We zoeken houvast. Wie vertrouwen we het land toe? Gaat het om internationale bestuurservaring, een betrouwbare indruk, de juiste mening? Welke partij heeft de beste ideeën voor nu en de toekomst, voor mij en de anderen? Moet ik strategisch stemmen voor een zo links mogelijke coalitie of mijn idealen volgen? Daan Stoffelsen twijfelt mee, met Plato en Cicero in de hand.

Er is een plank vol met recente boeken over de nationale politiek, over verkiezingen en de kandidaten, ideeën over economie en kiesstelsel en rechtvaardigheid. Wie wil, is met die boeken voor 29 oktober een politieke junkie, zo deskundig dat geen talkshow je mening wil. Maar helpt het je stemmen?

Daarom een nieuwe poging, geïnspireerd door Bas Heijne, die de grafrede van Perikles gebruikt om na te denken over democratie (in NRC, maar vooral in Voor de democratie). Wat hebben de klassieke schrijvers ons te zeggen? Mannen uit tijden waarin mannen het te zeggen hadden, inderdaad, en democratie verre van representatief was, een soort SGP-droom met slaven — arbeidsmigranten avant la lettre?



Sokrates stelt alleen maar vragen

Natuurlijk heeft Sokrates nooit ‘stem!’ gezegd. Hij bleef daarentegen vragen stellen: wat is goed, wat is rechtvaardig? Wat is goede politiek. Socrates was geen fan van de Atheense democratie, die in zijn ogen om meningsvorming en machtsverwerving draaide, niet om kennis en het algemene belang. De democratie was het voorportaal van een dictatuur — iets wat we zien gebeuren in ‘bevriende naties’ als de Verenigde Staten en Hongarije.

Uit Plato’s De Staat en De Wetten is een technocratisch ideaal te destilleren: filosoof-koningen moesten regeren. Plato Sokrates’ leerling Plato heeft dat nog even echt geprobeerd als adviseur van Dio van Syracuse — maar dat experiment slaagde niet, ze moesten allebei Sicilië verlaten. Sokrates stelt dus vooral belangrijke vragen — rechtvaardigheid —, maar heeft de oplossing niet. De nadruk op expertise blijkt bijvoorbeeld in de Protagoras, waar Sokrates, dan een dertiger, de filosoof, een zestiger bevraagt over wat een goed mens is, in de politiek en het leven, en hoe je dat kan worden. Protagoras zegt dat hij elk van zijn leerlingen leert ‘zijn verstand te gebruiken zowel over zijn eigen zaken, hoe hij zijn vermogen het best kan beheren, als over staatszaken, hoe hij zijn talent moet gebruiken om in het openbare leven een actieve rol te kunnen spelen’. Sokrates vult dat in: het gaat dus om het opleiden van ‘goede staatsburgers’? Hij vervolgt:

‘Kijk, van de Atheners denk ik, net als de andere Grieken, dat ze verstandig zijn. Nu zie ik, wanneer we hier in vergadering bijeenkomen, dat zij voor beslissingen op het gebied van huizenbouw het advies inwinnen van architecten en op het gebied van scheepsbouw het advies van scheepsbouwers. En zo gaat het met alles waarvan ze menen dat het iets is wat geleerd en onderwezen kan worden. Als iemand dan zonder kennis van zaken daarbij een advies probeert te geven, hoe rijk en aanzienlijk hij ook is, hoeveel persoonlijke kwaliteiten hij ook heeft, zien ze geen enkele reden naar hem te luisteren. Ze protesteren en lachen hem uit, totdat hij uit zichzelf het spreekgestoelte verlaat omdat hij zich niet verstaanbaar kan maken, of de politie hem in opdracht van de voorzitter van het podium verwijdert. Maar wanneer het om een politieke beslissing gaat geeft iedereen die het woord neemt advies, of het nu een timmerman is of een smid, een schoenmaker, koopman of reder, of hij nu rijk is of arm, van hoge of van lage afkomst. Dan protesteert niemand dat zo iemand advies probeert te geven zonder dat hij het onderwerp heeft bestudeerd of van iemand les heeft gekregen. Blijkbaar menen ze dat bij politieke beslissingen kennis geen rol speelt.’

Maar wat is die kennis dan?

(Overigens was een van de aanklachten tegen Sokrates dat hij de jeugd corrumpeerde, met name Alkibiades. Al dacht die, bij monde van Ilja Leonard Pfeijffer, daar zelf anders over.)

Quintus Tullius Cicero geeft advies

Marcus Tullius Cicero schreef veel over filosofie, maar was ook zelf politicus. In 63 v.Chr. voerde hij campagne om consul te worden, het hoogste ambt in de Romeinse Republiek. Hij schrijft erover met zijn vrienden en familie. Quintus, zijn broer, stuurt hem een lange brief met lof en aanbevelingen, die apart is uitgegeven, maar ook in Ik en Rome, de volledige vertalingen van zijn brieven.

‘Tot slot: zorg dat je hele campagne één grote show is. Opvallend, prachtig, populair, een show die een onuitwisbare indruk maakt en het hoogste prestige oplevert. En zorg, als het kan, dat je concurrenten in opspraak raken door geruchten van misdaad, wellust of omkoping, passend bij hun karakter.

In deze campagne moet je vooral laten zien dat men van jou voor de staat veel goeds verwacht en dat men een positieve indruk van je heeft. Toch moet je tijdens het campagne voeren noch in de senaat, noch in de volksvergadering politiek actief zijn. Denk eraan dat de senaat op basis van je carrière moet denken dat je pal zult staan voor zijn autoriteit. De ridders en de vooraanstaanden en rijken moeten je vanwege je verleden zien als iemand die zich inzet voor rust en vrede. En de massa moet jou beschouwen als iemand die voor haar belangen opkomt, omdat je in elk geval in je redevoeringen en voor de rechtbank een vriend van het volk bent geweest.’

Moet ik Aristoteles, Plato’s leerling, erbij halen? Die bouwt voort op Protagoras en Sokrates/Plato door zes regeringsvormen te onderscheiden. Moet ik de redenaars noemen, en Quintillianus en zijn De opleiding tot redenaar, die systematisch beschreef hoe je een goed publiek spreker moest zijn? Moet ik de westerse ‘klassieke’ oudheid uitbreiden naar het oosten en Sunzi’s De kunst van het oorlogvoeren noemen? Of de term oprekken in de tijd, en Machiavelli erbij nemen, Hobbes, Rousseau, Locke, Tocqueville, Marx en Engels, Mill?

Het voorbehoud dat alleen mannen aan het woord komen, uit slecht vergelijkbare politieke systemen, blijft. En hoewel kandidaten destijds wel de steun van andere mannen zochten, gaat het niet om partijen. Dus als Plato schrijft over persoonlijke kwaliteiten — kennis, deugdzaamheid en rechtvaardigheid — dan zoek je dat in het partijprogramma en niet alleen in de ‘premierskandidaat’, maar ook in de architecten en scheepsbouwers die achter de lijsttrekker staan. Zij zijn deel van het volk, en komen, zoals Cicero het noemt, voor haar belangen op. Zij zijn niet alleen man, niet alleen wit, en dienen ook de belangen van niet-politieke dieren.

Wat, zou Sokrates dan vragen, zijn die belangen? Wat is rechtvaardig? Is ieder mens gelijk? Helpt je dat om te stemmen?

Daan Stoffelsen is webshopmanager van Athenaeum | Scheltema, classicus en lid van een grote linkse partij — maar op 29 oktober is hij vrijwilliger in het stembureau.