Leesfragment: ‘Alla maniera classica’. Bij Primo Levi, Is dit een mens

20 juni 2023, door Maarten Asscher

In de aanloop naar het nieuwste deel, Toni Morrisons Teer, in september, publiceren we op deze site nawoorden van de Perpetuareeks, om bij alle klassiekers verdiepende teksten te bieden. Bijvoorbeeld Maarten Asschers nawoord bij Primo Levi’s Is dit een mens (Se questo è un uomo) in de vertaling van Frida De Matteis-Vogels.

De weinige overlevenden van Auschwitz hebben zonder uitzondering heel veel geluk gehad. Maar dat geluk is niets bij de narigheid die ze dagelijks moesten zien en ondergaan. Primo Levi laat dat duidelijk uitkomen in het verslag van zijn verblijf; onder de oppervlakte van een schijnbare objectiviteit voelt de lezer het bloed koken van een man die tot in zijn merg is gekrenkt. De emotionele kracht van het schijnbaar feitelijke relaas heeft ervoor gezorgd dat Is dit een mens van alle boeken over de shoah de grootste ontroerende kracht uitoefent.



 

In de op een na hoogste klas van een lagere school ergens in Italië heeft Primo Levi over zijn werk als schrijver gesproken. Een jongetje wil weten waarom Levi indertijd niet heeft geprobeerd uit het concentratiekamp te ontsnappen. De schrijver legt nogmaals in het kort uit hoe de situatie in het kamp was, dat er van ontsnappen simpelweg geen sprake kon zijn. Desgevraagd tekent hij op het schoolbord een ruwe plattegrond van het kamp, terwijl de dertig kinderen in de klas toekijken. Het ene jongetje is vooral geïnteresseerd in de positie van de wachttorens, de poorten,de versperringen en de elektrische centrale. Hij heeft het volgende bedacht en komt het even bij Levi’s tekening uitleggen: hier had hij ’s nachts de schildwacht moeten kelen; dan diens kleren aantrekken, meteen daarna naar de elektrische centrale rennen en de stroom uitschakelen, zodat de schijnwerpers uitgingen en de stroomdraadversperring onklaar werd gemaakt; daarna had hij rustig kunnen weglopen. Het jongetje besluit zijn exposé met de woorden: ‘Als het u nog eens zou overkomen, moet u doen wat ik gezegd heb. U zal zien dat het lukt.’
Deze herinnering, door Primo Levi opgetekend in het hoofdstuk ‘Cliches’ uit De verdronkenen en de geredden, is om te beginnen al veelbetekenend omdat het tafereel de schrijver toont in zijn zuivere rol als getuige: op bezoek bij een lagere school om kinderen van tien, elf jaar oud te vertellen wat de jodenvervolging door de nazi’s inhield en wat hij in Auschwitz heeft meegemaakt. Bovendien toont het verhaal, en dat in een wel zeer onschuldige vorm, het onbegrip waarmee de verhalen over de Duitse concentratie- en vernietigingskampen in de eerste decennia na de Tweede Wereldoorlog werden aangehoord. Dat onbegrip valt tot op grote hoogte te billijken, want het onvoorstelbare laat zich niet gemakkelijk begrijpen. Dergelijk onbegrip, wel te onderscheiden van de onwil om het gebeurde te erkennen, vormt in feite het spiegelbeeld van de onschuld waarmee talloze joden uit heel Europa zich eind jaren dertig, begin jaren veertig op transport hebben laten zetten.
Ook de vijfentwintigjarige chemicus Primo Levi wist totaal niet wat hem boven het hoofd hing op het moment dat hij in december 1943 door de fascistische militie werd opgepakt. Het leek hem zelfs verstandig te zeggen dat hij jood was in plaats van toe te geven dat hij lid was van een, overigens amateuristisch georganiseerde, partizanengroep. Toen hij twee maanden later vanuit het Italiaanse doorgangskamp Fossoli di Carpi in een transport van totaal circa 650 mensen voor een lange en uitputtende treinreis in veewagons naar een hem onbekende plaats genaamd Auschwitz werd vervoerd, dacht hij aanvankelijk dat het om Austerlitz ging, een stadje in Moravië, waar sinds de daarnaar genoemde Napoleontische veldslag in 1805 historisch gesproken niet veel opmerkelijks meer is gebeurd.
