Leesfragment: Diepe aarde

18 februari 2019, door Maria Vlaar

Maria Vlaar krijgt de Biesheuvelprijs 2019 toegekend voor haar bundel Diepe aarde! Lees bij ons een fragment.

Tektonische binnenwerelden in verhalen van liefde, verlies, verrukking en pijn

In Diepe aarde wordt blootgewoeld wat er beweegt onder de deklaag van het dagelijkse. Een stokoude vrouw koestert haar herinneringen aan gezinsgeluk tijdens een verregende vakantiedag: ‘Alles wat er op de wereld was bevond zich op dat moment in een kleine ruimte van tentdoek, acht vierkante meter, twee grote en drie kleine mensen.’ Vlaar vertelt de levensverhalen en liefdesgeschiedenissen van onder anderen een wetenschapper met obesitas, een man met een dubbelleven en een therapeute die haakt naar seks. Verlangend naar verbondenheid krijgen zij allen te maken met verlies, verraad en rouw. In diepe, steeds diepere schachten delft Vlaar de zielenroerselen van die kwetsbare levens: iedereen op zoek naar liefde.



 

Persona

Als de oude man voorzichtig opstaat van de caféstoel bibbert hij van zijn handen tot zijn voeten. Hij voelt niet dat hij met zijn knieholtes de stoel naar achteren doet kantelen – totdat die met een klap net naast het grote raam op de keitjes valt die hier in een decoratieve cirkel in de vloer van het overdekte en afgeschutte terras zijn verwerkt. Hij kijkt niet op of om. Zijn rechterhand tast naar het tafelblad om zijn evenwicht te houden, als de fors jongere vrouw van het toilet terugkomt.
‘Ik ga thuis wel, er staat een rij,’ zegt ze hard in zijn linkeroor. Zo doof is hij dat ze steeds harder tegen hem moest praten tijdens deze eerste date, die nu precies – ze kijkt op haar horloge – drieënveertig minuten duurt. ‘Ik moet boodschappen doen,’ zegt ze terwijl ze haar bontgekleurde sjaal omslaat, ‘want ik moet morgen werken. Ik werk gewoon nog hè, niet zoals jij.’
‘Wat?’ zegt hij en kijkt met zijn hondenogen naar haar op. Ze is mooi, denkt hij, haar kapsel in een roodbruine bob, misschien is ze naar de kapper geweest voor dit afspraakje met hem. Hij glimlacht onzeker naar haar.
‘Dat ik nog niet met pensioen ben, zoals jij!’ roept ze nu keihard door de serre.
Op weg naar het tafeltje in de verste hoek kijken twee mannen die net binnenkomen geamuseerd om. Wielrenners; de speciale schoenen waarmee ze in de trappers klikken klossen als stenen klompen op de kinderkopjes. De wind die van over de rivier aan komt waaien zit nog in hun haren.
‘Vivian brengt geen cent in momenteel,’ zegt de een, terwijl hij het wielrenzweet met een papieren servet van zijn voorhoofd veegt en op de stoel ploft. ‘Er gaat meer uit dan in. Terwijl we min of meer gratis wonen daar aan de gracht. Alleen de kinderopvang is al duizend euro.’
‘Jullie hebben wel twee auto’s hè,’ zegt de ander terwijl hij op de kaart kijkt en probeert te kiezen tussen bitterballen en vlammetjes. ‘Ik heb honger godverdomme. Koud ook. Drie uur gefietst man!’
‘Dat kan niet anders, Vivian is erg op haar vrijheid gesteld. Haar auto is haar vrijheid. Volgende week kunnen we die andere tour doen, van vierenhalf uur. Kunnen we aan.’
‘O, en jij betaalt voor haar vrijheid?’
‘Ze moet toch naar haar moeder kunnen,’ monkelt wielrenner no. 1.
‘Misschien moet jij dan een goedkopere auto nemen, Felix,’ zegt de ander terwijl hij de serveerster wenkt. Hij bestelt twee bruinbier, een portie bitterballen en een portie vlammetjes.
‘Ik rijd iedere dag, ik heb die auto nodig,’ reageert Felix, ‘en hij kost maar vierhonderd euro per maand.’
‘Ik zeg het nog een keer: je hebt een veel te dure auto!’
Er komen twee hippe vrouwen van een jaar of vijfenveertig binnen, in strakke spijkerbroeken en mooie jassen, de een heeft een donkere bos krullen en de ander een plukkerig opgestoken kapsel waarvan mannen zin krijgen om in haar nek te zoenen. Zelfs de wielrenners, dertigers, kijken hoe de vrouwen omstandig hun dure winterjassen uittrekken, hun handen warm blazen, kibbelen over wie welke stoel neemt en dan hun benen over elkaar slaan terwijl ze glimlachjes om zich heen werpen. Ook de oude man krijgt een glimlach toegeworpen terwijl hij bezig is naar de uitgang te schuifelen, achter de kordate vrouw aan die boodschappen moet gaan doen en buiten ongeduldig op haar horloge kijkt. Zevenenveertig minuten van mijn leven verspild, denkt ze, aan een man die mij doet denken aan mijn leraar economie die ik vroeger al saai vond. Ze vertrekt haar mond in een rare grimas, haar rechteroog knijpt dicht, haar linkerwang bolt op zoals bij een hamstertje.
