Leesfragment: Zwaag

26 november 2025, door Maria Vlaar

Morgen verschijnt Maria Vlaars biografie Zwaag. De zeven levens van Joost Zwagerman (Open Domein 62)! Wij publiceren voor. Update: Zwaag is het Athenaeum Boek van de Maand december!

Joost Zwagerman liet bij zijn te vroege dood in september 2015 een groot oeuvre na, maar ook veel vragen over zijn leven en zijn alom verbijstering wekkende zelfgekozen dood. Wie was hij als man, zoon, vader, minnaar, vriend, collega? Wie was de schrijver Joost Zwagerman? Waar haalde hij zijn ogenschijnlijk tomeloze energie vandaan? Voor alles was hij een schrijver van zijn (postmoderne) tijd, een man met een dionysisch karakter en een versplinterde identiteit, die de complexiteit van zijn persoonlijkheid maar al te goed besefte.



 

4
Een Maximale dag

Maar poëzie is taal is geil en wil er altijd zijn.

Met zijn lange magere lijf gehuld in een onmodieuze beige trenchcoat leunt Joost tegen de wit gestucte muur in het souterrain van Perdu, het net opgerichte alternatieve literatuurcentrum in De Pijp in Amsterdam. Tussen de andere dichters en schrijvers, allemaal een paar jaar ouder dan hij en meest in leren jacks, is Joost een opvallende verschijning uit de provincie. In de jaren tachtig belandt hij in een anarchistische vrijplaats en een broeinest van nieuwe, revolutionaire kunst, waar iedereen artiest, kunstenaar of schrijver wil worden. Joost weet meteen door te dringen tot de cafés en clubs waar de avant-garde samenkomt. Ook de literaire voorhoede is per onmiddellijk een man rijker. Joost is vastbesloten een nieuwe literaire stroming op te richten. En dan komen de Maximalen op zijn pad.

