Leesfragment: BLACK-OUT

22 augustus 2024, door P.F. Thomése

27 augustus verschijnt de nieuwe roman van P.F. Thomése: BLACK-OUT! Wij publiceren voor. Lees een fragment en bestel vast je boek!

De welgestelden in het villadorp Blankendaal, ‘het reservaat’, zoals ze het onder elkaar noemen, resideren veilig achter hun hekken en hagen en hebben niets in de gaten.
Aan het stuur zit Grace Rainville, stemactrice. Ze is niet van hier. De SUV is trouwens niet van haar, maar van haar ex. Ze is op weg naar diens turn-key droomvilla, waar hij met zijn nieuwe liefde aan een nieuwe fase is begonnen. Op de achterbank, in een kinderzitje, slaapt haar (en zijn) dochtertje Norah. Grace moet een verkeerde afslag hebben genomen. Ergens vlakbij, achter een haag, klinkt het onbekommerde gekwetter van een kinderfeestje. Wat er een moment later gebeurt, krijgt ze al niet meer mee. Dat hoort ze pas wanneer ze ontwaakt te midden van de gevolgen. En dan moeten de consequenties nog komen.

BLACK-OUT is P.F. Thomése op zijn best: aangrijpend, spannend ook, wreed, geestig op zijn tijd en onverwacht ontroerend. Een geweldige leeservaring.

P.F. Thomése (1958) won met zijn debuut Zuidland in 1991 de AKO Literatuurprijs. In de drie decennia daarna schreef hij onder meer het ontroerende Schaduwkind en de romans Vladiwostok!, De weldoener, De onderwaterzwemmer, Vaderliefde en Swansdale, die vrijwel allemaal op de shortlists van de belangrijkste prijzen terechtkwamen.



 

1.

Niemand had de zwarte suv zien aankomen.
Het was de laatste dag voor de zomervakantie en de mensen in ‘het reservaat’, zoals ze het villadorp in de duinen onder elkaar noemden, verheugden zich alvast op de zorgeloze dagen, zo zalig zelfverdiend.
De schaduwrijke lanen, de strak gesnoeide hagen achter de afrasteringen van de eindeloze privépercelen met hun zwembaden en tennisbanen, guesthouses en theehuisjes, de landgoederen met hun eeuwenoude bomen, de hockey- en cricketvelden aan de voet van de duinen: het leek een droom, maar dan een die na het ontwaken gewoon echt was blijven bestaan. Ook was de lucht hier blauwer, de schapenwolkjes donziger en het gras groener. In de tuinenweelde kwinkeleerden de zangvogels er lustig op los, op een glooiend gazon trok een computergestuurde grasmaaier zacht zoemend zijn voorgeprogrammeerde baantjes. Het paradijs bestond nog steeds, al hielden ze dat tegenwoordig liever voor zichzelf.
Als je hier niet vandaan kwam, had je geen idee wie er achter deze ondoordringbare hagen en uit het zicht verdwijnende bochten schuilgingen. Een enkele witgepleisterde villa liet zich onverhuld bewonderen, maar vertoonde geen teken van leven achter de glazig spiegelende ramen. Er verscheen zelfs geen gecertificeerde waakhond grommend aan het hek. Het bleef een perfect uitgelicht glossy plaatje.
Maar wanneer je zoals een vogelspotter voor je observaties de tijd zou nemen, zou je van alles en nog wat opmerken. Zelfs de nodige drama’s. Ook rijke mensen werden immers ziek en gingen dood, en anders waren er wel de drama’s die men zichzelf aandeed en die voortkwamen uit ontevredenheid onder aan de streep. Ook hier slikte men de bittere pillen van het tekort. Wat men miste, bleef onduidelijk. Er moesten niet zelden bevriende advocaten aan te pas komen om de eisen onder woorden te brengen, al werd daar zelden iets mee gewonnen.
Vandaag leek echter zo’n dag waarop alles klopte en de tijd zich behaaglijk uitrekte om zich als een lome eeuwigheid aan de gelukkigen voor te doen. Niets bleef er te wensen over, er viel in het gulle zomerlicht eenvoudig niets beters te verzinnen. Je was geneigd te vergeten dat er ook nog iets anders bestond.

