Vanaf vandaag in onze boekhandels: Nelio Biedermanns Europese bestseller, zijn magistrale familie-epos Lázár (vertaling Kris Lauwerys en Isabelle Schoepen)! Lees bij ons een fragment.
Lázár is het wervelende verhaal van Lajos von Lázár en de gestage ondergang van diens adellijke Hongaarse familie tegen de achtergrond van de oorlogen en revoluties van de Europese twintigste eeuw.
Rond de vorige eeuwwisseling verwelkomt de familie Lázár hun nieuwste telg in hun familiekasteel aan de rand van een duister, dreigend bos. Lajos von Lázár, een jongetje met een doorzichtige huid en lichtblauwe ogen, lijkt in niets op de rest van zijn familie. Zijn geboorte staat symbool voor de vele geheimen, affaires en raadselachtige voorvallen die de baronnen Lázár al langer achtervolgen.
Intussen doet de twintigste eeuw haar intrede, die het leven van de Lázárs voorgoed zal veranderen. Wanneer Lajos in de jaren twintig zijn erfenis aanvaardt, lijkt de oude glans van het adellijke leven nog één keer op te bloeien. Maar de grootste beproevingen moeten dan nog komen.
8
Toen Sándor de dennengroene gordijnen opzijschoof en het raam opende, wist Mária dat de spreeuwen zich vandaag zouden verzamelen. Hier en daar hoorde ze de vogels al in de bomen van de kasteeltuin. Door de open vleugeldeur naar de badkamer zag Mária de rug van haar man, die zich in onderhemd boven de wastafel stond te scheren.
De kille ochtendlucht die de slaapkamer binnenstroomde geurde naar kastanjes en donkere naaldbomen. Mária trok de deken omhoog, tot vlak onder haar kin, en dacht aan de spreeuwen, die heel binnenkort in Rome of Noord-Afrika of elders in het Middellandse Zeegebied zouden zijn. Ze verlangde naar de zee en huiverde voor de naderende winter, die als een wilde ruiter met ijzige kling vanuit het noordoosten op haar af gegaloppeerd kwam. Als ze haar ogen dichtdeed, kon ze de hoeven van zijn schimmel op de harde, bevroren aarde horen slaan en het ijs in zijn dichte baard horen kraken. Wat was ze graag een spreeuw geweest die aan de winter ontsnapte!
Sándor kwam uit de badkamer en kleedde zich aan terwijl hij uit het raam keek. Ze wist dat hij dat alleen maar deed om haar niet te hoeven aankijken. Hij had geen gevoel voor de dingen: een boom was voor hem niet meer dan een verhoute plant, een mens slechts een intelligent dier en een verhaal louter fictie. Vroeger, in de tijd rond hun huwelijk, had Mária zich aan die eenvoud vastgeklampt. Sándor en het leven op het land hadden haar de psychische stabiliteit geschonken die in de bouwvallige villa van haar ouders en op de meisjeskostschool niet denkbaar was geweest. De maatschappelijke neergang van haar familie en het sociale leven in Wenen met al zijn eisen, codes en spelregels, met zijn decadentie en dubbele moraal en met zijn eindeloze reeks bals die voor Mária avonden in de hel waren geweest, hadden haar al te zwaar belast. Het huwelijk met Sándor was voor haar een bevrijding geweest. Maar na al die jaren was ze uitgekeken op zijn eenvoud en op de eentonigheid van het leven op het land.
Sándor trok de dasknoop dicht, wendde zich af van het raam en keek haar aan. Daarbij kneep hij zoals iedere ochtend zijn ogen een beetje tot spleetjes, haalde zijn gouden zakhorloge uit zijn vest tevoorschijn en zei: ‘De dagtaak roept. En jij, liefste, moest ook maar eens opstaan. De kinderen hebben je nodig.’
Hij glimlachte dunnetjes en vertrok. Mária luisterde naar het wegsterven van zijn daadkrachtige tred, stond op en ging naar de badkamer om haar armen open te snijden. De brandende pijn en de aanblik van de dunne rode straaltjes op het witte porselein van de wastafel gaven haar kracht. Onder stromend water waste ze haar bloed van het lemmet en legde het scheermes precies terug op de plek waar haar man het had laten liggen.
