17 november verschijnt de nieuwe Nederlandse vertaling van Oscar Wildes De ballade van Reading Gaol, vertaald en met een kleine studie over het ontstaan van het gedicht ‘Hoe Oscar Wilde uit de gevangenis ontsnapte’ door Maarten Asscher. Lees bij ons het eerste deel van het gedicht én het eerste deel van Asschers studie.
Het beroemdste gevangenisgedicht aller tijden, zo mag De ballade van Reading Gaol van Oscar Wilde (1854-1900) wel worden genoemd. De 654 regels tellende ballade is een dichterlijk eerbetoon aan de ter dood veroordeelde moordenaar Charles Thomas Wooldridge en tevens een felle aanklacht tegen de onmenselijkheid van de doodstraf en van het hele gevangenissysteem.
Sinds zijn verschijning in 1898 is het werk ononderbroken in druk geweest en is het in vele talen vertaald, ook verschillende malen in het Nederlands, onder andere door Eduard Verkade, Martinus Nijhoff en A. Marja. Schrijver Maarten Asscher, die eerder poëzie vertaalde van Albrecht Haushofer, Fernando Pessoa en Paul Valéry maakte een nieuwe berijmde en metrische Nederlandse vertaling en schreef als nawoord bij deze tweetalige uitgave een kleine studie over het ontstaan van het gedicht.
I
He did not wear his scarlet coat,
For blood and wine are red,
And blood and wine were on his hands
When they found him with the dead,
The poor dead woman whom he loved,
And murdered in her bed.
He walked amongst the Trial Men
In a suit of shabby gray;
A cricket cap was on his head,
And his step seemed light and gay;
But I never saw a man who looked
So wistfully at the day.
I never saw a man who looked
With such a wistful eye
Upon that little tent of blue
Which prisoners call the sky,
And at every drifting cloud that went
With sails of silver by.
I walked, with other souls in pain,
Within another ring,
And was wondering if the man had done
A great or little thing,
When a voice behind me whispered low,
‘That fellow’s got to swing.’
[...]
I
Hij had zijn rode jas niet aan,
Want bloed en wijn zijn rood,
En bloed en wijn zat overal
Toen men hem in de boeien sloot,
Bij de vrouw die hij had liefgehad
En in haar bed gedood.
In sjofel pak liep hij met de
Beklaagden zij aan zij
En met zijn cricketpet op leek
Zijn voetstap licht en blij;
Maar nooit zag ik een man zo droef
De dag bezien als hij.
Nooit eerder zag ik hoe een man
Met ogen vol van leed
Het kleine blauwe vlak bezag
Dat hier de hemel heet,
En elke wolk die hoog voorbij
Op zilveren zeilen gleed.
Met andere zielen moest ik zelf
Ook in een pijnkring gaan,
En vroeg mij af, had deze man
Iets groots of kleins misdaan?
Toen klonk het zachtjes achter mij:
‘Die kerel gaat eraan.’
[...]
maarten asscher
Hoe Oscar Wilde uit de gevangenis ontsnapte
‘Do all men kill the things they do not love?’, zo vraagt de jonge edelman Bassanio aan de joodse koopman Shylock in de eerste scène van het vierde bedrijf van Shakespeare’s The Merchant of Venice. Het is niet een van Shakespeare’s meest memorabele citaten. In de Nederlandse vertaling van L.A.J. Burgersdijk blijft er ook niet veel van over: ‘Brengt iedereen dàt om, wat hem mishaagt?’ Als dit citaat al eens ter sprake wordt gebracht, dan gebeurt dat bij voorkeur in de versie van Oscar Wilde, die er zijn karakteristieke draai aan gaf. In een typisch wildeaanse omkering maakte hij het zelfs wereldberoemd, als een van de terugkerende sleutelverzen in zijn gedicht The Ballad of Reading Gaol uit 1898: ‘Yet each man kills the thing he loves’, oftewel: ‘Maar ieder doodt wat hij bemint.’
De in 1854 in Dublin geboren Oscar Wilde keerde niet alleen dat ene Shakespeare-citaat om, hij zette wel meer op zijn kop: met zijn eclatante culturele showmanship verstoorde hij de gevestigde orde van de Londense society in de jaren tachtig en negentig van de negentiende eeuw. Met zijn geestige en paradoxale, maar geenszins onschuldige blijspelen, waarin overspel, omkoping en politiek machtsmisbruik aan de orde werden gesteld, schokte hij de betere kringen, zoals hij met zijn openlijk beleden homoseksualiteit de schijnheilige Victoriaanse moraal binnenstebuiten keerde.

