Bas Heijne schreef de inleiding van Aldous Huxleys De tijd van de oligarchen (vertaling Thomas Heij) - na klassieke teksten van Menno ter Braak, George Orwell en Albert Camus. Hij koos een drietal vragen om te beantwoorden. Lees Couperus, lees Berend Sommer, lees Aldous Huxley!



Welk boek heeft je leven veranderd?

De stille kracht van Louis Couperus (1900). Dat boek, dat zoveel meer is dan een anti-koloniale roman en wat mij betreft sowieso de beste Nederlandse roman ooit geschreven, leerde me hoe gemakkelijk mensen opgesloten kunnen raken in hun rigide beeld van de werkelijkheid en vervolgens blind worden voor de ongrijpbare complexiteit van de wereld om hen heen – of zoals Couperus het beschrijft geen oog hebben voor ‘de mystiek der zichtbare dingen’. Met alle desastreuze gevolgen van dien.

Welk boek heeft je hardop doen lachen?

Recent De Reichenbachs, de nieuwe dikke roman van Berend Sommer. Geïnspireerd door zijn voorbeelden Jonathan Franzen, Michel Houellebecq en Bret Easton Ellis durft hij het aan heel het moderne leven in Nederland onder de loep te leggen aan de hand van een dysfunctioneel gezin, waarvan de leden op hilarische wijze op zoek gaan naar betekenis in de leegte. Vooral het tragikomische personage Jaap, de vader in het gezin die wanhopig vastloopt in het bestuurlijke moeras rondom de Omgevingswet, heeft me doen schaterlachen.

Wie moet De tijd van de oligarchen zeker lezen?

Eigenlijk iedereen die iets van de huidige malaise in de democratie wil begrijpen. Huxley is bij ons vooral bekend vanwege zijn visionaire dystopie Brave New World (1932), maar hij was ook een geweldig veelzijdige essayist. In De tijd van de oligarchen, vlak na de oorlog geschreven, voorspelt hij met een verbluffende precisie hoe nieuwe technologie in handen van de machtigen tot een instrument van manipulatie en onderdrukking zal worden gemaakt, waardoor tegenstemmen gesmoord worden en de wereld een speelveld wordt voor wat Huxley ‘boy gangsters’ noemt, puberale maffiabazen. Griezelig goed gezien.