Ergens was een kinderpartijtje aan de gang. Achter een pas aangeplante beukenhaag buitelden de stemmetjes over elkaar heen en tinkelden zilverig opwaarts in het hemelsblauw van deze uitverkoren vrijdagmiddag. Het perceel lag aan een scherpe bocht in de smalle duinweg. Zeker als je bovenlangs kwam en de weg hier niet kende, moest je bij het afdalen wel even verdomd goed opletten. Maar verkeer dat hier niet hoefde te zijn, kwam hier eigenlijk nooit.
Aan het stuur van de zwarte suv zat een moeder en op de achterbank zat een kind, maar op het feestje verderop hadden ze niets te zoeken. Hun aanwezigheid hier berustte op een vergissing. Kwestie van een verkeerde afslag. Het toeval had hen omgeleid naar deze wirwar van stijgende en dalende, steeds weer achter lommerrijke bochten wegschietende laantjes en duinweggetjes. Het leek allemaal zo sterk op elkaar dat het zelfs met Google Maps soms moeilijk viel uit te maken welke afslag de juiste was. Als je niet alert genoeg was, blééf je rondjes rijden in dit miljonairsdoolhof, dat net zo onnavolgbaar was als hun belastingaangiften.
Bijna was het kinderfeestje niet doorgegaan. De vader des huizes had voor een naderende deal plotseling naar Singapore gemoeten. Toch hadden de ouders besloten dat het te erg was om het partijtje op de valreep te cancelen. De overgang van Pippa naar groep drie was in beider ogen een moment dat het waard was om gevierd te worden. Alle beschikbare vriendinnetjes, moeders, babysitters, oppasmoeders en au pairs waren opgetrommeld. Op het grind stond een met kindvriendelijke dieren beschilderde foodtruck vol traktaties: van chocoladetaart tot sushi, van priklimonade en vruchtenbowl tot rosé en gin-tonic voor de volwassenen. En als verrassing was er vanuit Singapore op de dag zelf nog een gigantisch springkussen geregeld, dankzij een belletje naar een goed vriendje. Mark had daarna ook nog snel een kinder-dj gecharterd, maar die was door Tessel weer weggestuurd omdat ze een vervelend voorgevoel bij deze figuur had gekregen. Mark had dat complete onzin gevonden. De jongen was nota bene het neefje van een clubgenoot van hem, safer kon het niet. Hij vond het bijna beledigend dat Tessel de indruk wilde wekken dat hij niet bezorgd genoeg was om Pippa’s veiligheid en vanuit het buitenland in het wilde weg pedofielen op hun kleine onschuld afstuurde. Was hij niet degene die zo attent was geweest om het afdekzeil over het zwembad uit te rollen? Over gevaren gesproken. Jazeker, dat was heel verstandig van hem geweest. Maar ze stelde hem pas echt gerust door hem een filmpje te sturen van die blije meisjesbende op ‘zijn’ roze springkussen.
Top, appte hij terug vanuit zijn sky experience restaurant met panoramisch uitzicht op de baai, de metropool en zijn bord, een zwart natuurstenen object, waarop in het midden een kunstige garnaal glinsterde in een gedoetje van gefrutsel. Tevreden viste hij de garnaal er met zijn blote vingers tussenuit en stak hem in zijn mond. Alles liep op rolletjes.