Zoals uit de openingshoofdstukken van Is dit een mens blijkt, veranderden de onschuld en de onwetendheid van wie naar Auschwitz werd getransporteerd zonder noemenswaardige overgang in totale ontreddering en het besef van absolute kansloosheid. Niet voor niets gebruikt Levi het woord inwijding als het gaat om de volstrekt nieuwe werkelijkheid waarin hij terechtkwam. Het leven moest als het ware geheel opnieuw geleerd worden, volgens wetmatigheden en regels die aanvankelijk even onvoorstelbaar als onbegrijpelijk waren. Het ondergaan van alle sadistische rituelen en onmenselijke omstandigheden, en het aanleren van de gedragingen en sluwheden die de kans op overleven een fractie groter maakten, vormden bij elkaar een zodanig ingrijpend curriculum dat het de Pools-Joodse politicoloog Menachem Arnoni ertoe bracht zich een ‘afgestudeerde van de universiteit van Auschwitz-Birkenau’ te noemen.
Die op het eerste gezicht merkwaardige formulering geeft goed aan dat de weinigen die de hel van het concentratiekamp overleefden vanuit hun als het ware zeer ‘specialistische’ belevenissen dikwijls de grootste moeite hadden om de gebeurtenissen uit te leggen aan de ‘leken’ die het niet hadden meegemaakt. Anno 1946, dat wil zeggen luttele maanden na zijn terugkeer in Italië, betekende dat voor iemand als Levi, die niet slechts de bedoeling had om feiten te rapporteren, maar die zijn ervaringen ook met een literaire pen vorm wilde geven, dat er drie problemen moesten worden overwonnen, afgezien nog van het terugveroveren van zijn lichamelijke en geestelijke gezondheid. In de eerste plaats moesten de onvoorstelbare feiten van zijn belevenissen correct op een rij worden gezet (zonder dat hij kon terugvallen op aantekeningen of algemeen beschikbare documentatie). In de tweede plaats moest hij aannemelijk maken hoe juist hij met slechts drie anderen uit de oorspronkelijke groep van vijfenveertig mensen in hun veewagon het kamp had overleefd. In de derde plaats moesten die teksten bij elkaar een boek opleveren dat uitgegeven en door het publiek gelezen kon worden. Hoewel Primo Levi in deze drie opzichten naar omstandigheden bewonderenswaardig in zijn opzet geslaagd is, heeft  hij met alle drie aspecten ook het nodige te stellen gehad.
Wat het feitelijk gehalte van zijn boek betreft, was vermoedelijk het grootste probleem voor Levi, naast het toelaten en reconstrueren van de herinneringen zelf, om zijn pen niet louter in woede en verontwaardiging te dopen. In de gedichten die hij in de eerste maanden na zijn terugkeer schreef stond hij zich een heftiger reactie toe, maar nu wilde hij een zodanige toon zien te vinden dat niet de auteur (als getuige) maar de lezers (als rechters) het oordeel over de gebeurtenissen zouden vellen. De overtuigingskracht van Is dit een mens zit hem dan ook onder andere in de paradox dat Levi zich bij zijn beschrijvingen beperkt tot datgene wat hij zelf aan den lijve heeft meegemaakt, en dat het boek juist daardoor zijn universele waarde verkrijgt, ook ten opzichte van zijn miljoenen lotgenoten. Maar niettegenstaande de morele opdracht de feiten zo precies mogelijk weer te geven moesten bepaalde namen of omstandigheden toch zodanig veranderd worden dat Levi niet onbedoeld mede-overlevenden in de problemen zou brengen.
Degene die in het hoofdstuk ‘De verlorenen en de geredden’ achter de weinig vleiende beschrijving van ‘Henri’ schuilgaat, in werkelijkheid Paul Steinberg genaamd, verklaarde in zijn in 1996 verschenen eigen Auschwitz-herinneringen dat Levi’s ongunstige portret van hem toch wel juist genoemd moest worden, maar hij wierp als uiterste verdediging tegen ‘Kan men zo schuldig zijn, omdat men het overleefd heeft?’.
Daarmee komen we op het tweede probleem, het punt van het schuldgevoel. Naast de schaamte van het geleefd hebben in beestachtige omstandigheden was er de last van de uitverkorenheid die zo vele overlevenden, en ook Levi, de rest van hun leven zou bedrukken.
In het hoofdstuk ‘Schaamte’ uit De verdronkenen en de geredden doet Levi daarover de meest scherpe uitspraken: ‘Wie in leven bleven waren bij voorkeur de slechtsten, de egoïsten, de woestelingen, de hardvochtigen, de collaborateurs van de “grijze laag”.
