23 april verschijnt de nieuwe roman van Jonas Eika, Open hemel (Åben himmel, vertaald door Lammie Post-Oostenbrink)! Wij publiceren voor.
Het is 1233, in een begijnenhuis in Luik zijn vijf vrouwen samengekomen om op een compleet nieuwe manier te leven: ongehuwd, niet als nonnen, maar als mens. Terwijl ze strijden tegen de vervolging door de katholieke kerk, begint een van de begijnen, Ida, visioenen te krijgen van de jonge Maagd Maria, een dubbelzinnige Jezus en een koor van engelen. Geleidelijk en tegen wil en dank ontpopt Ida zich tot een profeet, die ondanks alles wanhopig probeert vast te blijven houden aan dat waar ze het meest van houdt.
Open hemel is een genre-overstijgende historische roman over schaamte, verlangen en alles wat er moeilijk én mooi is aan het creëren van een gemeenschappelijk leven, waar we juist nu zo naar smachten.
Jonas Eika is een van de meest opwindende schrijvers van deze tijd. Hun verhalenbundel Na de zon ontving talloze prijzen, waaronder de prestigieuze Nordic Council Literature Prize in 2021, stond in 2022 op de longlist voor de International Booker Prize en werd in vijftien talen vertaald. Een van de verhalen verscheen in de New Yorker en werd later bekroond met een O. Henry Prize. Hen woont in Kopenhagen.
Eerste deel
van Pasen tot Pinksteren
31 maart 1233
De dag dat Jezus voor de laatste keer als mens wijn dronk en brood at, voordat Hij veranderde in wijn en brood voor alle mensen, zodat wij Hem altijd konden proeven en als zodanig ervaren, in het jaar 1233 na Zijn geboorte
Bij dageraad kreeg Clarisse een visioen. We gingen ter communie en ik was getuige. Op het moment dat Vader Jakob de hostie zegende, met twee misdienaars achter zich die de sleep van zijn kazuifel van de grond hielden, zag ze Christus als het kind dat Hij in zijn eerste jaar was: met bolle wangen, hongerig, nog een zuigeling, een dierenjong met een verlossersmens in zich. Met Jakob als onderdeel van Zijn verschijning liep het kind door de kerk en deelde Zichzelf uit aan iedereen. Toen het voor Clarisse stond, pakte het met Zijn rechterhand Zijn lichaam en gaf dat aan haar in de vorm van de hostie. En ze at. Toen Vader Jakob haar de beker gaf, tilde Christus Zijn linkerarm op en openbaarde een verse rode wond net onder Zijn oksel, het leek wel alsof die wond lippen had. Nu was Hij een man, in schamele, gerafelde kleren, net als op de dag dat Hij ons zijn lichaam aan het kruis gaf, Hij stak Zijn hand uit en legde die in Clarisses nek. Ondertussen schreed Vader Jakob verder om het sacrament aan de volgende te geven – want net als de Zoon is ontvangen uit de Vader door de Heilige Geest, maar gedragen en ter wereld gebracht door de Maagd, zo ontvangen wij zijn lichaam van de Kerk die Hem inwijdt, maar daarna is Hij van ons – dus bleef de Mensenzoon staan, legde Zijn hand op Clarisses nek en drukte haar mond tegen de gapende mond in Zijn zij. En ze dronk.
En Clarisse was nog steeds sloom en verzwakt toen ze na de dienst door de stad naar huis liepen. Met haar armen over de schouders van Ida en Halene sjokte ze door de straat, haar ogen halfgesloten en haar hoofd bengelend op haar borst. Haar dunne haar piepte onder haar kap uit en plakte op haar wang. Af en toe kon Ida haar adem ruiken, zwaar en bedompt; krachteloos, zoals de geur die aan het einde van de winter uit een voorraadkelder omhoogkomt. De muren lagen in de schaduw, de nacht hing nog vochtig op de straatstenen. Er waren bijna alleen maar mannen op straat, ambachtslui, bedelaars en wevers, maar ook een paar klerken en gildelieden, die anders nooit zo vroeg op waren. Sommigen gingen voor Ida en de anderen opzij, bogen het hoofd en hielden de hand eerbiedig tegen de borst, anderen gluurden wantrouwend naar hen. In een steeg stak een jonge, bebaarde man in een paarse mantel, vast de zoon van een koopman of edelman, snuffelend zijn gezicht naar hen toe. Ze dromden dichter op elkaar, Jutta en Majke een halve pas achter Ida en Halene, die Clarisse tussen zich in zeulden, maar Jacomyne bleef voor hen uit rennen – ongetwijfeld voortgestuwd door haar angst, dacht Ida, ze staat altijd op het punt ons te verlaten.
In de hof Getsemane, toen Jezus bang werd en Zijn discipelen vroeg om ’s nachts te waken – om een opening te creëren, een kleine nacht in de nacht? – vielen de discipelen in slaap. Als je anderen het allerhardst nodig hebt, trekken ze zich terug, tenzij het jou als eerste lukt. Een eindje verderop lag Jezus op Zijn buik te bidden. Zijn zweet viel op de droge, nog warme grond op de berg en maakte die zacht. De discipelen werden ernaartoe getrokken in hun slaap.