Intussen ontwaakte Ilona uit kinderlijke dromen, waarin ze pratende bosdieren en zingende bomen had ontmoet, met een kleine donkerrode vlek tussen haar benen. Ze schrok, maar schreeuwen of huilen deed ze niet. In plaats daarvan stond ze op, sloeg instinctief de deken over de vlek, alsof ze zich behoorde te schamen dat ze het mooie witte linnen had bevuild, en onderwierp haar lichaam aan een uitvoerig onderzoek. – Maar een wond vond ze niet. Ook pijn voelde ze niet, hooguit een licht trekken in haar onderbuik. Ze had gisteravond dan ook haast niets gegeten, want de walgelijke gegrilde schapennieren die ze naar niets anders dan urine vond smaken had ze stuk voor stuk en hoogst behendig op het grote, donkerrode servet op haar schoot gemanoeuvreerd en van daaraf in de bek van de drie teckels onder de tafel. Dat deed ze meestal als er vlees werd geserveerd, want ze kokhalsde van de gedachte iets te eten wat ooit ogen had gehad. Ze besloot de vlek te vergeten.
Toen ze de eetkamer betrad zat haar vader al aan tafel met de krant van de vorige dag. Het blad had een lange weg per spoor achter de rug, want de baron las uitsluitend de Budapester Tagesanzeiger. Hij was de mening toegedaan dat hij als heer van de landerijen meer behoorde te weten over de toestand in de wereld dan de mensen die erop leefden, werkten en zich vermenigvuldigden. Om die reden las hij niet het lokale dagblad maar de krant van de hoofdstad, waardoor hij weliswaar beter, maar ook later dan iedereen geïnformeerd was, aangezien de krant pas na de middag op het kasteel werd afgeleverd. Omdat het voor hem echter ondenkbaar was om de krant niet bij het ontbijt te lezen, liep zijn lectuur een hele dag vertraging op, zodat de wereld waarvan hij zich op de hoogte had gesteld altijd al in het verleden lag.
Ilona nam tegenover hem plaats, zodat hij haar tijdens het lezen niet van opzij in het oog kon houden, bestreek haar broodje met donkere honing en hoopte dat haar moeder snel zou komen om de stilte weg te wissen.
Na het ontbijt ging Ilona naar de ronde torenkamer waar de lessen plaatsvonden. Ze kreeg voornamelijk les van mevrouw Major. Bij meneer Jakubowski had ze alleen maar Duits en rijkskunde, al waren zijn spreektrant en zijn blik op het rijk door de vele jaren aan de grens vervormd. Zijn taal volgde de regels van de Duitse grammatica maar was met zoveel vreemde woorden doorspekt dat hij zich in Wenen nauwelijks verstaanbaar had kunnen maken. Ook zijn houding tegenover de keizer en de monarchie was die van iemand die lange tijd in het buitenland heeft geleefd. Hij praatte over de keizer alsof die nog altijd een jonge man was en over het rijk alsof het in veertig jaar tijd onveranderd was gebleven. Net als Sándor leefde hij in het verleden – voor sommige mensen bestaat er nu eenmaal geen andere plek.
Mevrouw Major gaf les in huishoudkunde, wiskunde en Latijn, waarbij niemand kon zeggen of ze de taal van de Romeinen echt beheerste. Sándor en Mária hadden geen van beiden Latijn geleerd, maar de baron, die het keizerrijk als een moderne versie van dat gigantische, luisterrijke imperium beschouwde, vond het onontbeerlijk dat zijn kinderen dat wel deden.
Op het moment dat Ilona de torenkamer binnenging, stond mevrouw Major naast de hoge staande klok naar het regelmatige getik ervan te luisteren. Ilona had geen idee waarom ‘mevrouw de majoor’, zoals zij en Lajos haar noemden, altijd daar stond, maar ze leek uit dat getik of meer algemeen uit het verglijden van de tijd al haar kracht te putten – zoals Mária uit haar dagelijkse ochtendpijn.