De vrouw achter het stuur van de zwarte suv bezocht voor het eerst van haar leven de verscholen enclave waar haar ex sinds kort was neergestreken. Nieuwe vriendin, baby op komst, en ineens moest alles volgens het plaatje. Het perfecte gezinnetje. En hún kind dan? Dat mocht ze zelf komen afleveren, want meneer had op het laatst gebeld dat er iets tussen was gekomen en hij het helaas niet zou halen. Hoewel ze ertegen opzag om hem en vooral haar te moeten bezoeken, was ze stiekem wel benieuwd, alleen al om achteraf aan iedereen te kunnen berichten hoe triest en smakeloos zijn nieuwe liefdesnest was.
Ze moest toegeven dat ze hun dochtertje in de nieuwe situatie gemakkelijker aan hem overdroeg dan in de eerste tijd, toen haar ex zich gewetenloos had ondergedompeld in een roes van zelfbedachte vrijheid.
Volgens Google Maps moest ze er nu toch wel zo’n beetje zijn. Nog 642 meter, meldde de display. Ze was ter hoogte van een vers aangeplante beukenhaag achter een verweerde houten omheining, precies op het moment waarop de kinderen rondom de tuintafel met luidruchtige toewijding aan hun chocoladetaartpunt wilden beginnen.
De bestuurster van de zwarte suv had van dit alles geen weet. Opeens begon het voor haar ogen te draaien. Er verscheen een zwarte vlek die zich in razend tempo uitbreidde en alles in zich opslokte.

In de tuin werden ze opgeschrikt door een gigantische dreun, die klonk als een explosie, zo dichtbij dat hij alles en iedereen verdoofde. Er trad een vreemde stilte in, die van binnen kwam, alsof de lucht uit alles en iedereen was weggezogen.
En van het ene op het andere moment bestond er alleen nog dit andere moment. Gegil, gekraak van breekbaarheden. Overal doorheen toeterde monotoon een autoalarm. Hè? Wat deed dat enorme zwarte gevaarte hier ineens? Tafels, parasols, vrolijke limonadebekers: de complete feestelijkheid was alle kanten op gevlogen en neergedwarreld als confetti. Er waren diepe voren in het grasveld geploegd, helemaal tot aan het terras. Afgerukte slingers hingen als onbegrijpelijke trofeeën aan de ruitenwissers. Her en der stonden of lagen kleine meisjes op het grasveld. Een enkeling krijsend of jammerend, de meesten met stomheid geslagen. Moeders renden radeloos van de ene naar de andere lieveling, totdat ze de juiste gevonden hadden. Een vrouw met een papieren punthoedje op haar hoofd stond te rillen en te klappertanden, alsof ze met alle macht een gat in de werkelijkheid probeerde te boren waardoor ze veilig terug kon glippen naar het vorige moment.
Het duurde lang tot iemand doorhad dat er een kind onder het rechtervoorwiel lag geplet. Misschien kwam het doordat het een beeld was dat niemand meteen thuis wist te brengen
Het leek op niets wat men kende, ook het meisje zelf scheen geen idee te hebben waar ze in terechtgekomen was. De situatie ontging haar – gelukkig maar, voor zover je onder deze omstandigheden van geluk kon spreken. Het gezichtje drukte eerder verbazing uit dan angst of pijn. Het onbevattelijke school in de bekendheid van de losse details: de brede allseason voorband met zijn stevige profiel, het prinsessenjurkje van roze tule, de witte sokjes in de zwarte lakschoentjes, het kindervel zo glad en gaaf. Het enige vreemde was het verband waarin de verschillende op zich vertrouwde elementen tot elkaar stonden. Als je stap voor stap de situatie doorliep, dan klopte er niks meer van. Hoe verhielden die lieve beentjes en dat schattige roze tule zich tot de rest? Het wiel belemmerde het zicht. Er was maar één armpje te zien. Ach, dat samengeknepen knuistje. Een middenstuk leek er niet te zijn – zoals bij de klassieke doormiddenzaagtruc van de illusionist, wanneer het meisjeshoofd van de bevallige assistente wordt gescheiden van het onderstel. Het verbaasde gezichtje in de slagschaduw van de enorme autoband bleek, als je beter keek, niet ongeschonden. Het goudblonde haar was in de war en bovendien was er bloed, een hele mond vol, zo te zien. Nee, zo hoorde een kind van bijna zes er niet uit te zien.
De ontzetting kwam in golven. De eerste die het zag, kon het niet geloven. Zei niets, dacht niets. De tweede keek de eerste aan en probeerde aan haar gezicht af te lezen of het waar was wat ze zagen. De derde gilde. En zo werd stukje bij beetje duidelijk hoe gruwelijk wreed en onaanvaardbaar de situatie was. Zodat er niets anders op zat dan als waanzinnigen te schreeuwen tegen elkaar en tegen de hemel en tegen zichzelf, dat dit niet kon, dat er iets moest gebeuren, en wel nu. Deze onbestaanbare situatie moest met spoed gereduceerd worden tot iets wat wél te bevatten was, tot iets waarmee te leven viel. Kan iemand bellen? Maar iemand belde al.

