Leesfragment: Isola

10 juni 2026, door Allegra Goodman

12 juni verschijnt een van de beste boeken van 2025 volgens de Engelse en Amerikaanse pers: Allegra Goodmans Isola, vertaald door Catherine Smit! Wij publiceren voor.

In het zestiende-eeuwse Frankrijk is Marguerite, als erfgename van een aristocratisch fortuin, voorbestemd voor een geprivilegieerd leven. Dan wordt ze wees en vergokt haar raadselachtige en wispelturige voogd haar erfenis en staat erop dat ze hem vergezelt op een expeditie naar de nieuwe Franse koloniën in Noord-Amerika.

Geïsoleerd en bang raakt Marguerite bevriend met de dienaar van haar voogd en de twee ontwikkelen een intense liefde. Maar wanneer hun relatie aan het licht komt, worden ze wreed gestraft en achtergelaten op een klein eiland zonder hoop op redding.

Van een jeugd vol zijde en parels belandt Marguerite in een strijd tegen de natuur. Terwijl het weer omslaat en het eiland bedekt wordt met ijs, ontdekt ze een geloof dat ze nooit eerder nodig had...

Geïnspireerd door het waargebeurde verhaal van een zestiende-eeuwse heldin, is Isola het tijdloze verhaal van een vrouw die vecht voor haar leven.

 

Proloog

Nog steeds droom ik over vogels. Ze cirkelen rond boven mijn hoofd, duiken in de woeste golven en vliegen op naar de zon. Ik roep naar ze, maar krijg geen antwoord. Ik sta op een kiezelstrand, helemaal alleen.
Ik kijk zoekend rond en zie drie vaartuigen naderen. Grote schepen, niet al te ver weg.
Ik laad mijn musket en schiet in de lucht.
De wimpels zijn zo dichtbij dat ik ze haast kan aanraken en ik hol op mijn blote voeten naar de vloedlijn.
Scherpe stenen snijden in mijn voetzolen, ik trek een spoor van bloed. Mijn mouwen blijven hangen in de struiken en de doorns maken krassen op mijn huid. Ik schreeuw: wacht, stop, neem mij mee!
De kapitein hoort mijn kreten en ook het schot. In het zwart gekleed staat hij op het dek. Hij ziet wat ik doe, hoort mijn smeekbeden en glimlacht.
Na mijn schot vliegen tienduizend vogels krijsend op. Klapperend met hun vleugels vliegen ze tegen de wind in omhoog. De scheepslieden zien en horen mij, maar hun kapitein geeft orders om door te varen.
Ik strek mijn armen uit maar kan de schepen niet tegenhouden. Ik waad door de branding achter ze aan.
Mijn lange rokken slepen zwaar door het water, ik kom nauwelijks vooruit. Ik schreeuw, maar krijg zeewater in mijn mond. Ik kan niet vliegen. Ik kan niet zwemmen. Ik zit vast op dit eiland.

 

Deel I
Périgord
1531–1539

Doe je uiterste best om niets te doen, te zeggen of te denken wat Gods toorn opwekt, dat is heel belangrijk. Zorg ervoor dat je nooit in de greep raakt van verfijnde wereldse geneugten of de duivel. Blijf kuis, bega geen zonden en denk aan de woorden van Augustinus, die stelt dat je zelfs geen uur mag verslappen. Jouw armzalige lichaam zal sterven, vergaan en door wormen worden verteerd, maar je ziel wordt op een dag ter verantwoording geroepen.

(Anne van Frankrijk, Lessen voor mijn dochter, II, c. 1517)