‘Kijk,’ zegt de krullenbol tegen haar vriendin terwijl ze naar buiten wijst, waar wolken aan komen drijven boven de rivier, ‘die vrouw heeft net zo’n tic als jouw zus?’
De ander kijkt even naar buiten, maar ze is te laat, de vrouw met de bob heeft zich al omgekeerd. De oude man probeert zijn handschoenen aan te trekken met de deurklink in zijn hand. Ze heeft roodbruine haren, denkt hij, dezelfde kleur als Corina toen ze nog leefde, en ze is aardig. Jonger dan ik, en dat is fijn want dan kan ze me helpen als het moeilijker wordt om thuis te blijven wonen. Ze heeft wel een rare tic. Ik weet niet of ik kan leven met een vrouw met zo’n tic. Corina had ook een rare gewoonte, ze gebruikte minstens veertig keer per dag lippencrème, uit een rond doosje. Maar daar was ik aan gewend, denkt hij. En ze had wel altijd zachte lippen als ze kusten.
‘Goed,’ zegt de vrouw met het opgestoken haar, ze maakt een extra knoopje van haar blouse open en wappert zich met haar elegante hand wat lucht toe. Ze glimlacht en neemt haar modieuze bril van haar neus, stopt het ene pootje tussen haar lippen waardoor er wat speeksel op haar onderlip glimt, ‘luister eens. Je bent bevriend met mijn zus. Ik ben niet jouw type en jij bent niet mijn type, dat kan. Maar we hebben een gemeenschappelijk belang en daarvoor zitten we hier.’
De krullenbol verstrakt zienderogen, ze gaat rechtop zitten – maak je rug lang, hoort ze in gedachten de yogajuf zeggen, zink met je zitbotten in de grond en reik met je ruggengraat naar de hemel – en pakt de menukaart. ‘Heeft u ook iets gezonds?’ vraagt ze aan de serveerster die vanuit het café de serre binnenstapt met de twee biertjes voor de wielrenners.
‘Dat is een lekker hapje,’ zegt Felix terwijl hij naar de serveerster kijkt en met zijn hand naar zijn kruis in het wielrenbroekje tast. Het meisje – blonde haren in een slordige knot, rode blossen van het steeds de serre inlopen, waar het minstens vijf graden kouder is dan binnen in het café waar de haard brandt – hoort hem niet.
‘Die chick achter wie we net aan reden was pas lekker,’ zegt zijn maat, ‘dit is niks,’ terwijl hij glimlacht naar het meisje dat de twee glazen voor ze op tafel zet.
‘De snacks komen er zo aan hoor,’ zegt het meisje met een hoog, geknepen stemgeluid. Ze hoort het zelf ook, dat haar stem weer zo doet vandaag. Wendel heeft het vorige week uitgemaakt met haar. ‘Ik kan niet tegen je stem,’ had hij gezegd. Sindsdien loopt ze eigenlijk alleen maar te huilen, vanbinnen dan. ‘Werken is goed,’ had haar moeder gezegd, ‘neem zo veel mogelijk extra shifts, dat is het beste middel tegen liefdesverdriet.’
‘Hij heeft er zeker niks over gezegd hè, dat ik met jou zou afspreken?’ zegt de vrouw met het opgestoken haar tegen de krullenbol. Die schudt haar hoofd en begint een beetje bang te kijken. ‘Luister: ik weet alles van jullie. Ik weet dat hij je iedere vrijdagmiddag gaat neuken. En weet je wat zo grappig is, Lucienne: daarna eet hij altijd een extra bord van wat ik voor hem kook. En gaan we naar de film, of naar het theater, en als we thuiskomen hebben we heerlijke seks. Dan zegt hij tegen mij: ik hou van je en dan slapen we in elkaars armen in. Nu jij weer, Lucienne.’

[…]

 

Copyright © 2018 Maria Vlaar

 

Gerelateerde boeken

Wil je van je bestaande account gebruikmaken op onze nieuwe website? Je behoudt dan onder meer je bestelgeschiedenis, reeds aangeschafte e-books en je persoonlijke verlanglijst. Als je toestemming geeft krijg je direct een mail om een nieuw wachtwoord in te stellen.

Voer een geldig e-mailadres in

Hostname: pro-mbooks3