2.

Wanneer Grace Rainville ontwaakt in wat een ziekenhuisbed blijkt te zijn, is het eerste waar ze aan denkt haar kleine Noor, want als zij hier in haar eentje ligt, waar is haar dochtertje dan? Steekvlam van angst. Lieverd, waar ben je? Duizend kinderdoden sterft ze wanneer ze bedenkt wat er allemaal gebeurd zou kunnen zijn. De mogelijkheden van rampspoed zijn onbegrensd, de wrede verbeelding weet niet van ophouden. Ze wil haar telefoon pakken, Dave bellen. Verdomme, waar heeft ze dat rotding gelaten? Treetje voor treetje daalt ze af in de tijd, om stapsgewijs vanzelf haar kleine schat en ook haar telefoon tegen te komen. Ze probeert haar donkerste gedachten te overstemmen met hoop, Noor is vast bij Dave, dat kan haast niet anders. Hoe laat is het eigenlijk? En welke dag? Ze wordt er gek van dat ze haar telefoon nergens kan vinden.
Tastend en vragend probeert ze de verdwenen werkelijkheid uit het zwarte gat van haar geheugen op te duikelen. Tevergeefs. Niets komt er boven, niets wat ze tot haar opname in dit ziekenhuis kan herleiden. Voorbij de Magic Media-studio reikt haar herinnering niet. Daar zit ze in haar eentje in een geluidsdichte cabine de rol van ‘Maria’ te dubben voor haar Zweedse kinderserie. Dat was dus donderdagochtend. Dan brengt ze Norah altijd eerst naar de crèche.
Er doemt een verpleegster op aan haar bed, groot en glimlachend. ‘Ha, mevrouw Rainville, daar bent u eindelijk.’
Grace wil iets terugzeggen, maar ze kan haar stem niet meteen vinden. En ineens weet ze niet meer wat ze wou zeggen. Haar telefoon, was dat het? Nee, maar ze wil hem wel heel graag terug, verbinding zoeken met het verloren continent van gisteren, waar haar dochtertje moederziel alleen is achtergebleven.
‘Hebt u mijn telefoon ergens gezien?’ Is dat haar eigen stem? ‘Ik moet namelijk mijn man bellen.’ Ja, dat is haar stem, al klinkt die raar hees. En ze baalt ervan dat ze haar ex niet gewoon haar ex noemt – alsof ze zich nog steeds aan het schamen is voor de scheiding. ‘Hoe laat is het eigenlijk? Ik bedoel, welke dag? Mijn dochtertje –’
Ze wil opstaan en merkt dan pas dat ze aan allerlei draden en infusen vastzit.
‘U kunt maar beter rustig aan doen. Safri-safri, mevrouw Rainville.’
‘Huh, wat? Saffie saffie?’ mompelt ze.
‘O sorry, mevrouw, ik dacht Rainville, Paramaribo weet u wel. U bent toch ook Surinaams?’
‘Nou ja, eh, half. Ik ben dubbel. Mijn vader –’
‘Dubbel, dat is mooi toch. Nou, u heeft anders ook geslapen voor twee hoor, dat is zeker.’
En zichzelf begeleidend met een gulle schaterlach heupwiegt de verpleegkundige de gang op om de behandelend arts of een andere medisch bevoegde het goede nieuws te brengen dat patiënt is ontwaakt.
‘En m’n telefoon dan?’ roept Grace haar achterna.
Meteen draait ze zich om en helpt haar zoeken. ‘Sorry hoor, ik ging een beetje snel, hè?’ Maar het laatje naast haar bed is leeg en in de zak met haar bezittingen bevindt-ie zich ook niet. Het kan niet waar zijn, het mag niet waar zijn, toch is het zo. Hij is echt weg. Haar geheugen is een doolhof waar alle afslagen doodlopen.