1

Mijn moeder heb ik nooit gekend. Ze overleed bij mijn geboorte; je zou kunnen zeggen dat wij die nacht van plek wisselden. Ze liet me haar naam na, Marguerite, en haar ring met de robijn, maar herinneringen aan haar heb ik niet. Ook mijn vader heb ik nooit gekend. Toen ik drie jaar was, sneuvelde hij in Pavia, waar hij streed in naam van de koning. Zijn dood maakte me rijk, al wist ik het niet. En arm, al besefte ik ook dat niet. Ik erfde een chateau in de Périgord met de omliggende dorpen, wijngaarden en zonbeschenen akkers erbij, maar ouders, tantes of ooms had ik niet. Ik was omringd door bedienden, maar omdat ik geen broers of zussen had, was ik toch alleen.
Van Damienne, mijn kamenierster, leerde ik mijn eerste levenslessen. Ze was een vrouw op leeftijd, veertig jaar of ouder, met haren die ooit rood waren geweest maar nu de fletse kleur van baksteen hadden. Ze had een intelligente maar vermoeide blik in haar ogen en de huid rond haar mond was kreukelig als ongestreken linnengoed. Mijn kamenierster was een stevige vrouw met een zachte buik en een volle boezem. Als we ons te rusten legden trok ze me tegen zich aan alsof ik haar eigen vlees en bloed was. Ik was niet haar kind, maar zij behoorde mij wel toe, want ze was al sinds jonge leeftijd in dienst bij mijn familie.
Volgens haar was mijn vader een edel man, niet alleen van geboorte, maar ook op het slagveld. Toen zijn paard onder hem werd gedood, vocht hij door met zwaard en piek tot een boogschutter hem in de nek raakte. Mijn vader viel gewond neer, maar zijn mannen braken de pijlschacht af en droegen hem weg. In zijn tent zei hij, terwijl een chirurgijn de pijlpunt uit zijn vlees sneed, dat hij verder wilde vechten. ‘Breng me terug,’ zei hij hijgend, terwijl het bloed langs zijn nek gutste. In mijn verbeelding had het de kleur van robijnen.
Mijn moeder was een schoonheid. Mijn ogen waren groen, maar die van haar waren nog groener. Ik had lichtbruine haren, maar over het hare lag de gouden glans van wintertarwe. Mijn moeder had sierlijke handen en lange vingers. Ze speelde prachtig op de luit, maar bescheiden als ze was speelde ze alleen voor haar gezelschapsdames. Als jong meisje was mijn moeder lief en meegaand geweest – maar ik maakte het mijn kamenierster soms wel lastig.
Damienne zuchtte vaak, maar boos werd ze nooit. Ze vergaf het me als ik haar weer eens op de proef had gesteld. Ze was alleen streng op momenten dat het er echt toe deed. De eerste keer dat mijn voogd mij bezocht, schrok ik van Damiennes scherpe toon. Nadat een bode had gezegd dat ik naar beneden moest komen mopperde mijn kamenierster: ‘Zo kun je je niet vertonen! Deze muiltjes zijn niet mooi meer.’
‘Niet mooi meer?’ vroeg ik, terwijl ze zilveren mouwen aan mijn lijfje vastzette.
Mijn kamenierster drukte me ruw op een stoel. Ik liet duidelijk merken dat dit me niet zinde, maar ze bond niet in. ‘Zit rechtop! Je rug mag de leuning van de stoel niet raken.’
‘Waarom niet? Wat gebeurt er als hij die wel raakt?’
‘Geen vragen.’
‘Waarom niet?’
‘O, in godsnaam.’
Mijn kamenierster kon niet lezen, maar ze had me wel geleerd om te bidden. Het Onzevader. Wees gegroet, Maria vol van genade. In het begin dacht ik bij die woorden altijd aan mijn eigen ouders, maar Damienne maakte vastberaden korte metten met deze kinderlijke ketterij. Je bad niet tot je eigen vader en moeder, maar tot de Vader en Moeder van de wereld, de koning en koningin van de hemel. En zo leerde ik dat ik wel toebehoorde aan de Heer en de Maagd Maria, maar dat dat andersom niet zo was. Hetzelfde gold voor mijn erfenis, want ik had geen zeggenschap over mijn landerijen. Die verantwoordelijkheid berustte bij mijn voogd, die mijn bezittingen tot mijn trouwdag zou beheren. Ik was al uitgehuwelijkt en zou trouwen zodra ik vijftien geworden was – als ik het tenminste haalde.
Haalde ik het niet, dan bestond de kans dat ik naar de hemel ging. Mijn ziel zou dan boven de hoogste torens zweven. Ik zou geen honger of kou lijden en ik zou de engelen horen zingen. Zo werd het me geleerd, maar als ik wilde weten waarom ik niet meteen kon sterven en naar de hemel kon gaan, dan gaf Damienne me een standje. Wat een onbehoorlijke gedachte, en ik moest vooral niet denken dat een ondeugend kind zou mogen gaan. Een kind met zulk slordig borduurwerk en haren vol luizen? En ook vandaag, nu een nette verschijning van het grootste belang was, vond Damienne neten in mijn haar.
