Een van de Volkskrant-talenten van 2026 is Rasit Elibol, van wie vorig jaar Vuistslagen. Over opklimmen en invechten verscheen. Tijd voor een fragment!
Voor het eerst in een kwarteeuw is Rasit Elibol voor een paar dagen terug in Wormer, het dorp waar hij de eerste zestien jaar van zijn leven woonde, en waar hij zich altijd een buitenstaander heeft gevoeld. Hij is daar om een reportage te schrijven voor het intellectuele weekblad waarvoor hij werkt en probeert te achterhalen waarom hij na al die jaren nog steeds zo’n weerstand voelt tegen deze plek. Hij groeide er in armoede op als een van de weinige migrantenkinderen, worstelend met verslavingen en geweld. Nu hij is opgeklommen op de sociale ladder en een geslaagde carrière heeft als schrijver en journalist voelt hij zich opnieuw de buitenstaander. Vanuit dat perspectief reflecteert Elibol op kraakheldere en prangende wijze op het Nederland van nu.
1. Terug naar Wormer
De flat staat er nog. Het is een gebouw uit een andere tijd, precies zoals in mijn herinneringen: oud en hoekig, licht van kleur. Ik durf niet uit de auto te stappen als ik door de straat rijd, alsof ik ergens ben waar ik niet mag zijn. Stapvoets rijdend gaat mijn blik naar de bovenste verdieping, naar de woning in de verste hoek. Ik hoef niet helemaal naar boven om te weten dat vanaf de voorzijde het uitzicht bijzonder grauw is, dat het zicht wordt ontnomen door andere flats, door fabrieken en een immense telecomtoren.
Als ik de hoek om rijd, zie ik de zijkant, die volledig is opgetrokken uit bakstenen. Alsof de ontwerpers de opdracht hadden gekregen de flat te ontdoen van alles wat enige luchtigheid kan uitstralen. Ik zie het balkon, waar we dikwijls barbecueden en waar ik stiekem sigaretjes rookte met mijn zus.
En hoewel ik daar nu niet sta, niet uit het raam tuur naar weilanden die allang geen weilanden meer zijn, weet ik dat aan deze kant het uitzicht veranderd is. Op het grasveld waar we voetbalden en waar eens per jaar een circus stond, staan nu majestueuze woningen, veelal vrijstaand en lijkend op de huizen die ik ken uit Amerikaanse films.
Enige tijd geleden las ik in de krant dat de flat al jaren op de nominatie staat om gesloopt te worden, dat het dit jaar of komend jaar echt gaat gebeuren, maar niemand lijkt te weten wanneer precies.
Dat was het moment dat ik op Google het adres opzocht van de woning in Wormer waar ik de eerste zestien jaar van mijn leven woonde. En tot mijn verbazing stond er een advertentie van ons oude huis online op een website voor sociale huurwoningen. Het eerste dat me opviel: dat het maar zevenenvijftig vierkante meter was. En: dat het woord klein wel erg vaak voorkwam voor een advertentie. ‘Bij binnenkomst komt u in de kleine hal’ en ‘de kleine maar complete keuken’. (Hoewel vader eigenlijk altijd kookte, zie ik toch moeder voor me met een schort om met bloemresten en een deegroller in haar handen die böreks aan het maken is.) Er staat dat de woning nog maar twee slaapkamers heeft, omdat de balkonslaapkamer bij de woonkamer is getrokken. (Dat was de kamer van mijn zus en de kamer waar ik mijn ouders voor het eerst met elkaar zag vechten.) Natuurlijk weet ik nog dat de woning niet groot was, maar zo klein? Het huis waar ik nu met mijn vriendin en onze drie kinderen woon is bijna drie keer zo groot.
Mijn ouders waren daar nooit echt gelukkig, ze hadden het er altijd over dat we naar de stad zouden verhuizen, waar veel van hun vrienden woonden, op de dag dat we ons dat konden veroorloven. En ik weet nog dat ik dan protesteerde: nee, alsjeblieft niet weg uit Wormer. Ik had hier vriendjes, ik voetbalde hier.
En pas toen we daar weg waren, toen we wat waren opgeklommen op de maatschappelijke ladder en we waren verhuisd naar een eengezinswoning in een keurige middenklassenwijk in het centrum van de stad, begon ik die plek en die tijd steeds meer te verafschuwen. Of moet ik zeggen: ik zag het eindelijk voor wat het was?