De verpleegkundige heeft met haar te doen. Heel lief haalt ze haar eigen telefoon tevoorschijn, een monsterlijk roze geval met een rood hartje en gouden glitters erop geplakt. Ze knipoogt. ‘Je man kan je missen hoor, maar het is vreselijk als je niet weet waar je dochter is. Bel haar maar. Ik ben zo terug.’
Gered maar radeloos toetst ze uit haar hoofd het nummer van haar ex in. Het ergert haar dat haar lichaam zijn nummer nog steeds meteen weet. Het ergert haar nog meer dat hij niet opneemt. Ze heeft zin om die stomme telefoon weg te gooien, maar in plaats daarvan toetst ze zijn nummer opnieuw in. Nu neemt de eikel wel op. ‘Hallo?’ Hè, wat onaardig. O ja, onbekend nummer, natuurlijk, vandaar.
‘Dave? Hallo, ja, met mij. Ik –’
‘Grace! O, gelukkig. Ja sorry, ik herkende het nummer eerst niet. En ook sorry dat ik geen tijd had om je… maar enfin. Hoe gaat het met je, wat zeggen de artsen?’
‘Goed, geloof ik. Maar waar ik voor bel… Is Noor bij jou?’
Zodra ze de naam van hun kind uitspreekt, moet ze huilen. Ze hoopt dat hij het niet merkt.
‘Dat hebben we meteen geregeld. Kelsey zorgt voor haar.’
‘Is alles met Noor… ik bedoel: heeft ze… is ze…?’
‘Maak je geen zorgen. Die stoere grote meid heeft niks, geen schrammetje. Wat een wonder mag heten gezien het ongeluk. Je hebt wel wat aangericht, mijn hemel. Ik –’
Ze hoort alleen wat ze wil horen: dat Norah veilig is. Ze kan haar huilen niet meer verborgen houden. Dave, weet ze, kan hier niets mee. Het kan haar eventjes geen reet schelen, want Norah is ongedeerd.
Door haar tranen heen ziet ze een dokter naar haar toe komen. Of eerder een arts-assistent, aan de leeftijd te oordelen.
‘En trouwens, er is nog iets. Maar dat komt later wel,’ hoort ze Dave zeggen voordat hij ophangt.
De dokter steekt haar hand uit, stelt zich onverstaanbaar voor en mompelt dat ze blij is dat patiënt zo snel weer bij bewustzijn is gekomen. Snel laat ze haar blik over de status glijden en ze geeft aan dat ze patiënt graag een paar vragen wil stellen.
Grace merkt dat ze nog steeds die belachelijke roze telefoon in haar hand heeft. Tien cijfers van haar kleine liefste vandaan. Tot haar spijt kent ze het nummer van Kelsey niet.
Daar komt de Surinaamse lieverd alweer binnenwaaien in een wolk van opgeruimdheid. ‘Alles oké met de kleine? Ik zie het al. Tranen van vreugde. Mij houdt u niet voor de gek hoor, mevrouw Rainville.’
De arts glimlacht plichtmatig en gaat door met haar anamnese. Bij elk antwoord van de patiënt knikt ze instemmend, alsof ze het al had verwacht. Met elke goed beantwoorde vraag past Grace beter in het beeld, al wordt haar niet verteld welk beeld. Wel begint het haar te dagen dat er iets ernstigs is gebeurd. Een ongeluk, had Dave het over. En ook de arts verzekert haar nu weer dat ze van geluk mag spreken. Verder vragen durft ze niet, omdat ze bang is dat het dan alleen maar erger wordt.

3.