Coming of age

Een woninkje van zo’n 32 vierkante meter op een steenworp afstand van het Amstelstation, aan dezelfde trap als zijn vriendin Monique de Vries, die er al woont terwijl Joost de pabo in Alkmaar afrondt. Dat is de Jan Bernardusstraat 24, driehoog waarnaar Joost eind 1984 verhuist. Het is afgelopen met de wekelijkse treinreizen tussen Alkmaar en Amsterdam, waarover hij in een ongepubliceerd gedicht schrijft: ‘Ik stelp de vertrektijden. [...] / ik, ik wil wel hier vandaan / en mij inlaten met de lineaire schijn / van het gladde, geelgerande zwerven.’ De gele randen van de perrons langs de route krijgen de betekenis van een rite de passage. ’s Nachts in Amsterdam hoort hij alsnog de langsdenderende treinen, want hij woont vlakbij het spoor. De verhuizing levert een nieuwe serie gedichten ‘Een verhuizing’ op, geïllustreerd door Brecht Swaanswijk: ‘Waarnaar wordt uitgekeken is wat wordt / achtergelaten – kat of zeekoe, behaaglijke woningdieren. / Verkassen, dat is het simuleren van bewogenheid.’ Als hij tussen de dozen (‘tijdelijk rechthoekig’) in het nieuwe lege huis staat mijmert hij: ‘er is geweest zo veel beklemming om mij heen’. Hij inventariseert zijn ‘bezittingen’ die verplaatst moeten worden, tot in de regel: ‘Ik ben wat ik bezit.’
Het is een spannende tijd in de hoofdstad. Amsterdam is een anarchistische stad waar de rafelranden nog gezichtsbepalend zijn, de luttele stukjes stad die niet op de tekentafel zijn geweest, maar spontaan ingevuld door de mensen die er wonen of er tijd doorbrengen. Overal zijn rommelige plekken waar mensen en spullen hun eigen gang lijken te gaan. Omstreeks 1980 is punk over zijn hoogtepunt heen. Er heerst een dubbele sfeer onder jongeren: aan de ene kant zet het No Future-gevoel door en zijn de werkloosheidscijfers torenhoog, aan de andere kant ontwikkelt zich het idee dat iedereen alles kan, dat alles zelf te maken is, ook zonder speciaal geschoold te zijn.
Er is grote woningnood en grootschalig verval in de hoofdstad; de conditie van de huizen is vaak belabberd. In onbewoonbaar verklaarde panden slapen junks die hun heroïne scoren op de Wallen. Rondom het Centraal Station, op de Zeedijk en in de metrostations wemelt het van de vuile naalden en de heroïneverslaafden. Omdat de overheid niet voor verbetering zorgt, nemen veel jonge mensen het heft in eigen hand. In de Staatsliedenbuurt in Amsterdam-West zijn hele straten gekraakt, waarbij gas- en waterleidingen en elektrakabels dwars door de tussenmuren illegaal worden doorgetrokken, en ook in de binnenstad rijgen de kraakpanden zich aaneen. Zo is schuin achter het Koninklijk Paleis op de Dam het voormalige kantoor van het Algemeen Handelsblad gekraakt en ook diverse panden aan de Westermarkt en in de Jordaan, aan de grachten en in de Spuistraat, waaronder de vrijplaats Vrankrijk. Op de Prins Hendrikkade naast de Nicolaaskerk, in de Vondelstraat en op andere plekken in de stad worden ware veldslagen uitgevochten tussen krakers, die barricades opwerpen en met stenen gooien, en de politie en me die er met de lange lat (wapenstok) en traangas op af gaan.
Tijdens de inhuldiging van koningin Beatrix op 30 april 1980 wordt onder het motto ‘Geen woning geen kroning’ in de hele stad gevochten; in de ‘slag om de Blauwbrug’ worden vanaf de zandvlakte waar later de Stopera gebouwd is, politiepaarden ingezet tegen de krakers. stad Radio Amsterdam doet met journalist Stan van Houcke rechtstreeks verslag en in het hele land luisteren jongeren mee.
In De buitenvrouw beschrijft Joost een colonne krakers en punkers uit Alkmaar die op Kroningsdag 1980 het Centraal Station van Amsterdam uit komt terwijl zijn hoofdpersoon, in keurige bandplooibroek, de hoofdstad ontvlucht en naar Alkmaar gaat om met zijn koningsgezinde familie tv te kijken. Dat beeld is geïnspireerd op de ‘stille mars die jarenlang in mijn verbeelding heeft liggen rijpen’, de stroom krakers die Joost die ochtend van 30 april 1980 in Alkmaar uit het gebouw van de Raad van Arbeid aan de Geestersingel ziet komen; Joost is dan pas zestien en kan alleen maar toekijken. Maar nu is hij met wat jaren vertraging dan toch beland in de stad waar alles gebeurt. In het eerste jaar dat Joost in Amsterdam woont worden onder andere het Wyerscomplex aan de Nieuwezijds Voorburgwal en het Bolwerk in de Ferdinand Bolstraat met veel geweld en protest ontruimd. Een jaar later komt de kraker Hans Kok om in een politiecel na rellen bij een ontruiming in de Staatsliedenbuurt, waarover A.F.Th. van der Heijden zijn roman Advocaat van de hanen schrijft.
Wat voor wonen geldt, geldt ook voor muziek en kunst maken, voor piratenzenders op radio en televisie, en voor politiek. Er is enorm veel energie en iedereen wil een rol van belang spelen. Zo zetten de Rietveld-studenten Maarten en Rogier Ploeg met Peter Klashorst de illegale televisiepiratenzender pkp op en wordt niet veel later door onder anderen Menno Grootveld Radio Rabotnik tv opgezet. Mike von Bibikov richt de radicale politieke partij de Reagering op die onder het motto ‘Den Haag uit Nederland, om te beginnen uit Amsterdam’ een eigen politieke partij begint met ambitie de macht over te nemen.
Deze doe-het-zelf-mentaliteit en de overtuiging aan niemand verantwoording af te hoeven leggen, geven richting aan Joosts ideeën over literatuur en vooral over literaire tijdschriften. Je hebt de zogenaamde gevestigde orde niet nodig, je richt gewoon zélf iets op wat toonaangevend wordt: het past naadloos bij wat Joost al doet. Voor de nieuwste muziek, na de punk en new wave, is radio en televisie zelfs niet meer nodig, want je hebt de zelf getapete cassettebandjes die volop worden uitgewisseld. In februari 19817 verschijnt het eerste nummer van poptijdschrift Vinyl, waarin flexidiscs zitten met nummers van de nieuwste bands. Vinyl presenteert de absolute avant-garde van de Nederlandse bands, zoals Mekanik Kommando, Suspect, waarvan de schilder Rob Scholte de zanger is, en Soviet Sex, waarin Ploeg en Klashorst spelen – alle drie Rietveldstudenten. Joost schrijft in 1987 drie columns voor Vinyl.
Hoewel Joost in de beginjaren van Vinyl voornamelijk bezig is met het lezen van klassiekers uit de wereldliteratuur, behoudt hij de neus van de veertienjarige voor alles wat nieuw en toonaangevend is. In Amsterdam heeft hij de mensen, de media en de places to be al op zijn radar, waaronder het jongerencentrum Oktopus op de Keizersgracht, club Mazzo op de Rozengracht en De Koer op de Nieuwezijds Voorburgwal. Rob Scholte, vijf jaar ouder dan Joost, staat als oud-inwoner van Heiloo, Castricum en Egmond a/d Hoef al op Joosts harde schijf. Wat zeer behulpzaam is, is dat Monique een beeldende kunst-opleiding doet en contacten op de Rietveldacademie heeft. Joost schrijft regelmatig met spot over de ‘amechtige provincialen’ die in Amsterdam de hemel komen bestormen, onder wie de geboren Haarlemmer Harry Mulisch, maar zelf is hij net zo’n provinciaal:

