Morgen verschijnt Nino Haratischwili’s nieuwe boek Oost en West. Persoonlijke notities, toespraken en essays (Europa, wach auf! Texte und Reden, vertaald uit het Duits door Elly Schippers en Jantsje Post)! Wij publiceren voor.
- ‘Wie onze internationale conflicten, die momenteel weer in Oost-Europa worden uitgevochten, beter wil begrijpen, moet Nino Haratischwili lezen.’ – Die Zeit
Nino Haratischwili – internationaal geprezen bestsellerauteur en theatermaker – is niet alleen een van de belangrijkste literaire stemmen in de Duitstalige literatuur, ze is ook een van de belangrijkste politieke auteurs van onze tijd. Een tijd die wordt gekenmerkt door internationale agressie, oorlogsdreiging en een maatschappelijk klimaat van onverdraagzaamheid en haat.
De schrijfster spreekt zich al jaren uit over Ruslands oorlog in Oekraïne en steunt de protestbeweging in haar geboorteland Georgië. Het is een van de onderwerpen van de hier verzamelde teksten, emotioneel en persoonlijk, explosief en politiek, in de onmiskenbaar poëtische en krachtige taal die het handelsmerk van Nino Haratischwili is geworden. Enkele ingezonden brieven van Haratischwili zijn eerder gepubliceerd in NRC en Standaard der Letteren.
Toespraak over democratie 2025
Een paar maanden geleden nam ik in Berlijn deel aan een paneldiscussie over het onderwerp ‘Democratie in Oost-Europa’. Ik zat met enkele collega’s uit Servië, Oekraïne, Polen en de voormalige ddr op het podium en we deden allemaal ons best om ons eigen ‘stuk Europa’ te vertegenwoordigen en vanuit ons (geografische) standpunt iets over de huidige politieke situatie te vertellen.
Sinds de Russische invasie in Oekraïne krijg ik aan de lopende band verzoeken om over democratie te spreken, verzoeken die ik steeds met veel plezier heb aangenomen en als een eer heb gezien. Enerzijds omdat ik democratie als een van de grootste verworvenheden van de mensheid beschouw, anderzijds omdat ik me in de kwetsbaarheid ervan heb verdiept, erover heb geschreven en ook zelf heb moeten ervaren wat het betekent als ze wordt afgebroken of ontbreekt. Maar die avond bekroop me een zeker onbehagen; voor het eerst had ik het gevoel dat het niet klopte om vanuit een bepaald geopolitiek oogpunt over zo’n groot onderwerp te praten. Ik vroeg me af wat er opeens was veranderd, waarom ik me niet op mijn gemak voelde in mijn rol, tot ik begreep dat het gevaar waaraan de democratie momenteel is blootgesteld allang een mondiaal gevaar is geworden.
Natuurlijk zijn de specifieke uitdagingen per land heel verschillend en natuurlijk hebben we in Duitsland (nog) het geluk dat we niet, zoals in Georgië of Servië, voor die democratie voortdurend de straat op moeten of in de gevangenis belanden. Wij genieten nog altijd alle voorrechten die de democratie ons biedt, maar de grens die er misschien al die jaren was, die onzichtbare en toch zo duidelijke scheidslijn tussen de eerste en de tweede wereld, tussen democratie en autocratie, tussen rechtsstaat en corrupte staatsstructuren, tussen het Westen met zijn morele superioriteit en de rest van de wereld – die grens bestaat volgens mij niet meer.
Daarom leek het me opeens niet goed om te spreken van een eerste- en een tweederangs democratie zoals ik, sinds ik in Duitsland woon, gewend was. En toen ons tijdens de discussie werd gevraagd wat het Westen vanuit Oost-Europees perspectief nu eigenlijk was, stond ik er zelf versteld van dat ik ad hoc antwoordde dat het Westen voor mij in de huidige omstandigheden vooral een waardegemeenschap was, die momenteel door het Oosten werd verdedigd – af en toe met blote handen, niet zelden met gevaar voor eigen leven.