Dave komt haar ophalen. Samen met Norah nog wel – wat een verrassing. Ongelooflijk om haar kleine allesje hier plotseling te zien. Verdomme, weer die rottranen. Net nu ze zich heeft opgemaakt. Dat heeft ze met een basismake-upsetje van het ziekenhuis snel even gedaan, vooral vanwege een lelijke blauwe buts op haar jukbeen. O, wat heeft ze ernaar verlangd om Noortje veilig in haar armen te houden en nooit meer los te laten. Maar nu het moment daar is, blijkt haar kind afwachtend en behoedzaam. Ze tast, half verscholen achter haar papa, wantrouwig de onbekende situatie af. Pruillipje, op één voetje draaien, wegkijken. Dan breekt een heerlijke lach haar gezichtje open. Eén brok stralende blijheid is het opeens. Grace kan wel huilen, maar met Dave erbij houdt ze zich in.
Als ze naar de liften lopen, rent Noor voor hen uit. Grace wil het spel meespelen en achter de kleine aan rennen maar ervaart dat alles aan haar lijf stram en stijf en pijn is. Alsof ze door een abusievelijke verwisseling niet in haar eigen lichaam is opgestaan.
Dave heeft het over de zwarte suv, haar ouwe trouwe Volvo xc90, die feitelijk natuurlijk de zijne is, maar die zij sinds de scheiding mag blijven gebruiken van hem, aangezien hij het niet ziet zitten om zijn kleine prinsesje door haar armlastige moeder in een tweedehandsje buitenkansje van Ome Joop in het drukke snelverkeer te laten rondcrossen, met alle risico’s van dien. Zelf wilde hij sowieso upgraden naar iets exclusievers, iets wat meer bij zijn nieuwe status past.
Hij weet niet hoeveel ze zich van het ongeluk herinnert, zegt hij, maar de Volvo hebben ze na forensisch onderzoek op de plaats delict moeten wegtakelen en veiligstellen voor aanvullend onderzoek. Nou, van hem mogen ze hem daar lekker houden. Hij hoeft dat ding niet meer op zijn naam te hebben. Na wat ermee is gebeurd. Honden die iemand hebben doodgebeten worden ook afgemaakt. Maar dat laatste houdt hij wijselijk voor zich.
Grace hoort alleen de woorden ‘plaats delict’ en ‘forensisch onderzoek’. Ze kent ze van het nieuws en van misdaadseries. Het brandt op haar lippen om Dave te vragen wat er in haar afwezigheid precies is gebeurd. Tegelijk schrikt ze terug voor de onherroepelijkheid van zijn antwoord. En vervolgens te moeten aanhoren hoe onverantwoordelijk ze zich tegenover Norah heeft gedragen. Moet je je voorstellen dat niet jij maar Noor in coma was geraakt. Nee, dank je, dat wil ze zich niet voorstellen.
Als ze bij de liften staan te wachten, pakt Norah haar bij beide knieën vast en drukt zich strak tegen haar aan. Niet meer weggaan, smeekt het tere meisjeslijfje.
Dave legt zijn hand op het kinderbolletje met dat alle kanten op springende kroeshaar. Ach, dat ontembare haar. In een flits herkent ze in haar dochtertje zichzelf als klein meisje. ‘Weet je, ze is erg geschrokken van het ongeluk. Ze schijnt de hele tijd muisstil in haar tuigje op de achterbank te hebben gezeten, zo stil dat ze eerst helemaal niet doorhadden dat zij ook nog in de auto zat. Hè, Noortje, stoere meid van papa.’
Grace krijgt het er koud van. Dat beeld van een doodsbange Norah, terwijl zij bewusteloos achter het stuur moet hebben gezeten. Niets komt er bij haar boven. Geen autorit, geen ongeluk, niks. Het blijft een verhaal, een verzinsel. Ze weet het omdat het haar wordt verteld. Het laatste wat ze zich herinnert van voor het ziekenhuis is het inspreken van haar overdub in het geluidsstudiootje van Magic Media. Haar geheugen is in die goed geïsoleerde cabine blijven steken, haar blik afwisselend op het script en op de secondeteller om de vertaalde woorden exact in het juiste tempo en op het juiste moment uit te spreken. Op het scherm ziet ze de gezichtsuitdrukkingen, de gebaren en de lichaamshouding van de echte Maria, een helblonde Zweedse actrice op wie ze totaal, maar dan ook totaal niet lijkt, maar daar hoort de kijker straks niets van.
‘Voor alle zekerheid heb ik een advocaat stand-by gezet. Een goede vriend van me. Je moet het zelf maar zien, maar het leek me handig voor het geval dat.’
‘Een advocaat?’
Hij legt uit dat het routine is bij dit type verkeersongevallen dat de politie proces-verbaal opmaakt. Het betekent dat ze enkele vragen zal moeten beantwoorden. In een dergelijk geval is het raadzaam om iemand mee te nemen die de wet kent, zodat je weet waar je wel en waar je niet op hoeft te antwoorden.
Haar hoofd tolt. Ze wordt letterlijk duizelig van alles wat op haar afkomt, ze moet even gaan zitten. Dave denkt dat het komt door het ongeluk en vraagt of ze ook hersenscans hebben gemaakt. Even niks meer vragen, houd alsjeblieft even je mond. Laat me, ik wil het allemaal nog even niet zeker weten.
Norah kijkt haar stilletjes aan en legt voorzichtig een handje op haar knie. Grace glimlacht en tilt haar op schoot, begraaft haar gezicht in het kroeshaar van haar kleintje, de laatste veilige plek op aarde.

