wereld. Kort na haar doctoraatsverdediging kreeg M een job aangeboden bij het Prinselijk Instituut voor Taal en Letteren, een vermaarde instelling, zo vermaard dat de naam simpelweg werd afgekort tot het Instituut, en tegenwoordig was ze verantwoordelijk voor de digitalisering van het literair archief dat uit duizenden manuscripten, brieven en kattebelletjes bestond, precieuze handgeschreven vellen die ze één voor één onder een scanner legde.
Vaak spendeerde ze uren aan de machine, voorovergebogen boven een verblindend licht dat monotoon over de hoge plafonds zwiepte.
[…]
© 2025 Roderik Six