Toen ik dat zei, verbaasde ik me over mijn eigen definitie en op weg naar huis dacht ik nog even over mijn spontane formulering na. Klopte het of was het de vermoeidheid, misschien wel de berusting die uit mijn woorden sprak, omdat ik de afgelopen maanden zo veel en zo vaak over de dikwijls verkeerd geïnterpreteerde omstandigheden in Oost-Europa had gepraat? Lag het misschien ook aan de frustratie die ik de laatste tijd zo vaak voel over de West-Europese lethargie en de Brusselse bureaucratie?
De vraag had me aan het denken gezet, want de helft van mijn leven, sinds ik in het zogenoemde Westen woon, wordt me voortdurend gevraagd het Oosten te definiëren, nooit andersom. Meestal moet ik dat vage conglomeraat van – ja, waarvan eigenlijk? – toelichten, moet ik een beeld geven van die moeilijk te definiëren verzameling van postsocialistische landen met een even moeilijke geschiedenis, met een fragiele democratie, met landschappelijke reliëfs waar de Russische schaduw op valt, dat eindeloze gebied waar het – althans in westerse ogen – meestal sneeuwt en waar zwaarmoedig wodka wordt gedronken en vaak nogal onstuimige temperamenten spelen.
Oost-Europa wordt gedefinieerd vanuit het Westen. De westerse definitiemacht creëert de scheidslijn die tot op de dag van vandaag, zij het onzichtbaar en niet gemarkeerd met prikkeldraadversperringen en checkpoints, maar toch voelbaar en reëel aanwezig is. De pijnlijkste scheidslijn tussen die culturele en geografische landschappen verloopt voor mij echter heel ergens anders. Namelijk in een onzichtbare en ongeschreven hiërarchie, die nog altijd bestaat en die inhoudt dat bepaalde dingen die in het Oosten toelaatbaar zijn, voor het Westen ondenkbaar zijn en andersom, alsof er constant met twee maten wordt gemeten. Alsof er twee Europa’s zijn, een eerste- en een tweederangs. Alsof de rol van het Oosten in het wereldgebeuren altijd die van het wat bokkige en niet erg capabele kleine broertje is, dat niet aan het eerstgeboren modelkind kan tippen. Ik ken dat allemaal, het bepaalt mijn leven. De helft van mijn leven, sinds ik in Duitsland woon, zit ik gevangen in die spagaat, altijd moet ik iets vertalen, van Oost naar West, van de ene naar de andere cultuur, van de ene naar de andere belevingswereld. Alsof het een ongeschreven plicht voor me is, als kunstenaar en als mens.
Maar waar begint ‘het Oosten’ precies? Bestaat er een Oost-Europees narratief? Is het Oosten alleen iets geografisch? Wat verbindt de Oost-Europese landen, behalve hun socialistische erfenis? Hebben Sicilië en Georgië niet veel meer met elkaar gemeen dan Kazachstan en Georgië of Armenië en Oekraïne? Was zelfs het socialisme niet in elk land verschillend? Voelt Oost-Berlijn voor mij op een bepaalde manier niet vreemder aan dan Hamburg? En zijn de Duitse vrienden die me in Tbilisi komen opzoeken niet verrast hoe Zuid-Europees de stad is en hoe westers de mensen er zijn? Waar loopt die scheidslijn dus? Waar begint hij eigenlijk? En bestaat er zoiets als een cultuurgebied dat al die Oost-Europese landen onder één noemer brengt? Ik vrees van niet.
