12! Astrid Lindgrens De gebroeders Leeuwenhart was voor mij een mooi, zielig kinderboek, maar nu ik het herlees - ditmaal in het Noors, om die taal te oefenen - valt het me mee. Het begint vooral met de avonturen van Kruimel (Karel) en zijn oudere broer Jonatan in Nangijala. En verdrietig is dat niet, want hij is weg en hij is dood, maar hij kan in dit land na de dood weer alles. Nog steeds is dit boek spannend en ontroerend, een klassieker die terecht hoog in de Grote Vriendelijke Honderd staat.
Toch is er genoeg verdrietigs aan De gebroeders Leeuwenhart (Bröderna Lejonhjärta (1973), vertaald door Rita Törnqvist-Verschuur, met illustraties van Ilon Wikland). Hun vader is jaren geleden op zee verdwenen, en kort na elkaar overlijden de dertienjarige Jonatan en de tienjarige Kruimel. Jonatan redt zijn broertje uit hun brandende huis, maar overleeft de sprong uit het raam niet. Kruimel, die erg ziek is, overlijdt niet veel later, maar ze treffen elkaar weer in Nangijala, ‘het land van de kampvuren en sprookjes’.
In dat opzicht is Lindgrens boek inderdaad een ‘troostboek’, zoals ze het zelf genoemd heeft, maar het is ook een fantastische avonturenroman. Want in Nangijala is een slechterik aan de macht die het volk onder de duim houdt.
‘Tot op het ogenblik dat ik Tengil van Karmanjaka zag, had ik nog nooit een echt wreed mens gezien.
Hij kwam in zijn gouden sloep over de Oerstroom aanvargen, toen ik samen met Mattias op hem stond te wachten.
Jonatan had me gestuurd. Hij wilde dat ik Tengil zou zien.
“Want dan begrijp je beter waarom de mensen hier tijdens al hun zwoegen en slaven en honger lijden, maar aan één ding denken — aan de bevrijding van hun dal!”
Hoog boven op de toppen van de oerberg had Tengil zijn burcht. Daar woonde hij. Heel af en toe kwam hij over de rivier naar het Bramendal, en dat deed hij om de mensen de schrik op het lijf te jagen, zodat niemand zou vergeten wie hij was en te veel van de vrijheid zou gaan dromen, zei Jonatan.
Eerst zag ik bijna niets. Er stonden zo veel mannen van Tengil voor me. Lange rijen soldaten moesten Tengil beschermen, terwijl hij in het Bramendal was. Hij was natuurlijk bang dat er ergens vanuit een hinderlaag een pijl op hem af zou komen suizen. Tirannen zijn altijd bang, dat had Jonatan gezegd. En Tengil was de wreedste van alle tirannen.
Nee, eerst zagen we bijna niets, Mattias niet en ik ook niet.’
Er schuilt veel tijdloze waarheid in Jonatans woorden, en doordachtheid in Lindgrens herhalingen; zo’n laatste zin verbreedt het eerdere perspectief (‘Eerst zag ik bijna niets.’), we komen vanuit de woorden van Jonatan weer in de daadwerkelijke situatie, waarin Kruimel niet alleen is, en dat benadrukt Lindgren heel mooi met die uitsplitsing naar Mattias en Kruimel. Maar vooral de band tussen de twee broers is essentieel voor dit boek, en de troost die ervan uitgaat dat je een tweede kans krijgt om die zo geliefde persoon weer even mee te maken.
In deze nieuwste editie lees je ook een toelichting op hoe het verhaal ontstaan is, en hoe de eerste ontvangst was. Die was kritisch: kinderboeken zouden realistisch moeten zijn, dit was een versimpeling van de politieke werkelijkheid. Lindgrens weerwoord staat er ook in, en eigenlijk is het feit dat het boek nog steeds gelezen wordt al een weerlegging van de stellingname in de Zweedse pers. Juist het universele van de tegenstellingen in het boek, en het troostvolle perspectief van een wederzien na de dood, blijft generaties na de politieke werkelijkheid van vijftig jaar geleden geldig.
Dus ja, De gebroeders Leeuwenhart is anders dan ik me herinner, maar het gegeven blijft staan, het verhaal blijft mooi. Het is een klassieker die terecht hoog in de Grote Vriendelijke Honderd staat.
Annick van Kessel was de kinderboekenverkoper bij Boekhandel Van Rossum. Vóór haar afscheid — ze werkt nu voor De Schoolschrijver — schreef ze nog over een aantal van haar favorieten in de Grote Vriendelijke Honderd.