‘Vreselijk.’ Ze trok de bolletjes uit mijn haren. Mijn moeder had veel minder last van luizen – maar zij was dan ook een engel. Ik beeldde me in dat haar luizen eruitzagen als kleine engeltjes.
Ik was ondeugend, daar had Damienne wel gelijk in. Mijn zomen waren rafelig omdat ik steeds de trappen van de torens beklom voor het uitzicht. Onze noordelijke en westelijke torens – afschrikwekkend, oud en voorzien van schietgaten – waren gebouwd op een hoge rotspartij, wat van nut was bij het verdedigen van de landerijen. Vanuit de torens keek ik uit over mijn dorpen, boomgaarden en wijngaarden. Daarbeneden zag ik ook de kronkelende, groene rivier en de stenen brug die beide oevers met elkaar verbond. Mijn muiltjes waren vies geworden toen ik naar de stallen holde om naar de paarden te kijken. Damienne kwam dan achter me aan, al ging dat niet erg snel. Ze riep de stalknechten erbij en in een opwelling verstopte ik me vaak. Ik kroop weg achter drinkbakken en staldeuren, maar na een tijdje ging ik toch weer met haar mee naar binnen.
‘In hemelsnaam,’ verzuchtte Damienne zachtjes, want ze had veel met me te stellen. Ze kamde een druppeltje olie door mijn haar en trok het zo strak naar achteren dat mijn ogen groot werden. ‘Niet aan zitten.’ Damienne deed ter versiering nog een streng parels in mijn haar en hield me een spiegel voor.
Ik schoot in de lach om mijn spiegelbeeld: opengesperde ogen, zilver, netjes.
‘Begrijp je het niet?’
Nee, maar ik hield mijn mond om haar niet van streek te maken. Ik zette een serieus gezicht op en liet me gewillig meevoeren naar mijn voogd. Op de trap tilde mijn kamenierster mijn rokken van de vloer.
Door galmende gangen en langs een balustrade liepen we naar de grote zaal, die lang was als het schip van een kerk en hoog als het hemelgewelf. Het was mijn zaal, want hij behoorde toe aan de familie van mijn moeder, maar ik kwam er zelden aangezien het een grootse plek was en ik nog maar klein.
Ik wist net zo weinig over de functie van de ruimten in het chateau als over mijn boerenhoeven en wijngaarden, want deze waren, zoals alles wat ik bezat, alleen op papier van mij. De meiden deden altijd precies wat ik vroeg. Ik had er drie, Françoise, Claude en Jeanne. Ze werden aangestuurd door een huishoudster, die geregeld verslag uitbracht aan de rentmeester van mijn voogd. Boeren bewerkten mijn land, maar ik wist niet wie zij waren. De rentmeester inde de pacht en bracht het geld naar mijn voogd. Ook de opbrengsten van mijn boomgaarden en graslanden belandden in zijn zak. Net als die van de oogst van mijn wijnstokken, de appels van mijn bomen en de walnoten die in het najaar werden geoogst. Alle opbrengsten gingen naar hem. Toen ik de zaal binnenstapte, keek mijn voogd me hooghartig aan en begroette me alsof ik de gast was en niet hij.
Deze man was duidelijk gewend aan pracht en praal, maar ik keek verrukt om me heen en nam alles goed in me op, van de gewelfde ramen tot de wandkleden, die edelen en hun knechten tijdens de jacht verbeeldden. Vlak achter mijn voogd zag ik reeën wegvluchten en mannen die een hert doodden.
‘Kom hier, kleintje,’ zei mijn voogd.
Ik maakte een reverence en zag dat Damiennes handen trilden. Zo nerveus had ik haar nog nooit meegemaakt.
Mijn voogd was Jean-François de la Rocque de Roberval, een neef van mijn vader. Een man die veel aanzien genoot omdat hij al sinds zijn jeugd bevriend was met de koning. Mijn vader was van hogere komaf dan hij, als ik Damienne mocht geloven. En mijn moeder had zelfs koninklijk bloed in haar aderen. Ten opzichte van hen had mijn voogd echter één groot voordeel, hij leefde nog.

[…]

 

© Allegra Goodman, 2025
© Vertaling uit het Engels: Catherine Smit, 2026
© Nederlandse uitgave: The House of Books, Amsterdam 2026

Wil je van je bestaande account gebruikmaken op onze nieuwe website? Je behoudt dan onder meer je bestelgeschiedenis, reeds aangeschafte e-books en je persoonlijke verlanglijst. Als je toestemming geeft krijg je direct een mail om een nieuw wachtwoord in te stellen.

Voer een geldig e-mailadres in

Hostname: pro-mbooks3