Buiten op de parkeerplaats van het ziekenhuis is ze gedesoriënteerd. Het gebouwencomplex en de voorbijrazende asfaltweg roepen bij haar niets op, al ben je bij zulke betonnen waailocaties zelden op bekend terrein. Maar nee, ze weet het bijna zeker. Dave stelt voor dat ze met Norah bij de ingang blijft wachten. Dan hoeven ze niet het hele eind mee. Hij rijdt de auto wel even voor.
Als hij over de parkeerplaats wegloopt, constateert ze dat hij is veranderd. Rustiger geworden, volwassener. Ze kan aan hem zien dat hij gelukkig is in zijn nieuwe relatie. Maar als hij even later aan komt rijden in die halve vrachtwagen van een Range Rover en ze hem trots ziet glunderen achter het stuur, weet ze niet meer zo zeker of het Kelsey is die hem gelukkig maakt of toch dit opgepoetste verlengstuk van zijn mannelijkheid.
Ze gaat achterin zitten, naast Noortje in d’r kinderzitje. De crèmekleurige kalfsleren achterbank is zo ruim dat ze liever naar het midden doorschuift, veilig naast het vertrouwde kinderlijfje. In de binnenspiegel schrikt ze van haar eigen gezicht. Maar ze is te uitgeput om zich er op dit moment over op te winden.
Dave vraagt haar niets, zegt ook niet waar ze heen gaan. De Range Rover rijdt licht en geruisloos, de weelde verdooft haar weldadig. Noor is al weggedommeld. Ze merkt het nog maar half. Ze is zo moe, zo duizelingwekkend moe dat ze abseilt in een droomloze slaap.
Als ze haar ogen opslaat, lijken ze in zijn nieuwe villadorp te zijn aangekomen. Dat moet het haast wel zijn, met overal die heggen, die bochten en die hellingen. Of bevindt ze zich nog steeds in een droom?
‘Weet je wat het eigenaardige is, Grace?’ hoort ze David zeggen. Zijn stem bereikt haar door de tunnel van haar halfslaap. ‘Dat laantje waar jij zo gruwelijk de fout in bent gegaan, ligt helemaal niet op de route. Wat ik me steeds afvraag, is: wat had jij daar in godsnaam te zoeken? De politie zal dat ongetwijfeld ook van je willen weten. Nou ja, laten we er straks bij mij thuis samen eens rustig naar kijken.’

 

© 2024 P.F. Thomése

Wil je van je bestaande account gebruikmaken op onze nieuwe website? Je behoudt dan onder meer je bestelgeschiedenis, reeds aangeschafte e-books en je persoonlijke verlanglijst. Als je toestemming geeft krijg je direct een mail om een nieuw wachtwoord in te stellen.

Voer een geldig e-mailadres in

Hostname: pro-mbooks3