Vanaf 1 mei in onze boekhandels: Oscar Wilde’s Crucifix. Een biografisch experiment van Maarten Asscher! Wij publiceren voor. Lees nu een fragment en reserveer je boek.
Al sinds zijn jongensjaren is Maarten Asscher gefascineerd door Oscar Wilde, door zijn werk en ook door zijn leven. Er zijn duizenden studies en honderden biografieën over deze cultfiguur geschreven, maar nog nooit is het raadsel opgelost van de gouden crucifix die Wilde als student in 1876 aan zijn eerste grote liefde Florence Balcombe schonk. Twee jaar later verrast ze Oscar door plotseling te trouwen met een andere jonge schrijver uit Dublin, Bram Stoker, de toekomstige auteur van Dracula.
In een vermakelijke biografische vertelling, die nog het meest lijkt op een detectiveachtige speurtocht, doet Maarten Asscher een poging de raadsels van deze Victoriaanse liefdesdriehoek op te lossen. Het resultaat werpt een verrassend licht in de duistere hoeken van Bram Stokers vampiristische fantasie, en het boek is tegelijk een schitterende ode aan de verbeelding.
En bekijk de registratie van de presentatie bij SPUI25:
Voorwoord
De biografie is zowel het meest ambitieuze als het meest basale literaire genre.
Niets is zo onvoorspelbaar als het verleden.
In het hervertellen van één enkel mensenleven komen alle literaire vormen en krachten samen.
Toeval overtuigt alleen in het werkelijke leven. In boeken en in films is datgene wat als toevallig wordt gepresenteerd altijd vatbaar voor het verwijt van onwaarschijnlijkheid.
Details zijn bijna altijd belangrijker dan details, terwijl hoofdzaken meestal helemaal niet zo doorslaggevend zijn.
Elke nieuwsgierigheid komt voort uit een mate van overdrijving.
De media schijnen te denken dat jong zijn het meest verkieslijke menselijke talent is, en het vervelende is dat ze nog gelijk hebben ook.
Alles wat werkelijk interessant is, is ingewikkeld, maar niet alles wat ingewikkeld is, is ook interessant.
Geloofwaardige feiten en levensechte personages vormen geen garantie voor een geslaagd verhaal; integendeel, zij behoren juist tot de obstakels die de auteur moet overwinnen.
Kunstenaars en schrijvers moeten slechts datgene maken wat zij naar hun gevoel als enige kunnen maken. De rest moeten ze aan anderen overlaten.
De ‘gehele waarheid en niets dan de waarheid’ vertellen is onmogelijk.
Het voorbijgaande ogenblik en het menselijk individu zijn het kleingeld dat op tafel achterblijft, zodra de geschiedschrijvers zijn vertrokken om aan hun boeken te gaan werken.
Hoe meer je in een boek verzint, des te persoonlijker het wordt.
Als je hetzelfde verhaal in andere woorden vertelt, vertel je een ander verhaal.
Boeken indelen in genres is iets voor bibliothecarissen en winkeliers; schrijvers en lezers moeten vrijuit rondneuzen en zich niet laten aanlijnen.
Een leugen komt des te plausibeler over, als hij een kern van waarheid bevat.
De verbeelding is nog veel onbetrouwbaarder dan het geheugen.
Een gedachte die je niet onder woorden brengt, is nog helemaal geen gedachte.
Alles wat een boek aan diepgang ambieert, moet aan de oppervlakte van de taal worden waargemaakt.
Als je van historische feiten een verhaal maakt, dan ben je aan het fictionaliseren, ook wanneer je het resultaat een biografie noemt.
De waarheid, als die bestaat, kan slechts door de verbeelding worden onthuld.
Elke biografie is,
net als ieder leven zelf,
een experiment.
1
Einde
Reginald Turner kijkt naar het gezicht dat hem tot voor kort zo vertrouwd was, maar dat nu – dag na dag, uur na uur – steeds meer van zijn trekken aan het verliezen is. Geleidelijk verdwijnt de kleur uit de wangen en de hals, en misschien is het enkel dankzij het schemerige middaglicht in de kamer dat de verslechterde conditie van de patiënt niet duidelijker zichtbaar is. Tegen de rechterslaap ligt op het kussen een zak met ijs om de pijn te stillen.
De rust die uit de slapende ademhaling spreekt is niet alleen bedrieglijk, bedenkt Reginald, maar ook onheilspellend. Waarschijnlijk stormt het juist enorm achter de gesloten oogleden. En de pijn? Sinds de ambassadedokter het toedienen van nog meer opium verboden heeft, wordt er af en toe een nepinjectie gegeven. Zou dat nog iets uithalen, of is zijn bewustzijn al zo ver weggezakt dat pijn hem niet langer bereikt?
Met enige huiver denkt Reggie aan de uitgevoerde ooroperatie. Ook al heeft hij die niet zelf bijgewoond, het gedetailleerde verslag dat hij ervan kreeg, gaf hem niet slechts het gevoel dat hij er wel degelijk bij was geweest, maar zelfs dat híj het was die de ingreep had ondergaan. Het wezen van pijn kan niet door een ander worden meegevoeld, maar als je zelf niet goed tegen pijn kunt, iets wat Reggie vroeger als jongen al aan zichzelf heeft toegegeven, kun je ook het lijden van een ander des te moeilijker verdragen.
Anderhalve maand na die operatie ligt de patiënt nu, ondersteund door extra kussens, bewegingloos op zijn rug. Op grond van de regelmatige ademhaling zou je kunnen denken dat het hem nog best redelijk gaat, maar onwillekeurig maakt Reggie zich een voorstelling van de onsamenhangende gedachten en angsten die door de hersens van zijn vriend heen en weer fladderen als vleermuizen in het donker: nachten in een klamme cel, beledigingen op straat, diepe pijn in zijn hoofd. Dood zijn is vrede, maar sterven is een oorlog tegen bovenmenselijke krachten. De drukkende stilte in de kamer voelt dik en warm aan, en de ruisende, soms enigszins raspende ademhaling vanuit het bed vermengt zich met het suizen van de gaskachel.
Op een smalle strook licht na zijn de gordijnen dichtgetrokken. Soms klinken er voetstappen van een voorbijganger. Op deze grauwe novembermiddag lijkt het alsof het al avond is, en het gebloemde behang is in het halfduister tot een egaal bruingrijs gereduceerd. Af en toe wordt de deur van de hotelkamer zachtjes geopend. Dan is het de hoteleigenaar Dupoirier die even bij zijn locataire komt kijken of de ambassadedokter, voor een controle. Vanochtend was de dokter uitgesproken pessimistisch, net als gisteren. Er is weinig verandering te bespeuren en zeker geen verbetering, aldus zijn bevindingen. De dokter heeft overigens vreemde manieren om de toestand van zijn patiënt te controleren. Zo vroeg hij de zieke gisteren – of was het eergisteren? – om te fluiten, en hij knikte bevestigend toen hem dat niet lukte. Wat zegt dat in ’s hemelsnaam?
[…]
Copyright © 2025 Maarten Asscher