Leesfragment: De blauwe schuit

15 juni 2022, door Shūgorō Yamamoto

Shūgorō Yamamoto’s klassieke Japanse roman De blauwe schuit (Aobeka monogatari) in de vertaling van Jacques Westerhoven. Lees bij ons een fragment.

Het is 1928. Een onbekende jonge schrijver huurt een huisje in Urakasu, een vissersstadje dat qua afstand niet ver van Tokyo ligt, maar waar hij zich bijna op een andere planeet waant. Daar koopt hij een wrakkig bootje waarmee hij de omgeving verkent, en tegelijkertijd leert hij de bevolking van het stadje kennen. Zo komt hij meer aan de weet over ‘emmergekken’, filosofische vissers, ondernemende schooljongens, eenden, krabben en strandkastanjes.

De sfeer en lichte toon maken dat De blauwe schuit ongeëvenaard is qua humor en stille tragiek. De prachtige portretten die Yamamoto schetst doen denken aan Antoon Coolens Dorp aan de rivier. En dankzij de vaak humoristische verwikkelingen heeft De blauwe schuit ook iets van de rakugo, anekdotes met een pointe volgens de Japanse literaire traditie. Zeker is dat Yamamoto’s verbeeldingskracht onweerstaanbaar is, veel scènes raakt de lezer nooit meer kwijt.

 