Ik denk dat ik daarom zo laat in de middag pas aankom bij het zwembad. De hele dag heb ik zitten dralen en uitstellen – ik heb zelfs de was gedaan, ik doe echt nooit de was. Meteen als ik over de Zaanbrug rijd, beginnen de beelden uit mijn jeugd door mijn hoofd te spoken. Ik zie hier net na de brug het pand waar eens het gemeentehuis in zat en denk aan hoe ik daar ooit een draagbare spelcomputer won met de vuurwerkinleveractie ‘een lotje voor een rotje’. Dat ik erover droomde om in een van de nieuwbouwhuizen te wonen, die ik hier aan mijn linkerkant zie en die me nu nogal niksig aandoen. Dat ik altijd bang was dat een bekende me naar binnen zag gaan bij de illegale coffeeshop boven de snackbar waarvan ik nu niet op de naam kan komen, waar een oude hippie genaamd Milo aan de bar zat bij wie je matige wiet kon kopen.
Ik zie Michel voor me, die hier om de hoek woonde en moet ineens aan zijn broer denken. Ik kan me zijn naam niet meer herinneren, maar ik weet nog wel dat hij pencak silat-kampioen was. (Ik wist toen nog niet dat die vechtsport weinig voorstelde.) Ik rijd langs het grasveld waar ik hele zomers doorbracht. Dan was ik tenminste in de buurt van het zwembad; het zwembad waar ik geen geld voor had en mijn vriendjes wel.
Alles lijkt hier precies zoals het altijd is geweest, ook in het zwembad. Het hokje waar je een kaartje kunt kopen, het toegangshek, de bankjes, de geur van het zwembadwater, de mensen; ik zie Ingrid, die toen al te zwaar was en nu waggelt in plaats van loopt. Ik zie Joel, een oud-klasgenoot die een Kameroense vader had en wiens bijnaam het n-woord was. Ik zie meer mensen die ik herken van gezicht en ik ben bang dat iemand mij straks herkent, dus doe ik alsof ik ze niet zie.
Meer nog dan dat de fysieke ruimte nauwelijks is veranderd, treft het me dat de mensen precies hetzelfde zijn gebleven. Misschien verbeeld ik het me, maar ik zie levens die al decennialang stil lijken te staan en mensen die het geen enkel probleem vinden dat alles zich altijd zal afspelen op een paar vierkante kilometer.
Dat een plek een fysieke weerstand kan oproepen, een zwembad nota bene.
Maar ik kan niemand anders de schuld geven van het feit dat ik hier nu ben. Dit is mijn eigen idee geweest. Weliswaar geen heel doordachte keuze, ik heb bij gebrek aan betere plannen mijn hand opgestoken toen tijdens de wekelijkse redactievergadering van het intellectuele weekblad waar ik werk werd gevraagd wie welke verhalen zou maken in de zomer. Waar de anderen met ideeën voor profielen van obscure en belangrijke denkers komen, voor essays over de grote problemen van onze tijd, voor verhalen over oorlogen, zeg ik dat ik een stuk wil schrijven over een buurtcamping in Wormer, waar een deel van de campingplekken is gereserveerd voor gezinnen die door geldgebrek niet op vakantie kunnen.
Alsof ik een groot geheim onthul, voeg ik eraan toe dat ik daar heb gewoond, ook al is dat een kwarteeuw geleden. Dat ik zelf uit een gezin kom dat niet op vakantie kon, kunnen ze zelf wel invullen. Dat ik dus iets zou kunnen herkennen in de mensen die daar komen, me waarschijnlijk goed zou kunnen inleven.
Daar komt nog bij dat de buurtcamping op het terrein van het zwembad wordt opgebouwd. Ook daar ben ik in mijn jeugd dikwijls geweest, al vertel ik dat er niet bij. Ik heb een keer een abonnement gehad toen daar toevallig eens geld voor was, waardoor ik er de hele zomer doorbracht. De trots die ik voelde met zo’n oranje geplastificeerde pas in mijn handen. En de teleurstelling als ik na dagenlang vragen, smeken, huilen een jaar later geen nieuw abonnement mocht.
Dan klom ik over het dak naar binnen.
[…]
Copyright © 2025 Rasit Elibol