5 mei verschijnt de nieuwe roman van Douglas Stuart: John, zoon van John (John of John, vertaald door Inger Limburg en Lucie van Rooijen). Wij publiceren voor!
Zonder geld en zonder baan keert John-Calum, ‘Cal’, na zijn kunstopleiding terug naar zijn ouderlijk huis op het Schotse eiland Harris. Daar blijkt weinig veranderd – behalve hijzelf. In de door wind geteisterde boerderij waar hij opgroeide hervat Cal met tegenzin zijn oude leven. Gevangen tussen de twee bepalende figuren uit zijn jeugd: zijn vader John, een schapenboer, tweedwever en steunpilaar van de plaatselijke presbyteriaanse kerk, en zijn grootmoeder Ella, een grofgebekte vrouw uit Glasgow die al tientallen jaren een moeizame vrede in stand houdt met haar schoonzoon. Cal kan niet meer aarden in deze omgeving en John ergert zich aan het lange haar van zijn zoon en diens onwil om door het geloof gered te worden. Terwijl het lammerseizoen overgaat in het scheerseizoen begint het weefsel dat de gemeenschap bijeenhoudt te rafelen.
John, zoon van John is een roman over plicht, geduld en de kracht van de waarheid. Een magistraal literair werk waarmee Stuart laat zien dat hij met elk boek beter wordt.
a h-aon / een
Haar voeten waren zo paars als kalfslever. Zo had zijn vader het gezegd voor hij ophing. Vanuit de rode telefooncel aan de rand van The Meadows had Cal naar de stretchende rugbyspelers op het sappige, groene gras staan turen. Hun witte shorts plakten aan hun billen en de stof werd zo doorschijnend van de zachte motregen dat hij het elastiek van hun onderbroek kon zien. Hij luisterde maar half naar zijn vader, die voorlas uit het Nieuwe Testament.
Zijn vader hield niet van prietpraat. Daardoor hadden hun telefoongesprekken iets weg van een informatielijn, zoals het nummer dat je belde om je horloge precies gelijk te zetten. Toen Cal dat tegen zijn vader zei, begon die instemmend te lachen, want John Macleod geloofde dat de ziel inderdaad telkens opnieuw geijkt moest worden, en Cal ijkte de zijne elke woensdagavond om zes uur stipt, en dan nog eens tweemaal op de sabbat.
Omdat hij geen geld had om interlokaal te bellen, hadden ze een signaal bedacht: hij belde op het afgesproken tijdstip naar huis en als de telefoon drie keer was overgegaan, hing hij weer op. Dan belde zijn vader onmiddellijk terug. Om te voorkomen dat iemand anders de telefoon bezet hield, moest hij wel lang van tevoren klaarstaan en doen alsof hij in gesprek was.
Het was even zoeken geweest naar de beste plek voor deze eredienst: een afgelegen telefooncel die niet met de rug tegen een andere aan stond. Als zijn vader de psalm voorzong, was het de bedoeling dat Cal uit volle borst terug zong, in het Gaelic. Maar als er een uitzonderlijk knappe man voorbijkwam, maakte hij zich klein en dempte zijn stem, en dan vroeg John steevast waarom hij zo weifelend klonk. En als er een voorbijganger naar hem keek, kon hij wel door de grond zakken. Daarom hield hij tijdens dit samenzijn meestal zijn ogen dicht of ging hij met zijn rug naar het pad staan. Hij merkte dat het zingen hem het best afging als hij met zijn vingers langs de visitekaartjes streek die daar waren neergelegd door masseuses en prostituees.
Toch vond hij het fijn op The Meadows. Het glooiende terrein bracht zijn hoofd tot rust. Het was een van de weinige plekken waar de stad op adem kwam, wat hem hielp om het ritme van zijn gedachten af te stemmen op de bedaarde cadans van zijn vaders woorden. Hij wist dat zijn vader uitkeek over zee.
‘Ciamar a tha thu an-diugh?’ vroeg zijn vader in het Gaelic. Hoe gaat het vandaag?
‘Best, hoor. En met jou?’
‘Niet slecht. Ik sta nog overeind. De Heer zij geprezen.’
Hun gesprekken werden altijd gecensureerd: alles wat niet besproken mocht worden, werd overgeslagen. Cal zei nooit dat hij geen dak boven zijn hoofd had. Hij zei nooit dat hij sinds zijn afstuderen misbruik maakte van gastvrije studiegenoten, dat hij van de ene bank naar de andere hopte en wachtte tot de bewoner naar zijn werk ging, zodat hij als een bosmuis op voedseljacht kon gaan, en dan pakte hij net genoeg om zijn honger te stillen zonder gesnapt te worden. Hij vertelde nooit dat hij zich na het douchen liet uitdruipen tot hij droog was of dat hij keek hoeveel melk er precies in de fles zat zodat hij hem na het drinken kon bijvullen met water, of dat hij ’s avonds door de buitenwijken van Edinburgh doolde zodat zijn vrienden zich niet verplicht zouden voelen om hem eten te geven.
Hij vertelde niet dat hij zich had aangesloten bij een groep Albanese vrouwen die de ondergekotste wc’s van de Negociants en een andere pub in Rose Street schoonmaakten. Of dat ze, toen hij zijn eerste loon ging ophalen, de helft inhielden voor de schoonmaakspullen, en nog eens zevenenhalve pond voor de opslag van de zwabbers en emmers. Of dat ze hem, toen hij daar iets van zei, te verstaan gaven dat hij het maar moest opnemen met hun harige, potige echtgenoten als hij het er niet mee eens was. En hij vertelde zijn vader al helemaal niet dat hij daar het lef niet voor had gehad.
