Leesfragment: Los

30 maart 2026, door Merel Bem

7 april verschijnt het romandebuut van Merel Bem: Los! Wij publiceren voor.

Als in korte tijd haar man, haar moeder en haar kat haar verlaten, wordt Anja meer dan ooit op zichzelf teruggeworpen. Angstvallig probeert ze haar lot in eigen hand te nemen, best een opgave voor iemand die het leven over zich heen laat komen als een maartse regenbui. Wie had ooit kunnen voorspellen dat een introverte vrouw als zij zich zou opgeven voor een spirituele groepscursus wandelen in Bretagne? Anja in elk geval niet. In een poging zichzelf enige levensmoed in te blazen, raakt ze aan de Franse kust meer verloren dan haar lief is - en wint ze onverwacht een beetje terrein terug.

In haar literaire debuut schrijft Merel Bem op onderkoelde wijze over onderwerpen als identiteit, eenzaamheid en menselijk onvermogen. Met humor en wijsheid ontleedt Bem de ongemakkelijke waarheden van het moderne leven. Los laat zich lezen als een speels commentaar op de hedendaagse behoefte aan zelfontplooiing - en wat mensen zichzelf vertellen als die groei nog even uitblijft.



 

Proloog

De mist loste langzaam op. De koude wind streek langs Anja’s wangen en trok de zachte witte nevel aan flarden. Er verschenen steeds meer gaten in het natte niets, waarachter het inmiddels volop middag moest zijn. De wereld werd weer wat zichtbaarder. Het was íéts, dacht Anja, zwikkend en struikelend over de rotsbodem, want verder hield het niet over.
Ze kon onmogelijk inschatten hoe weids het kustlandschap was waarin ze zich bevond. Dat ze al een week door dit stukje Bretagne had gewandeld en zelfs zou durven zeggen dat ze het goed had leren kennen, deed er onder deze omstandigheden niet toe. Steeds wanneer ze dacht dat ze er grip op had, veranderde haar uitzicht weer. Ze zag nauwelijks waar ze naartoe ging of waar ze vandaan kwam. Haar enige optie was doorgaan, voetje voor voetje, rotsblok voor rotsblok over het stenen strand.
Een paar minuten geleden waren er nog volop mogelijkheden geweest. Natuurlijk, ze had zichzelf belachelijk gemaakt door voor het oog van de hele groep boven op een grote steen tamelijk dramatisch te gaan staan schreeuwen. Maar ze had daarna van die steen kunnen stappen alsof er niets gebeurd was. Ze had een lachstuip kunnen krijgen, of een toeval. Men zou haar een paar seconden raar hebben aangekeken, of bezorgd (het hing er maar net van af wie het was), en daarna zouden ze, alsof er niets gebeurd was, met z’n allen zijn doorgelopen in de richting van het warme restaurant. Crisis afgewend.
Wegstormen in de mist was ook een mogelijkheid geweest, maar wel de domste. Hoewel ze, bedacht ze hijgend, ook dáárin nog een keuze had gehad. Je had immers wegstormen, even achter een rotsblok uitblazen en dan met hangende pootjes terugkeren – gênant, maar niets aan de hand. En je had wegstormen en koppig dóórstormen, zonder gevoel voor richting en met een zware tas op je rug. Drie keer raden wat Anja had gedaan.
Haar normale manier van wandelen – achter de groep aan lopen totdat de groep stilstond, zoals ze dat eigenlijk de hele cursus lang had gedaan – bracht haar nu niet verder. In haar woede had ze de anderen achter zich gelaten. Bovendien waren al haar visuele bakens, de oesterbanken, het witte huis met het oranje dak, de met bossen maretak behangen populier, de ontroerende rots der geliefden, verdwenen in de mist. Ze had alleen zichzelf, de glibberige rotsblokken voor haar voeten en een wazig idee van lotsbestemming, waar ze zich uit alle macht aan vastklampte.
Het was dan ook uitzonderlijk: voor het eerst in haar leven wist Anja waar ze heen wilde. Waar ze zélf heen wilde, niet omdat anderen beweerden dat het de goede richting was, niet omdat ze gemakshalve en uit gewoonte achter Jarno aan liep, niet omdat haar moeder haar zacht porrend die kant op duwde, nee. Ze had dit zelf bedacht op het moment dat ze van die steen was afgestapt, haar rugzak over haar schouders had geslingerd en ervandoor was gegaan. ‘Anja!’ had de diepe stem van Arwen nog geklonken, en ‘Hé, waar komt die nou vandaan?’ had Jeroen nog gezegd – de onnozelheid kende geen grenzen. Ze voelde de verbaasde blikken van de anderen in haar rug, maar het was al te laat, daar ging ze, het was hun eigen schuld. Hadden ze haar maar niet de hele tijd over het hoofd moeten zien.