Hoe ik de blauwe schuit kocht

De eerste keer dat ik Ouwe Yoshi zag, was in het strandhuis van ‘het oosten’. Het was winter, en dan werd het strandhuis altijd gesloopt, zodat er nu niets meer van over was dan het halfvergane rietscherm dat als dak diende en een halve bank – als dat de juiste naam is voor een paar ruw aan elkaar getimmerde planken. Omdat het kanaal dat het stadje doorsneed in het oosten uitmondde in zee, had de bevolking dit hele strand de vage naam ‘het oosten’ gegeven.
In elk geval, daar zat ik naar de zee te kijken. De spijkers van de planken zaten los, dus ik moest half op mijn benen rusten om te voorkomen dat de bank uit elkaar viel. Het was eb, en de zee had zich zo ver teruggetrokken dat er een heel stuk modderig wad was drooggevallen, waar het water van het kanaal als een smalle, grauwe streep doorheen stroomde. Opeens voelde ik de bank wiebelen. Geschrokken zette ik me schrap en keek om. Een oude man was vlak achter me komen zitten en haalde net, met een gezicht alsof hij me totaal niet opmerkte, een ouderwetse tabaksbuidel uit zijn zak. Ik richtte mijn blik weer op de zee, hoewel een deel van mijn aandacht op mijn voeten gevestigd bleef.
‘Jaren terug waren ze van plan hier iets neer te zetten.’ De oude man sprak zo luid alsof hij het tegen iemand had die honderd meter bij hem vandaan stond. ‘Ik zat me al blij te maken. Mooi, dacht ik, ze gaan hier wat bouwen. Maar d’r is nooit wat van gekomen.’
Ik zei niets. Ik zag alleen de oude man, maar ik had het gevoel dat hij iemand bij zich had. Er kwam echter geen antwoord. De oude man sloeg zijn pijp een paar keer hard uit en stopte hem toen vol, maar het roer was half verstopt en piepte en gorgelde als een astmapatiënt. Elke keer dat hij een trek nam, hoorde je teer borrelen.
‘Dat was jaren geleden, nog voor Tsuyu’s moeder met de eigenaar van de katoenwinkel trouwde,’ zei de oude man. Hij sprak nog net zo luid. Hij was even stil en sloeg weer met zijn pijp. Na het derde trekje schreeuwde hij: ‘Maar ze hebben nooit wat gebouwd!’
Ik hield mijn mond maar dicht.
De tweede keer was in de Miljoen Meter. Het was lente, maar er stond een straffe wind. Ik liep over het pad dat langs een kanaaltje van de Tweede Inham leidde naar de schrijn die daar stond. De wildernis had niets aantrekkelijks, ze was alleen maar uitgestrekt, maar daar middenin, in een cirkel van zes of zeven knoestige, kromme dennen, stond een kleine, oude, vervallen, onbewoonde schrijn gewijd aan de godin Benten. Deze godin mocht zich vroeger in een grote populariteit verheugen; de dames van de nacht kwamen in lange rijen van her en der om deze schrijn te bezoeken. Wat voor uitwerking hun devotie had, wisten de plaatselijke bewoners ook niet, maar nog niet zo lang geleden was haar eredienst zo razend populair dat er geen eind kwam aan de stoeten bedevaartgangers. Zelfs kleine kinderen konden je vertellen dat het in de voorhof van de schrijn zo’n gezellige drukte was dat je je in een andere wereld waande.
De sterke wind droeg de geur van de zee met zich mee, maar ook een luide stem die me plotseling van achteren aanriep. Ik schrok zo dat ik bijna de lucht in sprong. Toen ik omkeek, zag ik de oude man vlak achter me. Hij droeg een gewatteerde broek en een zwaar opgelapt, gestreept blauw jak dat zijn kleur in de was grotendeels had verloren, en rond zijn gezicht had hij een grijze handdoek gewikkeld. Dit was het gebruikelijke kostuum van de vissers in deze streek, alleen was het niet langer het juiste seizoen voor die gewatteerde broek.
‘Wil jij geen boot kopen?’ riep hij toen hij me had ingehaald. ‘Ik ben m’n sigaretten vergeten. Heb jij ’r toevallig geen bij je?’
Ik overhandigde hem mijn sigaretten en lucifers. Hij viste een sigaret uit het doosje, stak hem tussen zijn lippen en streek behendig een lucifer aan in de harde wind. Na zichzelf een vuurtje te hebben gegeven, stak hij sigaretten en lucifers in zijn zak.
‘Ik heb ’n prima boot voor je,’ schreeuwde hij, zo hard dat het leek of hij het tegen de kromgegroeide den had die tweehonderd meter voor ons stond. ‘Prima boot met ’n prima prijs. Niks voor jou?’
Het leek of hij van tevoren had geweten hoe mijn antwoord zou luiden, want hij vertoonde geen enkele reactie. Hij doofde de sigaret op de grond, stak de peuk achter zijn oor en snoot zijn neus met zijn vingers.
‘Vertel ’s,’ zei hij toen we een eindje door waren gelopen. Nu sprak hij met een gewone stem. ‘Wat kom je in Urakasu doen?’
Na enig nadenken vertelde ik hem dat.
‘Hm.’ Hij schudde zijn hoofd. Toen schreeuwde hij met dezelfde luide stem als daarnet: ‘Dat gaat boven m’n pet. Heb je ’n baan?’
Toen ik hem vertelde wat voor werk ik deed, moest hij even nadenken.
‘Met andere woorden, je bent werkloos,’ riep hij. ‘Heb je dan geen zin om te trouwen?’
Ik gaf geen antwoord. Toen we uit elkaar gingen, gaf hij me mijn lucifers terug, maar toen ik om mijn sigaretten vroeg, werd hij plotseling doof. Hij vroeg een paar keer wat ik zei, tot ik tot het inzicht kwam wat voor vrek ik was en me diep begon te schamen.