Getekende impressies uit het sensatieverhaal van Oscar Wilde’s leven, ten tijde van zijn strafproces in mei 1895.
Dat alles droeg bij aan zijn tragische val in 1895. Na twee jaar gevangenisstraf met dwangarbeid wegens de in die tijd strafbare ‘grove onzedelijkheid’ van de mannelijke homoseksuele liefde probeerde Wilde, als laatste in een reeks van omwentelingen, ook nog het Engelse strafrecht en gevangenissysteem te hervormen. Dat deed hij in de vorm van een tweetal ingezonden artikelen in de Daily Chronicle en een lang gedicht onder de titel The Ballad of Reading Gaol, ‘gaol’ zijnde een oude spellingswijze van het Engelse woord voor gevangenis, ‘jail’. Hoewel die gevangenisballade vanaf haar allereerste verschijning meteen groot succes had en een strofe eruit zelfs expliciet geciteerd werd tijdens de parlementaire beraadslaging over de nieuwe Prisons Act van 1898, zou het tot 1967 duren voordat de Engelse wetgeving zodanig werd aangepast dat vrijwillig seksueel verkeer tussen volwassen mannen in de beslotenheid van het privéleven vrijelijk werd toegestaan. En de vraag of dankzij het martelaarschap van Oscar Wilde – en zovele anderen – het gevangenissysteem in Engeland (of elders ter wereld) in de afgelopen eeuw wezenlijk humaner is geworden, is ook nog niet zo gemakkelijk te beantwoorden.
In elk geval zijn de persoon en het schrijverschap van Oscar Wilde in diverse kleine en grote revoluties betrokken geweest: literair, sociaal, theatraal, seksueel en strafrechtelijk. Het is interessant om na te gaan hoe deze geest van protest en omwenteling terug te vinden is in The Ballad of Reading Gaol. Aan die beroemd geworden ballade begon de schrijver spoedig na zijn vrijlating uit de gevangenis in mei 1897. Het zou zijn laatste voltooide werk worden.
In het bijzonder is het de vraag hoe dit gedicht over de executie van een ter dood veroordeelde gevangene te lezen valt, tussen wat enerzijds een poëtisch schotschrift is tegen een onmenselijk gevangenissysteem en tegen de doodstraf en anderzijds een autobiografie in versvorm over de door de auteur zelf doorstane ellende tijdens zijn twee jaar durende opsluiting. Afwisselend heeft het gedicht het verwijt gekregen dat het te pamflettistisch is, en dan weer dat het juist – net als Wilde’s andere poëzie – te gekunsteld zou zijn.
Wilde zelf worstelde expliciet met de realistische en de romantische krachten die in het gedicht met elkaar wedijveren: ‘Het gedicht heeft te lijden onder het probleem dat het stilistisch verschillende dingen beoogt. Deels is het realistisch, deels romantisch; deels is het poëtisch, deels propagandistisch,’ zo schreef hij tijdens het scheppingsproces aan zijn goede riend en latere executeur-littéraire Robert Ross. Nicholas Frankel, die een uitgebreide studie schreef over Wilde’s laatste levensjaren, noemt het zelfs ‘een hybride productie’. In elk geval raakte de auteur danig verstrikt in de innerlijke tegenstellingen die hij bij de conceptie van zijn ballade had opgeroepen.
Maar is die tweestrijd in het gedicht inderdaad een probleem, zo luidt de vraag, en hoe valt dat probleem dan te duiden? Slaagde de auteur erin om zich uit deze thematische en vormkunstige tegenstelling te bevrijden? Zo ja, dan zou je dat wel mogen betitelen als een wonderbaarlijke ontsnapping uit de gevangenis die zijn traumatische herinneringen nog altijd voor hem vormden, zo kort na zijn invrijheidsstelling.
Om over dit alles iets zinnigs te kunnen zeggen is het zaak ons eerst te richten op de directe aanleiding voor het gedicht. Daarvoor moeten wij teruggaan naar de noodlottige zondag van 29 maart 1896, naar het dorpje Windsor in het Engelse graafschap Berkshire.
[...]
© Nederlandse vertaling Maarten Asscher en Boom uitgevers Amsterdam
© ‘Hoe Oscar Wilde uit de gevangenis ontsnapte’, Maarten Asscher