In het Westen ligt dat anders, want behalve een waardegemeenschap is dat duidelijk ook één cultuurgebied: Aristoteles is niet alleen een Griek, Caravaggio is niet alleen een Italiaan, Bach niet alleen een Duitser, Van Gogh niet alleen een Nederlander, Cervantes niet alleen een Spanjaard, Shakespeare niet alleen een Brit, Freud niet alleen een Oostenrijker, enzovoorts. Ze zijn in eerste instantie allemaal Europeaan, ze zijn een vast onderdeel van de zogenoemde ‘cultuur van het Avondland’. Als je dat op Oost-Europa wilt toepassen, stuit je algauw op grenzen. Dan zouden we genoeg Letse, Roemeense, Moldavische en Slowaakse schrijvers moeten kennen, genoeg Georgische en Estse schilders en Armeense en Oekraïense musici. Maar dat is niet het geval. Eén land waarvan we de cultuur wel allemaal kennen en dat die van ons goed kent, is Rusland. Rusland is als het ware de ‘fatale verbinding’ tussen ons allemaal. Alles wat we van elkaar weten, weten we voornamelijk vanuit zeventig jaar koloniaal perspectief.
Het feit dat het woord ‘kolonialisme’ nooit wordt gebruikt voor de vijftien zogenoemde ‘unie-republieken’ van de Sovjet-Unie, getuigt van de kloof die zoveel jaar na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie nog altijd tussen ons gaapt. Niet alleen tussen Oost- en West-Europa, maar ook tussen de Oost-Europese landen onderling. Misschien is het onze eigen fout dat we niet uit die schaduw zijn getreden en een eigen narratief hebben ontwikkeld, dat we aan ons leed nooit dezelfde waarde hebben toegekend als het Westen doet, dat we onze pijn op de een of andere manier altijd minderwaardig hebben gevonden, omdat we de Russische les zo goed hebben geleerd, omdat we de beroemde mythe van de ‘Russische ziel’ hebben geïnternaliseerd, die zegt dat je je bijna hartstochtelijk aan je leed moet overgeven en het zonder klagen moet dragen. Misschien zijn we de afgelopen zesendertig jaar allemaal bezig geweest met overleven en had het verwerken van het verleden geen prioriteit – nou ja, voor de gevolgen van die fouten moeten we nu helaas zelf opdraaien. Maar dat is een ander verhaal.
Ondanks alle ellende, alle onrechtvaardigheid en alle frustratie was er de voorbeeldige eerstgeborene, het Westen, waar het Oosten tegen op mocht kijken, er was een doel om naar te streven: net zo worden als de grote, onberispelijke broer, de eigenschappen en kwaliteiten verkrijgen die hem eigen waren, zichtbaar worden, uit de schaduw treden van de eigen minderwaardigheid. Er was het, wellicht naïeve, geloof dat de bittere les die de oudere broer van zijn totalitaire verleden had geleerd, hem ervan zou weerhouden ooit ook maar één centimeter af te wijken van het heilig verklaarde democratische pad. Die broer leek altijd een soort maatstaf voor de democratie te zijn. Hij belichaamde bovenal het ‘nooit meer’ en vormde het tegenbewijs van de eeuwige stelling dat de mensheid niets van haar eigen verleden leert. De oudere broer had wel iets geleerd, althans dat dachten velen, ikzelf inbegrepen. Wij, de miljoenen die erin waren geslaagd door het IJzeren Gordijn te glippen toen het op een kiertje werd gezet, wij dachten dat we van hem konden leren en het geleerde als een soort olympische fakkel naar ons land konden dragen…
Maar toen ik na die paneldiscussie naar huis ging en ook nu, terwijl ik deze toespraak schrijf om me van mijn eervolle opdracht te kwijten, merk ik hoe ik ermee worstel, hoe ik struikel over dat ooit zo heilige woord ‘democratie’, hoe groot de barsten zijn die mijn rotsvaste geloof de laatste jaren heeft opgelopen. Ik moet toegeven dat een opdracht me nog nooit zoveel moeite heeft gekost als deze. Want wat onbetwistbaar leek, ligt in scherven.
[...]
© 2025 Frankfurter Verlagsanstalt GmbH, Frankfurt am Main
© 2026 Nederlandse vertaling Elly Schippers en Jantsje Post