De derde keer was in Nedogawa, een eethuis in westerse stijl aan de Stoombotenkaai. De hal vlak achter de deur was de eetzaal, maar verder naar achteren was een kamer waar vissers en bemanningsleden van de stoomschepen (of ‘veerboten’, zoals ze ter stede bekendstonden) ’s avonds zaten te drinken en soms bijzonder luidruchtig werden. Op een dag zat ik rond een uur of twaalf op een krakkemikkige stoel aan een tafeltje in de eetzaal aan mijn lunch van rijst met een varkenslapje en een fles bier, toen de oude man plaatsnam tegenover me.
Nu voel ik me als ik buiten de deur eet niet op mijn gemak tenzij ik iets bij me heb om te lezen, en dat was toen ook al zo. Ik was net verdiept in Een blauw boek, dus toen de oude man tegenover me ging zitten las ik zo naarstig verder dat ik mijn ogen nauwelijks van de bladzijde afhaalde, zelfs niet terwijl ik mijn varkenslapje verorberde en mijn bier dronk.
Een vrouw kwam de eetzaal binnen.
‘Wat wil je eten, Yoshi?’ vroeg ze.
‘Mmm,’ zei de oude man. ‘Moeder de vrouw is niet thuis dus ik dacht, laat ik hier ’s heen gaan om wat te eten, en nou zit ik te piekeren wat ik zal bestellen.’
‘Pieker dan niet te lang, daar wordt ons eten echt niet lekkerder van.’
Terwijl hij zijn blik op mij gevestigd hield – ik wist dat hij me vanaf het ogenblik dat hij aan mijn tafeltje was komen zitten voortdurend in de gaten had gehouden – terwijl hij dus zijn blik op mij gevestigd hield, schreeuwde hij in zijn gebruikelijke stentorstem: ‘Geef me ’n glas bier, wil je?’
‘Bier in ’n glas?’ zei de vrouw. ‘Je bent niet wijs! Je zal ’n borrel bedoelen.’
In Tokyo verkochten ze bier per glas, zei de oude man. Ja, in bierhallen, zei de vrouw. Niks bierhallen, zei de oude man; in eethuizen waar je varkenslapjes of rijst met kerrie kon eten. Dat waren getapte biertjes, zei de vrouw, en die kwamen uit een vat; daarom konden ze ook per glas worden verkocht. Maar als je dat met een fles probeerde en je verkocht maar één glas, ging de rest van de fles naar God. Nou, als de rest naar God ging, zou Die d’r later wel voor belonen, schreeuwde de oude man.
Ik wist dat ik in een val zat waaruit ik niet kon ontsnappen. Mijn fles was nog voor een derde vol, dus ik zette hem voor de oude man neer en zei wat gezegd moest worden.
‘Weet je ’t zeker?’ vroeg hij, maar niet voordat hij de vrouw had toegebruld: ‘Glas!’
Toen richtte hij zijn ogen weer op mij.
‘Je hebt toevallig je sigaretten niet bij je?’ vroeg hij.
Op het horen van mijn antwoord, zei hij: ‘Wat gaf je ’t idee dat ik ’r nou een op wil steken?’
Chō – eigenlijk Chotaro, maar zo werd hij maar zelden genoemd – was de derde zoon van de eigenaar van de Duizend Hengels, een logement voor sportvissers, en van hem kwam ik iets meer over de oude man te weten. Er kon in Urakasu niets gebeuren zonder dat Tama, het dochtertje van de mandenmaker, en Chō van de Duizend Hengels me daar uitvoerig verslag van uitbrachten. Allebei zaten ze in de derde klas van de lagere school.
De oude man heette Yoshi. Hij woonde samen met zijn vrouw achter de ‘drie dennen’ en hij werkte als pakhuisbewaker voor de Grote Vlinder. De Grote Vlinder was de grootste conservenfabriek van het stadje en hield er een eigen schip op na – toepasselijk de ss Grote Vlinder geheten – om de schelpdieren die de vissers uit zee opdregden nog op het water van hen te kunnen kopen.
Op mijn vraag schudde Chō zijn hoofd.
‘Nee, dat niet,’ zei hij. ‘Er is zo veel herrie in de fabriek dat iedereen met zo’n immese stem praat.’ (In het plaatselijke dialect betekent ‘immes’ natuurlijk ‘hard’ of ‘groot’.) ‘Soms doet Ouwe Yoshi net of-ie doof is,’ vervolgde Chō. Maar dat wist ik al.
Daarna kwam ik Ouwe Yoshi ook zo nu en dan op straat tegen, maar dan keek hij dwars door me heen en besteedde net zo veel aandacht aan me alsof ik een stok of een steen was. Ontdaan van de handdoek was zijn gezicht klein en mager en zijn hoofd kaal en gebruind in zon en zeewind; op zijn achterhoofd had hij nog een heel klein plukje grijs haar, en zijn wangen en kin werden bedekt door een stoppelbaard zo dun dat je net als bij een oude borstel elk zilver glinsterend haartje kon tellen. In zijn ogen gloeide een dof, kil, onmenselijk licht, en om zijn bijna onzichtbaar dunne lippen speelde een sluwe glimlach die de spot dreef met alles en iedereen.
Als ik eerlijk moet zijn, was zo’n soort gezicht niet alleen typisch voor Ouwe Yoshi, maar voor veel inwoners van Urakasu. Maar omdat ze zich de gewoonte hadden aangewend de toeristen die het stadje elk seizoen bezochten – hengelaars, schelpengravers, badgasten – ‘lekker te knijpen’, waren ze in staat om die doffe, kille ogen en sluwe mond onmiddellijk om te toveren tot een gedienstige glimlach.

 

© Copyright vertaling 2022 Jacques Westerhoven

Gerelateerde boeken

Wil je van je bestaande account gebruikmaken op onze nieuwe website? Je behoudt dan onder meer je bestelgeschiedenis, reeds aangeschafte e-books en je persoonlijke verlanglijst. Als je toestemming geeft krijg je direct een mail om een nieuw wachtwoord in te stellen.

Voer een geldig e-mailadres in

Hostname: pro-mbooks3