De klok sloeg het uur, en mevrouw Major begon Ilona ogenblikkelijk en zonder begroeting in te wijden in de geheimen van een voornaam huishouden. Daarbij liep ze – zoals een echte majoor voor zijn in het gelid staande soldaten – waakzaam voor haar leerlinge heen en weer en liet haar harde liniaal voortdurend van de ene klauwenhand in de andere glijden. Ilona probeerde zich haar als kind voor te stellen. Het lukte haar niet. Deze vrouw was zoiets als een leeftijdloze heks die de taal van de Romeinen vermoedelijk beheerste omdat ze dat tijdperk zelf had meegemaakt.
Het uur wilde maar niet voorbijgaan, en Ilona’s concentratie sprong van de strenge zilvergrijze knot van mevrouw Major naar het onverstoorbare getik van de klok, en via Jakub Jakubowski’s stem die door het plafond heen klonk verder naar het lawaai van de spreeuwen – alleen, tot bij de Latijnse tekst over het einde van het Romeinse Rijk reikte haar concentratie nooit. Maar ook dit uur werd uiteindelijk afgelost door een volgend, en weer een, tot de ochtend om was.
Het middageten gebruikte het gezin Von Lázár vaak zonder de vader. Op die dag echter zat hij al aan tafel toen Ilona de eetkamer binnenkwam. Zodra ze hem daar zag zitten, in het midden van de ruimte, in het gezelschap van zijn vrouw en zijn zoon, werd ze zich weer bewust van haar buikpijn. Ze nam plaats naast haar vader en voelde meteen de blikken van haar voorvaderen, die vanuit hun portret stijf op haar neerkeken. Wat haatte ze die lui! Hun versteende gezichtsuitdrukkingen, hun ingewikkelde kapsels en afschuwelijke bakkebaarden, hun zwarte ogen, rode wangen, dunne lippen en witte handen, hun belachelijke kledij. Hoe konden ze zo misprijzend op haar neerkijken? Hadden ze dan niets geleerd van hun door rotte tanden aangevreten, door diarree geplaagde en door ziektes gekwelde leven? Geen wonder dat de jonge barones zo mager was: hoe kon ze onder die permanent monsterende blikken van haar voorouders haar eetlust níét kwijtraken?
Maar nu moest ze eten – Ida was al aan het serveren. Ze had geluk, er was nauwelijks vlees en veel groente: naar violet zwemende biet, diepgroene spinazie, vrolijk lichtkleurige sla, stralend witte mierikswortel, gele, in gesmolten boter drijvende aardappelen en feloranje wortelen tussen grappige kleine erwten. – Ze schepte haar bord met de gouden rand dan ook flink vol en begon te eten, zonder op de mechanische kauwgeluiden van haar vader, de leugens van haar moeder of het nerveuze slikken van haar broer te letten. Negeren, verdringen, dat waren haar grootste talenten, want in tegenstelling tot haar moeder en haar broer, wie de hele wereld ondraaglijk aan het hart ging, kon zij zich als een schildpad in zichzelf terugtrekken, diep in haar binnenste, naar een plek waar niets of niemand haar kon bereiken.
Na het middageten ging Ilona naar de paarden, die haar haar onuitstaanbare familie deden vergeten. Ze borstelde hun glanzende vacht en streelde hun warme hals tot ze het koud kreeg. Op de weg terug naar het kasteel hoorde ze plotseling een geruis in de heggenroos. Vervolgens een zacht gejammer.
Nieuwsgierig liep ze naar de rand van het bos en dacht daarbij aan het reekalfje dat haar vader en zijn broer als kind gewond op een veld hadden gevonden en naar het kasteel hadden meegenomen.
Toen ze nog maar een paar stappen van de plek verwijderd was, schoot het wezen panisch weg, en Ilona, die ook zo graag een reekalfje wilde hebben en behalve een paar bewegende takken en trillende bladeren niets had gezien, volgde het opgewonden het bos in.
[…]
© 2025 Nelio Biedermann
© 2026 Nederlandse vertaling Kris Lauwerys en Isabelle Schoepen