Als zij eenmaal een plekje in de hoofdstad hebben bemachtigd, slaan de landverhuizers uit Hoogezand-Sappemeer en Brunssum in hun hunkering naar het volle leven goedgemutst aan het assimileren en kennen hierin geen maat. De geboren Amsterdammer schijnt nieuwelingen uit de provincie feilloos te kunnen herkennen aan de verbetenheid waarmee zij de stadse identiteit uitvergroten en overdrijven. De stad als wijkplaats voor verwachtingsvolle dorpelingen: de fanatiekste stenengooier brult tijdens rellen met de zachtste g, de extravagantste travestiet heeft onder de glitterjurk zware polderheupen, en de in de belevenis van boeren en buitenlui aan het Leidseplein verklonken wereldschrijver zal altijd en eeuwig een Haarlemse pijp blijven roken.

Joost ziet zijn eerste jaren in Amsterdam als zijn coming of age. ‘Het zijn de jaren waarin ik als provinciaal in de grote stad neerdaalde en in een vloek en een zucht een hele vriendenkring opbouwde en allerlei spannende mensen leerde kennen, die mij meesleurden in een leven dat ik geweldig vond.’10 Als hem in 2007 wordt gevraagd van welke club hij eventueel lid zou willen zijn, zegt hij: ‘Ik behoor tot de Amsterdammers.’ Hij voelt zich een echte stadsbewoner ‘die af en toe even naar buiten vlucht en denkt: waar heb ik het aan te danken?’
Terwijl hij zich in de avant-gardistische kunstscene werpt en Amsterdammer wordt, houdt hij zijn doel scherp voor ogen. Joost is er de man niet naar om een radicale partij op te richten, een band te beginnen – ook al zingt hij korte tijd in een bandje op de middelbare school – of een piratenzender op te zetten. Hij heeft zijn zinnen gezet op schrijven, en gaat geheel volgens plan en met goedkeuring van zijn ouders Nederlandse taalen letterkunde studeren aan de Universiteit van Amsterdam.
Het Instituut voor Neerlandistiek is dan nét verhuisd van het Lambert ten Katehuis aan de Herengracht naar het P.C. Hoofthuis, de Letterenfaculteit in een gloednieuw gebouw aan het Singel, pal achter het voormalige postkantoor aan de Spuistraat. Vlakbij, in de Paleisstraat, is café Het Paleis, waar veel toekomstige neerlandici na de colleges neerstrijken. Ook de kunstenaarsgroep rondom Rob Scholte komt er vaak. Er is een entresol met een balustrade waar een grote tafel staat die regelmatig bezet gehouden wordt door de kring rondom Joost. Een keer wijst Joost iedereen aan tafel stuk voor stuk aan: jíj wordt later mijn redacteur, jíj wordt mijn recensent, jíj wordt mijn fotograaf, jíj mijn uitgever, etcetera. Een grap, maar met een serieuze ondertoon. Joost is bloedambitieus. Hij wil een grote worden en selecteert alvast de mensen die hem later kunnen helpen.

[…]

 

Copyright © 2025 Maria Vlaar

Wil je van je bestaande account gebruikmaken op onze nieuwe website? Je behoudt dan onder meer je bestelgeschiedenis, reeds aangeschafte e-books en je persoonlijke verlanglijst. Als je toestemming geeft krijg je direct een mail om een nieuw wachtwoord in te stellen.

Voer een geldig e-mailadres in

Hostname: pro-mbooks3