In al onze boekhandels: Emma Doude van Troostwijks debuut, de ‘magnifieke, talige, actuele roman’ (●●●●● NRC) Mensen van de dag (Ceux qui appartiennent au jour, vertaald door Liesbeth van Nes). Lees nu een fragment!
Prachtig geschreven en veelgeprezen: in deze intieme roman over geloof, familie en de kracht van taal om te kunnen herinneren weet Doude van Troostwijk op lichte en tedere wijze een complexe familiesituatie te schetsen.
In een pastorie in de Elzas, omringd door mooie bossen, wonen drie generaties van een Nederlandse predikantenfamilie onder hetzelfde dak: opa en oma, vader en moeder, en zoon en dochter. De grootvader was, de vader is, en de zoon wordt binnenkort predikant. De verteller keert terug naar huis om de intrede van haar oudere broer bij te wonen.
Op tedere en originele wijze beschrijft ze hoe haar grootvader steeds verder gedesoriënteerd raakt, haar vader kampt met een burn-out en haar broer twijfelt of hij de roeping tot predikant wel moet volgen. De verteller probeert, terug in haar ouderlijk huis, met haar familie zo veel mogelijk herinneringen op te halen. Ze kijken naar familiefilmpjes, spelen potjes memory en luisteren naar muziek, zowel in het Frans als in het Nederlands. Zo weet ze in deze moeilijke situatie ook humor en lichtheid te brengen. Een ontroerend boek over herinneringen, vergeten en de kracht van het blijven vertellen.
I
Mijn voeten verdwijnen in het zachte zand. De vloed overspoelt mijn tenen. Mijn vrienden lachen. Ze bieden me een biertje aan. De bluetooth-speaker speelt ‘Drank en drugs’ van Lil’ Kleine. Naast me blaast een meisje met een bruine huid haar wangen bol van pijn als ze het ijskoude water uitkomt. Ze klautert de dijk op en rent naar de appelgroene strandtas. Kijk, mama. Haar moeder klapt trots in haar handen. Ze wikkelt het lijfje in een roze-blauwe barbiehanddoek en begint te wrijven. Achter me tekenen de wolkenkrabbers van Rotterdam zich af.
De foto van de aankomst van mijn ouders in Frankrijk bewaar ik in mijn zak als een geheim. Op de foto Mama’s jonge gezicht met de ronde brillenglazen en het haar tot op de schouders, ze drukt een kus in Papa’s nek. Ze heeft een ronde buik. Achter hen het bordje met in hoofdletters presbytère.
Al meer dan een jaar ben ik niet thuis geweest. Ik steek een sigaret op. Sterre vraagt hoe de audities zijn gegaan. Bien, zeg ik, het was een scène uit het stuk ‘The Father’. Mijn ogen knipperen door het koude licht van de Noordzee. Ik snuif door mijn neus. Ik haal weer adem.
Ik loop de steile weg af die naar de pastorie leidt. De garage achter op de binnenplaats is nu vrijwel verveloos, de groene hekken zijn verroest. De drie woonlagen zijn donker. Links op het dak zijn een paar pannen kapot. Het licht van het portaal floept niet meer aan als ik er langsloop. De hele rechterkant van de gevel is bedekt met klimop, onherkenbaar. De wip achter in de tuin verdwijnt achter nooit gemaaid hoog gras en glanshaver. De kersenboom is hoger geworden. Het vijvertje waar ik speelde en kikkervisjes ving, zit vol slijk. Ik loop de vier betonnen treden op naar de voordeur. De ronde sleutel klem ik tussen het plat van mijn duim en het kussentje van mijn wijsvinger. De deur gaat open. Ik kijk op. Aan het einde van de smalle gang op de begane grond ligt de gemeentezaal. Ik ruik gelijk de geur. Houtvuur en goedkope wijn. Aan het einde van de klaptafel, onder een icoon van Jezus op de Olijfberg, houden mijn ouders elkaars hand vast.
Mijn grootvader zit in zijn oude schommelstoel. Zijn voeten, lekker ingepakt in niet bij elkaar passende sokken, raken nét de vloerbedekking van de salon. De thermostaat staat op vijfentwintig graden. Opa’s ogen zwiepen van links naar rechts, van boven naar beneden. Ze proberen zich ergens aan vast te klampen. Als ik in zijn blikveld kom, vestigt hij zijn ogen op mij. Hij steekt zijn hand uit en zegt, aangenaam kennis te maken, mevrouw, ik zat op u te wachten.
De tuin van de pastorie die Papa altijd ‘à la française’ had gewild, met netjes geschoren hagen en gedisciplineerde lanen, lijkt eigenlijk meer een wildernis. De moestuin, waar de zondagsschoolkinderen onderscheid leren maken tussen veenbessen en aalbessen, is verwaarloosd. Nicolaas heeft het in zijn hoofd gehaald er orde in aan te brengen, zonder enig verstand van tuinieren. Hij brengt er hele dagen in door, tot aan zijn middel in de stekelstruiken, en weert zich met een stompe snoeischaar die we niet gaan weggooien, toch. Papa kijkt naar hem, zittend op de vensterbank van zijn studeerkamer. Zijn trui is wit van het pleister van de gevel, zijn haar zit in de war, hij houdt een oogje in het zeil.
Sinds ik terug ben is Papa niet van zijn plaats gekomen. Het bed heeft de vorm van zijn lichaam aangenomen, een te grote vorm, als een engel die met uitgespreide armen in de sneeuw valt. Op de ijzeren bank onder het raam stapelen de ongelezen kranten zich op. Ik zit uren naar mijn indommelende en wakker wordende vader te kijken. Ik let erop het water te verversen in de 500 ans de la réforme-kruik. Ik tel de pillen. Als Nicolaas terugkomt van zijn stage, ploft hij naast ons neer. Hij drukt een klapzoen op Papa’s voorhoofd en zegt, nog maar een maand en ik ben dominee, t’imagine? Mijn vader komt een stukje overeind, tikt mijn broer op de schouder en zegt, en ik, wat dacht je, ik ben huisman geworden. Ze lachen. Nicolaas haalt de baal shag uit de la van het tafeltje. Hij stopt een filter in zijn mondhoek, trekt de tabak uit elkaar met zijn nagels, stopt het resultaat in het doorzichtige papier, duwt het aan met zijn duimen en rolt met beheerste gebaren een sigaret. Hij likt het papier dicht, geeft Papa de sigaret en zegt, et voilà, nu nog een lucifertje, daar sta je van te kijken, hè? Ze gaan lekker zitten, kussens in de rug, halen een tarotspel tevoorschijn en spelen zonder een woord te zeggen.
© 2024 by Les Editions de Minuit
© 2026 Nederlandse vertaling Liesbeth van Nes en Meulenhoff Boekerij bv, Amsterdam