Woensdag 13 september om 19.00 bij Athenaeum Boekhandel op het Spui presenteert Uitgeverij Querido Moeders. Heiligen, het romandebuut van literair journalist Dieuwertje Mertens. Kom ook, reserveer het boek en proef nu voor van deze oorspronkelijke, poëtische roman over seks, schuldgevoelens en de wens om te geloven.
‘Ik knijp mijn ogen samen tegen het licht. Met een genereus gebaar werpt ze haar hemelsblauwe gordel uit als een lasso. De engelen lachen net boven de wolken. Hoor je ze schateren boven het geluid van de bazuin uit? Een astrale gordel recht uit de hemel van God naar Maria, van Maria naar mij.
Met beide handen grijp ik hem vast. Heb je ooit zoiets moois gezien? Ze glimlacht naar me. Ik laat niet meer los, hoor je. Of toch wel, met één hand. Een foto, ik moet hier een foto van hebben. Waar is mijn iPhone?’
Mercedes vlucht met haar minnaar Amant naar het vakantiehuis van zijn overleden moeder in de bergen van Frankrijk. Zijn moeder reist met hen mee in een urn. Mercedes is wanhopig, tot de Heilige Maagd Maria op het plein van het gehucht Albas haar gordel naar haar uitwerpt. ‘Als een reddingsboei? Als een reddingsboei.’ In Maria vindt ze een vertrouwelinge bij wie ze haar hart kan luchten. De bekendste moeder uit de geschiedenis is dolblij met wat aanspraak en reflecteert op haar rol in de Bijbel en alle mythevorming rondom haar persoon.
Ondertussen sluit Mercedes vriendschap met Clémence, gewezen actrice en verhuurder van het vakantiehuis, die graag sterke verhalen vertelt, en met de Congolese Graziella, die met haar zoon Miles naar Frankrijk is gevlucht. Kunnen deze vrouwen ontsnappen aan de verhalen die hen hebben gevormd?
Dieuwertje Mertens breekt de verheerlijking van het heilige moederschap tot de grond toe af.
I
Want dit is mijn lichaam
‘Hier was het,’ zegt Amant. Op deze plek vloog Marian uit de bocht. Hij zet de auto op de uitwijkplaats. Twee stappen naar de rand, drie naar de afgrond. De vangrail is nieuw. Ik buig voorover. Hoe diep. Daar ging een moeder. Hier staat haar zoon. Ik zet me schrap en tast naar zijn hand. Er ligt een bos rode rozen. Geen kaartje. ‘Enig idee van wie?’ vraag ik. Hij haalt zijn schouders op.
Een zelfverkozen dood? Haar schedel aan gort. Alles kapot. ‘Hartstilstand, gebeurt ook nog weleens,’ zei de schouwarts.
Amant legt witte lelies tegen de vangrail en draait zich resoluut om. Ik staar naar de lucht, de zon recht boven ons. Een buizerd bidt boven de plek des onheils. ‘Mercedes, kom.’ Ik sla een kruisje en stap in. Vanuit een ooghoek zie ik hoe de vogel uit het blauw valt.
De verhuurders wachten ons op. Clémence en François staan wuivend op de oprijlaan. Ik til mijn hand tot net boven het dashboard. Amant stapt uit. Hij voert het woord maar. Zíjn moeder, zíjn Fransen. Zeven maanden geleden vertrok Marian van deze oprijlaan op espadrilles, met een gevlochten rieten hoed op haar grijze bol, een rolkoffer achter zich aan slepend door het grind, zwaaiend met haar vrije hand – au revoir, ja dáág hoor –, nu keert ze terug als een hoop as in een pot. Weg is het handje en waar is de hoed? Ik ken haar slechts uit verhalen: de verwarring, de ruzies, de liefde voor sherry, zon en Jacques Brel. Die espadrilles verzin ik erbij, terwijl ik denk aan de vuilwitte sloffen onder haar bed, doortrokken met de geur van voeten. Amant hangt de charmante jongen uit. Mijn interesse is matig, maar de mimiek van de drie is overdreven. Hartelijkheid, droefenis en over tot de orde van de dag. In mondklanken terug te brengen tot: Aaah, Oooh, Allez.