De weldadige woede, die haar tot dan toe vreemd was geweest, was inmiddels weggeëbd. Wat bleef was een dof, grijs gevoel in de vorm van een steen, nee: een doffe, grijze steen in de vorm van een gevoel, in het midden van haar maag. Nu liep ze een route die ze niet herkende, haar angst verdringend met koppigheid. Haar hart sloeg als een razende.
Niet miemelen!
Het grijze huisje tussen de rotsen, dat zocht ze, daar wilde ze heen. Waarom? Waarom? Anja zocht diep in zichzelf naar een antwoord, ze trok lades open en keek onder het bed, maar stond al snel met lege handen weer buiten. Wist zij veel.
Pas veel later, toen ze eindelijk had geleerd hoe ze dit alles het best kon vertellen, als een verháál, met een kop, een staart, een spanningsboog, en niet als de chronologische opsomming van de ene vage hersentoestand na de andere, zou Anja, die op het schooltoneel nooit verder was gekomen dan de derde boom van rechts, een veelzeggende slotakte bedenken die zich afspeelde op de vlakte aan de voet van het ingeblikte huisje. Alsof het zo moest zijn. Alsof deze plek aan de onvoorspelbare Bretonse kust de enige plek was waar het einde zich kon afspelen.
Ze zou het woord ‘instinctief’ gebruiken, dat deed het altijd goed, het bewees dat ze een vrouw was die een gezond contact onderhield met haar onderbuik.
Ze zou vertellen dat ze zichzelf tijdens haar leven was kwijtgeraakt en was gaan wandelen om zichzelf weer te vinden. Dat ze boos was geworden omdat ze dacht dat anderen haar niet zagen, totdat ze zich realiseerde dat zijzelf degene was die zich nooit líét zien, een subtiel maar belangrijk verschil en bovendien: een stukje zelfkritiek – daar hielden de mensen van. Ze zouden knikken tijdens het luisteren, ze zouden elkaar zachtjes aanstoten, en tegen degenen die toch moeilijk bleven kijken – want die had je altijd –, tegen die mensen zou Anja zeggen: ‘Ook ik was ooit zoals jullie, maar ik heb geleerd mijn ontevredenheid om te buigen in een positieve levenshouding, die me uiteindelijk veel meer heeft opgeleverd.’
Dat klonk mooi en rond en af, als een verhaal dat mensen wilden horen.
Maar dat was allemaal nog ver weg. Voorlopig doolde Anja verloren over de stenen, die roken naar zout slib en vergeten zeewater. Het kon nu niet ver meer zijn. Hoorde ze de zee in de verte? Áls dit al een waarschuwing was, een niet te missen hint in het verhaal, dan miste Anja die desondanks glorieus.
De wind stak weer op. Hij joeg de laatste mistflarden uiteen, blies ze bollend en wentelend voor zich uit over de rotsen en trok het landschap aan haar voeten open tot aan de horizon. Anja’s hart werd rustiger. Alles was nog steeds grijs, de lucht, de zee, haar gemoed, maar daar, aan het eind van het rotsachtige terrein, lag het huisje. Ze was het van de zijkant genaderd, zodat het nog minder opviel tussen de twee kolossen van rotsen, als een aarzelende neus tussen twee appelwangen. Anja klom met rugzak en al op een grote, ronde steen en ging zitten. Ze wist even niet hoe het verder moest. Zou ze zomaar naar de voordeur lopen en aanbellen? Wat zou ze dan zeggen? Bonjour, ik heb het vage gevoel dat ik hier moet zijn, mag ik even binnenkomen? En trouwens, wie zei haar dat de woorden zouden komen, straks stond ze daar zoals altijd te slikken en naar adem te happen.
In de prut bij haar voeten scharrelde een krabbetje, aangestuurd door onzichtbare krachten en jaloersmakend onwetend van de levens die het óók had kunnen leiden, als het de kansen, die zich altijd voordeden maar die je wel moest herkennen, met beide scharen had aangegrepen.
‘Ben je daar eindelijk?’ klonk het snibbig, vlakbij.
Er liep een rilling over Anja’s rug. Als bevroren bleef ze zitten, ze durfde niet opzij te kijken, ook al had ze die stem onmiddellijk herkend. Toen ze uiteindelijk haar hoofd draaide, kwam het alsnog als een schok. Op het rotsblok naast haar zat Gerjanne Carola van Dijk-Hendriks, de vrouw die sinds haar aardse verscheiden ongevraagd in Anja’s hoofd was blijven spoken. Ze droeg een tot op de draad versleten blauwe badjas en haar korrelige rode lippenstift zat scheef, waardoor ze leek te grimassen.
‘Mám?!’

 

© Merel Bem, 2026
© Hollands Diep, Amsterdam 2026

Wil je van je bestaande account gebruikmaken op onze nieuwe website? Je behoudt dan onder meer je bestelgeschiedenis, reeds aangeschafte e-books en je persoonlijke verlanglijst. Als je toestemming geeft krijg je direct een mail om een nieuw wachtwoord in te stellen.

Voer een geldig e-mailadres in

Hostname: pro-mbooks2