Dat was geen vaste regel (vaste regels waren er niet en zijn er in mensendingen trouwens nooit), maar toch een regel. Ik voelde me onschuldig, dat wel, maar mijn plaats was onder de geredden en daarom was ik eeuwig op zoek naar een rechtvaardiging, in mijn ogen en die van anderen. De slechtsten, dat wil zeggen de best aangepasten, overleefden; de besten zijn allemaal dood.’
Met de genoemde theorie van de ‘grijze laag’, die stelt dat er tussen het volkomen kwaad van de beul en de volkomen schuldeloosheid van het slachtoffer in het Lager een heel weefsel van gradaties bestond, heeft Levi in later jaren geprobeerd de gecompliceerde werkelijkheid van het kamp intellectueel te bevatten. In Is dit een mens biecht hij vooral ‘zelfverraad en compromissen’ op als redenen voor zijn ‘succes’ in de darwinistische strijd om het overleven.
Wat hij in elk geval krachtig van de hand wijst is enige goddelijke hand in de selectie van wie het wel en wie het niet overleefde. Het enkele feit dat er een Auschwitz heeft bestaan brengt hem zelfs tot de uitspraak dat ‘geen mens in onze dagen meer van Voorzienigheid zou mogen spreken’.
Levi’s derde moeilijkheid bij het schrijven, de wens om het boek over zijn belevenissen in het kamp ook geschikt te maken voor een lezerspubliek, had ongetwijfeld iets met dat schuldgevoel te maken, maar er was ook in 1946 bij Levi al een duidelijke literaire ambitie in het spel. Dat blijkt niet alleen uit opzet en stijl van Is dit een mens en uit de vele literaire verwijzingen, bijvoorbeeld expliciet naar het werk van Dante en minder expliciet naar Alessandro Manzoni’s roman De verloofden, maar ook uit de vasthoudende rondgang die hij met het eenmaal voltooide manuscript langs een opeenvolging van uitgevers maakte. De grootste teleurstelling die hem daarbij wachtte was de afwijzing van het boek door de Turijnse uitgever bij uitstek, Luigi Einaudi, nota bene op redactioneel advies van de schrijfster Natalia Ginzburg, die Levi persoonlijk goed bekend was en van wie Levi op grond van hun gedeelde (maar onderling zeer verschillende) oorlogsellende een welwillender houding had verwacht. Uiteindelijk verscheen het boek op 11 oktober 1947 bij de kleine uitgeverij Francesco de Silva van Franco Antonicelli, die ook verantwoordelijk was voor de keuze van de definitieve titel, afkomstig uit een gedicht van de auteur zelf.
Twee prachtige recensies waren Levi’s deel, waarvan een op de voorpagina van de Turijnse krant La Stampa en de ander door de jonge Italo Calvino in het communistische dagblad l’Unità, maar voor het overige trok het boek weinig aandacht. Buiten Turijn zullen weinigen het indertijd gelezen hebben. Levi moest constateren dat het schrijverschap kennelijk niet voor hem was weggelegd en wijdde zich in de daaropvolgende jaren aan een loopbaan als chemicus en aan het stichten van een gezin. Van de 2500 exemplaren tellende oplage van zijn debuut waren er twintig jaar later nog altijd zo’n 600 over. Die werden in een magazijn in Florence door het water verzwolgen toen de Arno op 4 november 1966 buiten zijn oevers trad en grote vernielingen in de stad aanrichtte.
De kritiek die uitgeverij Einaudi er aanvankelijk van weerhouden had om Is dit een mens uit te geven, had vermoedelijk te maken met de klassieke, zogezegd vooroorlogse schrijfstijl van Levi, vol literaire allusies, maar meer nog met de commerciële overweging dat de mensen vlak na de oorlog in andere dingen geïnteresseerd waren dan de verschrikkingen van de jodenvervolging.
Daarnaast zijn er in de loop der jaren nog andere kritiekpunten op het boek van Levi naar voren gebracht. Levi’s mede-gevangene uit Auschwitz, de van oorsprong Oostenrijkse half-joodse filosoof Jean Amery, die in 1970 de hand aan zichzelf sloeg, meende dat Levi in zijn werk te veel menselijk begrip toonde voor de misdaden van de nazi’s. Amery duidde Levi spottend aan als ‘de vergever’. En een jonge Amerikaanse publiciste genaamd Fernanda Eberstadt bestond het om Is dit een mens bij zijn verschijning in Amerikaanse vertaling aan te vallen onder meer omdat Levi een opportunist zou zijn geweest, die zich als jood te weinig weerbaar had opgesteld en zich eerder tegen het fascisme in zijn land had moeten keren.