De Fransen knikken naar de auto. Amant trekt mijn portier open. ‘Zeg even gedag,’ fluistert hij. Als verlamd blijf ik zitten. Hij trekt de kofferbak open en loopt achter de Fransen aan. Met twee zware weekendtassen aan zijn schouders klimt hij omhoog. Steentjes schieten weg onder zijn voeten. Het zou aardig zijn als ik zou helpen. Zou dat niet aardig zijn? Ik verroer me niet. Kruidje-roer-mij-niet, nee, laat me met rust. Gedrieën staan ze nu bovenaan het pad. Amant zet de weekendtassen neer voor het trapje naar het bijgebouw dat verborgen ligt achter het loof. De Fransen lopen door de tuin naar hun villa. Marian huurde het bijgebouw de afgelopen tien jaar en hing er l’artiste uit. Amant wenkt. Mijn voeten vallen op het grind. Hij loopt naar me toe en hijst me overeind. ‘Dit is de ideale plek om bij te komen. Ga maar eens kijken. Draag jij de boodschappen?’
‘Nee, ik draag de moeder.’ Met twee handen de moeder. Ik graai achter de bijrijdersstoel naar de omgevallen urn. Wat is ze zwaar, zo zwaar als haar voet op het gaspedaal voor ze de berg af stortte.
Haar espadrilles – dus toch! – op de mat bij de deur. De urn mag op de platgetrapte hielen, zolang ze maar niet in de weg loopt. Op de schildersezel bij het raam staat een doek met een berglandschap. Een ezel op de voorgrond, of is het een geit? De inrichting is een bijeengeraapt zootje brocante, heel Frans allemaal. Een uitzicht van bomen en bergen. Muren en nog meer muren. Groen in een lijstje. Niets kan hier weg.
Gedwongen te blijven in a room with a view. Kan een mens kleur absorberen? Ik ben verzadigd van het groen van de bergen, het groen van de Lot, het groen van Mercedes. Besta ik nog wel? Ik lig of ik sta voor de groene lijst. Ook ik ben een boom, staand of vallend. Ik tuimel in het groen van stortbui naar opklaring. Uitzicht op bergen, uitzicht op muren. Omsloten, geborgen. Er is geen ander geluid dan dat van de vogels, de krekels, de wind en de wespen. De lucht vibreert van de vleugelslagen.
Af en toe komt Amant kijken. Hij grijpt naar mijn borsten en duwt zijn kruis in mijn gezicht, ritst zijn gulp open. ‘Als je je mond toch niet gebruikt om te praten.’ Hij lacht erbij, maar het is geen grapje. Hij vindt me zo lekker. ‘Toe nou, liefje, ik hou van jou.’ Mijn lippen blijven verzegeld, stijf op elkaar. Zijn moeder heeft zich naar een andere hoek van de kamer verplaatst op haar Franse slofjes. Ja, dit is je zoon. Ben je trots?
De zon kiert door mijn nachtmerries. Vandaag gaan we naar buiten. Kom op, Mercedes. Dat zal je goeddoen. ‘Een pittoresk dorp met zicht op de ongerepte natuur,’ zegt Amant. Geloof je me niet? Kom, de zon wenkt. We lopen een rondje. Er is een pleintje, een verschoten Mariabeeld, een wit kerkje – ’s zomers geopend –, leegstand, veel leegstand, een uitzicht op de Lot en de barrage. Lege huizen, volle graven. Op het plateau zit een oude, bruingeblakerde man achter zijn schildersezel, in zijn hand een fles wijn. Hij schildert het uitzicht en hoest: kanker of covid. De dorpsgek, un artiste, un amateur, un alcoolique. Als we passeren zakt zijn mond open. Hij kijkt ons na. Un idiot.
We klimmen en dalen, klimmen vooral. Sportbar Limoncello is tot vijf uur gesloten. Grijze wolken drijven bijeen, sluiten het dorp tussen bergwanden af, hup, deksel erop, het dorp is toch dood. Kijk naar dat pleintje, bijkans verlaten, op een manke hond met vlekken na. Een boom en een bankje, een lege fles wijn.
[…]
Copyright © 2023 Dieuwertje Mertens