Bovenal verzweeg hij dat hij vaker dan hem lief was bleef slapen bij een vriendelijke Welshman die het liefst op zijn buik lag als hij door Cal werd geneukt, met zijn armen onder zich geklemd en zijn handen samengevouwen in een vrome, hulpeloze houding. Als hij dat aan zijn vader vertelde, zouden dat zeker de laatste woorden zijn die hij met hem zou wisselen.
‘Het stikt hier van de duiven en ze zijn helemaal niet schuw.’ Door al die dingen die niet mochten worden uitgesproken, moest hij hard werken om het eerste deel van hun gesprek op gang te houden en er klonk lichte paniek door in zijn woorden – het voelde alsof hij aan het watertrappelen was. Hij liep de hele week met een kladje op zak, zodat hij onderwerpen kon neerkrabbelen om de tijd mee vol te praten. Hij haalde het papiertje uit zijn zak en bestudeerde het lijstje. Zijn vader zou hem wel een leeghoofd vinden dat hij al die oninteressante dingen zo boeiend vond.
‘Ik heb vandaag een heleboel rode auto’s gezien.’ Zijn gezicht vertrok toen hij zich realiseerde dat hij dat de vorige keer ook al had gezegd. Hij nam een pluk haar in zijn mond en zoog de regen eruit.
Het was altijd een opluchting als het loze gesprekje achter de rug was en het bidden begon, want dan hoefde Cal alleen maar te luisteren naar het Woord Gods en aan het eind iets instemmends te mompelen. John had een aangename manier van praten en als voorzanger van de kerk had hij een fraai stemgeluid ontwikkeld. Als hij in het Gaelic uit de Schrift las, kregen alle onheilspellende woorden een mooie klank, lyrisch, bezwerend.
‘A bhràithre, ma tha neach air bith air a ghlacadh ann an euceart sam bith…’ begon hij. ‘Broeders, zelfs indien iemand op een overtreding betrapt wordt, helpt gij, die geestelijk zijt, hem terecht in een geest van zachtmoedigheid, ziende op uzelf; gij mocht ook eens in verzoeking komen.’
Hij was nu al een paar weken gefixeerd op de Galaten, en plukte er her en der passages uit die de noodzaak van broederlijke terechtwijzing onderstreepten. Zo ging dat vaak bij zijn vader: er diende zich een bepaald Bijbelboek aan, als een seizoen, en dat hield hem dan maandenlang in zijn greep.
Na de gebeden kwamen de gezangen. John zong elke tekstregel voor, waarop Cal hem bijna vijfhonderd kilometer verderop, kijkend naar de worstelende rugbyspelers in de zachte regen, nazong met alle devotie die hij kon opbrengen.
Vervolgens hervatten de mannen hun haperende gesprekje. Zijn vader was nog nooit in de hoofdstad geweest en Cal had gemerkt dat hij maar beter niet te veel over Edinburgh kon vertellen, anders ging de volgende preek alleen maar over uiteenlopende vormen van goddeloosheid. Als Cal hem vroeg naar de schapen of het weven of het weer kreeg hij altijd hetzelfde antwoord, want waarom zou je praten over dingen die nooit veranderden? ‘Goed, hoor. Morgen wordt het vast beter. Zo God het wil.’
Het was dan ook opmerkelijk dat John ineens begon over Cals oma en haar paarsige voeten. Cal zag het meteen voor zich: zo’n kalfslever die paars en grijs en roomwit tegelijk kon zijn, een griezelige, zowel doodse als levende kleur. Hij zag opgezwollen, vettig glimmende voeten voor zich, met kolkend, borrelend bloed onder een vlekkerige, gemarmerde huid.
‘Kalfslever? Weet je dat zeker?’ Maar nog voor de woorden zijn mond hadden verlaten, wist hij hoe overbodig die vraag was. Al hun leven lang weefden ze stoffen, die ze tegen het licht hielden om de gelijkmatigheid te controleren. Als ze het met elkaar over kleuren hadden, waren ze heel precies en zorgvuldig in hun aanduidingen.
‘Echt exact die kleur,’ zei John. ‘En die voeten zijn niet het enige probleem. Ze heeft het aan haar hart en klaagt over een slechte doorbloeding. Ze trekt met haar been en loopt steeds langzamer. En ze is warriger dan anders. Ze zegt dat ze tegen de schapen praat.’
‘Dat deed ze altijd al.’
‘Maar volgens haar praten ze nu terug.’ John maakte een geluidje met zijn tong. ‘Ik ben niet verantwoordelijk voor de moeder van je moeder, John-Calum. Daar hebben we het al vaker over gehad.’
‘Dat weet ik. Maar waarom kan ze niet bij ma gaan wonen?’
Het bleef zo lang stil dat Cal begon te denken dat de verbinding verbroken was.
‘Hallo! Pa. Ben je er nog?’
‘Ja,’ zei John. ‘Ik ben er nog. Ik hoef toch hopelijk niet op elke domme vraag die je stelt antwoord te geven?’ Het was weer even stil. ‘Je oma zegt dat dit haar thuis is en dat ze hier haar laatste dagen wil slijten. Ze ziet geen enkele reden om hier weg te gaan.’
Cal onderdrukte de neiging om hem te tarten. Hij wilde eigenlijk vragen waarom zijn moeder niet weer thuis kon komen wonen, waarom ze niet voor haar eigen moeder kon zorgen zodat hij zelf niet terug hoefde te komen. Maar dan zouden ze alleen maar ruzie krijgen, dus beet hij op zijn tong.
‘Het is tijd,’ zei John uiteindelijk. En met de stelligheid van een man die van elk karwei precies weet op welk moment het moet worden uitgevoerd: ‘Uit met de pret.’
[…]
© 2026 Douglas Stuart
© 2026 Nederlandse vertaling Inger Limburg en Lucie van Rooijen / Wereldbibliotheek