Ze moesten Clarisse het laatste stuk naar huis haast meeslepen. Door de brede straat langs de stadsmuur, waar de handelaren woonden in hun grote hoven met bloementuinen in het midden, vervolgens rechtsaf de Jakobstrap op: ruim driehonderd treden, langs kleine plateaus met de ommuurde kruidentuinen van de franciscanen, naar hun huis op de heuvelkam ten noorden van de stad. Ze gingen naar binnen en legden Clarisse op bed en dachten dat ze wel zou slapen tot de volgende ochtend, maar een paar uur later riep ze hen alle vijf bij zich. Via de buitentrap, door de kamer waar Ida meestal sliep met Jutta en Majke, verder naar de kamer van Clarisse. Ze zat rechtop in bed en zag er ouder uit dan gebruikelijk: dunne, spitse kaken, haar ingevallen mond en de rode neus, strenge duistere ogen. Daarin stond een ernst te lezen die werd benadrukt door de twee grote eikenhouten kisten aan het voeteneinde. Ze vroeg de anderen om erop te gaan zitten – Jutta en Majke bleven op een afstandje staan met hun armen over elkaar geslagen – en vertelde hun toen over haar ontmoeting met Christus die ochtend. Dat hij in verschillende gedaanten voor haar was verschenen en haar had laten drinken van de wond in zijn zij. Maar ze had niet alleen honing geproefd in zijn bloed. Opeens begon het te branden in haar keel en terwijl de warmte zich door haar lichaam had verspreid, kon ze zijn hand in haar nek niet meer voelen, of zijn wond tegen haar lippen, haar eigen handen die zijn heupen vasthielden. Hij was in plaats daarvan veranderd in een soort kennis in haar binnenste.
Clarisse zweeg even en keek hen een voor een aan, haar blik bleef even hangen bij Jacomyne, die zichzelf vasthield alsof ze het koud had. Majke en Jutta stonden nog steeds in de deuropening, sceptisch, dat was wel duidelijk, maar toch ook getroffen door Clarisses ernst die uit het bed opsteeg. Ze vervolgde: ‘Het ging over ons en degenen die leven zoals wij. Over alle begijnen in dit bisdom en ook op veel andere plekken... Tot nu toe hebben we geluk gehad. De mensen hebben onze vroomheid gezien – en we hebben Vader Jakob die voor ons pleit bij de Kerk... maar Jakob is een oude man... Wat ik probeer te zeggen is dat de tijden zullen veranderen. Zowel mensen van de kerk als leken zullen ons met grotere argwaan tegemoet treden. Dichters zullen ons bespotten, mensen zullen geruchten verspreiden en geestelijken zullen ons doorlichten. Er zullen vragen en vervolgingen komen. Er zullen brandstapels verschijnen en ons soort mensen zal erop gezet worden.’
Jacomyne hapte naar adem en wilde iets zeggen, maar Clarisse stak haar rechterhand op: ‘Dat zal allemaal pas over een paar jaar plaatsvinden. Maar we moeten onmiddellijk beginnen met onze voorbereidingen.’
‘Wat heeft dat voor zin?’ vroeg Jacomyne opgewonden. ‘Als je al weet wat er zal gebeuren, als je dat via het bloed van Christus hebt vernomen, hoe kunnen we het dan voorkomen?’
‘Dat kunnen we ook niet. Maar we kunnen ervoor zorgen dat wij niet het slachtoffer worden. We kunnen ervoor zorgen dat dit huis met rust gelaten wordt.’
Jacomyne knikte als een kind dat probeert te snappen wat er van haar wordt verwacht. Naast haar zat Halene met haar armen slap langs haar lichaam. Ook Majke en Jutta stonden op het punt Clarisses voorspellingen te accepteren, hun gezichten zagen er gelaten en zacht uit in het middaglicht. Dat scheen door de spleet in het dak naar binnen en verspreidde zich door de kamer, bleek en zonder onderscheid te maken, alsof de middag zich had losgerukt van de rest van de dag en zou blijven voortduren. Vanaf nu zouden ze in het licht leven, ze zouden alles zichtbaar maken voor degenen die het op een dag aan een onderzoek wilden onderwerpen – dát zei Clarisse en ze keek vervolgens naar Ida: ‘En jíj zult alles opschrijven.’
‘Wat zeg je?’ zei Ida verrast.
‘Iedere dag, of in elk geval een paar keer per week, zul je over ons leven in het huis schrijven.’
‘Waarom ik? Jij hebt me immers leren schrijven, jij beheerst de taal veel beter...’
‘Ik heb je geleerd wat ik kan. En bovendien weet ik niet zeker of ik...’ Clarisse keek omlaag, haar vuile huid glansde onder de lichte wenkbrauwen. ‘Je bent de puurste, de minst egoïstische van ons.’
‘Dat is niet zo,’ protesteerde Ida.
‘Hierover beslis jij niet zelf,’ antwoordde Clarisse resoluut. ‘Jij staat hier in huis iedereen het meeste na en daarom ben je ook de aangewezen persoon om over ons gemeenschappelijke leven te schrijven.’
Ida voelde een pijnlijke spanning door haar lijf stromen, het dubbele gevoel dat Clarisse haar zag, maar dat wat ze bij haar zag en waardeerde eigenlijk lafheid was, zwakte. Ze probeerde zonder onderscheid lief te hebben, dat was waar, maar vooral omdat het haar zoveel ellende had bezorgd toen ze maar één persoon liefhad.
‘Je hoeft niet bang te zijn,’ zei Clarisse en ze zocht haar blik. ‘Schrijf over mijn visioenen en onze dagelijkse bezigheden, schrijf over onze vroomheid. Schrijf hoe we voor God leven.’
[…]
Copyright © 2024 Jonas Eika
Copyright Nederlandse vertaling © 2026 Lammie Post-Oostenbrink