Minder onverteerbaar en belangwekkender is het dilemma dat door de Leidse literatuurwetenschapper S. Dresden in zijn studie Vervolging, vernietiging, literatuur aan de orde wordt gesteld, namelijk de vraag hoe Levi’s nadrukkelijk milde, algemeen-menselijke benadering van Auschwitz te rijmen valt met het feit dat hij daar als jood en alleen als jood gevangen zat, met de bedoeling hem in die hoedanigheid te vernietigen. ‘Mij wil het voorkomen,’ zo concludeert Dresden op dit punt vol mededogen, ‘ondanks de grote bewondering die ik voor hem koester, dat zijn succes voor een (groot) deel te danken is aan dit wegstrepen van joden en jodendom ten gunste van algemene menselijkheid. De joodse lezer kan zich daardoor bevrijd voelen en het tegelijkertijd kwalijk nemen, de lezer in het algemeen is bevrijd van een eventueel knellend joods vraagstuk dat onopgelost blijft.’
‘Polemiseren met iemand die er niet meer is, is bezwaarlijk en weinig loyaal,’ zo merkt Levi met betrekking tot Jean Amery terecht op, maar men zou tegen de in 2002 overleden Dresden in willen brengen dat ‘het joodse vraagstuk’ (hoe men dat ook precies definieert) niet het onderwerp van Is dit een mens vormde, en bovendien dat Levi als sterk geassimileerde Italiaanse jood pas werkelijk jood werd vanaf het moment dat hij als zodanig werd gediscrimineerd en vervolgd. Een grotere nadruk in het boek op zijn joodse identiteit zou voor Levi ook een toegeven hebben ingehouden aan de hem door zijn vervolgers opgelegde exclusief-joodse identiteit. En ten slotte: hoe zou men de auteur er een verwijt van kunnen maken, als het inderdaad zo is dat Levi’s impliciete pleidooi voor medemenselijkheid het verhaal van zijn belevenissen een zo krachtige stem heeft gegeven? Achter dit discussiepunt gaan grotere vraagstukken schuil, die te maken hebben met het liberale versus het orthodoxe jodendom en ook met het historische debat over de uniciteit van de shoah tegenover de rangschikking ervan te midden van andere historische misdaden tegen de menselijkheid.
Wat er zij van deze discussies, de genoemde bezwaren tegen Levi’s werk vallen in het niet bij de wereldwijde erkenning als schrijver die de auteur in latere jaren alsnog ten deel viel. Als het lezerspubliek, zoals men in 1947 bij uitgeverij Einaudi meende, niet ‘rijp’ was voor boeken over de Duitse vernietigingskampen, tien jaar later lag dat anders. Hetzelfde Einaudi publiceerde in 1954 vertalingen van het dagboek van Anne Frank en L’espèce humaine van Robert Antelme, en in 1958 verscheen bij diezelfde uitgeverij alsnog een nieuwe, gecorrigeerde en uitgebreide uitgave van Is dit een mens. Enkele jaren later werd het boek gevolgd door Het respijt, een bijna avontuurlijk te noemen boek van Levi, waarin hij zijn maandenlange omzwervingen beschrijft vanaf de bevrijding door de Russen van Auschwitz op 27 januari 1944 tot aan zijn thuiskomst in Turijn op 19 oktober van datzelfde jaar.
Gesteund door de nu veel talrijkere reacties op zijn werk, door vertalingen ervan in het buitenland (vanaf 1961 ook in Duitsland) kreeg Primo Levi in tweede instantie toch de gelegenheid om een literaire loopbaan te ontwikkelen, aanvankelijk naast zijn werk als technisch directeur van een vernis- en verfstoff enfabriek. Vanaf zijn prepensionering op 1 december 1974 (Levi was vijfenvijftig jaar oud) kon hij zich volledig aan het schrijven wijden, wat om te beginnen resulteerde in de voltooiing van zijn ‘chemische autobiografie’ Het periodiek systeem. In de daaropvolgende jaren leverde Levi’s onverdeelde aandacht voor het schrijven hem twee van de belangrijkste Italiaanse literaire prijzen op: de Premio Strega (in 1979, voor zijn roman De kruissleutel) en de Premio Campiello (in 1982 voor de roman Zo niet nu, wanneer dan?). Ook internationaal kwam zijn schrijverschap in een stroomversnelling, zeker vanaf het moment dat de Amerikaanse editie van Het periodiek systeem door Nobelprijswinnaar Saul Bellow als een meesterwerk werd ingehaald.
Na incidentele eerdere vertalingen in 1963 (Eens was ik eens mens) en 1966 (Het oponthoud) werd zijn werk vanaf 1987 ook stelselmatig in het Nederlands uitgegeven. Op Het periodiek systeem volgden nieuwe vertalingen van de beide kampgetuigenissen alsook edities van zijn twee romans, een keuze uit de gedichten (Op een onzeker uur) en diverse bundels met de korte verhalen en essays die Levi jarenlang in La Stampa had gepubliceerd. Van groot belang is ook de laatste essaybundel De verdronkenen en de geredden, waarin de auteur, veertig jaar na zijn debuut, even lucide als scherpzinnig terugkomt op wat hij noemt ‘enkele nog duistere kanten van de Lager-realiteit’.
Geplaagd door een zwakke gezondheid en door depressies, en afgemat door huiselijke zorgen, onder meer om zijn hoogbejaarde inwonende moeder en schoonmoeder, viel Primo Levi op 11 april 1987 vanaf de derde etage in het trappenhuis van zijn woning op de Corso Re Umberto 75 in Turijn. Geschokt door deze plotselinge dood en door de suggestieve omstandigheden ervan, concludeerde menigeen dat de schrijver zelfmoord had gepleegd, maar positief bewijs voor die aanname ontbreekt tot op de dag van vandaag. Integendeel: gezaghebbende auteurs en ook vrienden van Levi houden het erop dat zijn val door duizeligheid als gevolg van medicijngebruik na zijn recente prostaatoperatie is veroorzaakt, of eventueel door de onwillekeurige ‘acte gratuit’ van een depressief mens. In elk geval ontbreekt de bij de voorbedachte zelfmoord van een schrijver zo logisch te verwachten boodschap aan zijn echtgenote en kinderen, zijn verdere familie en vrienden. Dan gaat het wel ver om iemand zonder enige aanwijzing als het ware van zelfmoord te beschuldigen.
Drieënveertig jaar eerder, om precies te zijn op 23 februari 1944, in een veewagon op weg naar wat bedoeld was om zijn dood te worden, was Primo Levi er nog wel in geslaagd een geschreven boodschap achter te laten. Ter hoogte van Bolzano wierp hij mede namens twee bevriende medegevangenen tussen de kieren van zijn wagon het volgende briefje naar buiten, gericht aan Bianca Guidetta Serra, een katholieke, maar overtuigd anti-fascistische vriendin: ‘Cara Bianca / tutti in viaggio alla maniera classica – saluti tutti – a voi la fi accola / Ciao Bianca, ti vogliamo bene.’ Dat wil zeggen: ‘Lieve Bianca / allen onderweg op klassieke wijze – groeten aan iedereen – nemen jullie de fakkel over / Dag Bianca, we houden van je.’ Was getekend: Primo, Vanda en Luciana. Van de drie afzenders van dit briefje overleefde Luciana (Nissim) het kamp. Vanda (Maestro) werd op 30 oktober 1944 in Birkenau vergast. En Primo Levi? Die overleefde niet slechts, maar schreef met Is dit een mens een monument ‘alla maniera classica’: een persoonlijke getuigenis van zijn menselijkheid en een impliciet eerbetoon aan de zes miljoen verdronkenen.

De weinige overlevenden van Auschwitz hebben zonder uitzondering heel veel geluk gehad. Maar dat geluk is niets bij de narigheid die ze dagelijks moesten zien en ondergaan. Primo Levi laat dat duidelijk uitkomen in het verslag van zijn verblijf; onder de oppervlakte van een schijnbare objectiviteit voelt de lezer het bloed koken van een man die tot in zijn merg is gekrenkt. De emotionele kracht van het schijnbaar feitelijke relaas heeft ervoor gezorgd dat Is dit een mens van alle boeken over de shoah de grootste ontroerende kracht uitoefent.

Gerelateerde boeken

Wil je van je bestaande account gebruikmaken op onze nieuwe website? Je behoudt dan onder meer je bestelgeschiedenis, reeds aangeschafte e-books en je persoonlijke verlanglijst. Als je toestemming geeft krijg je direct een mail om een nieuw wachtwoord in te stellen.

Voer een geldig e-mailadres in

Hostname: pro-mbooks3