22 november verschijnt de nieuwe roman van Paul Murray, genomineerd voor de Booker Prize 2023, bekroond met de Nero Gold Prize: De bijensteek (The Bee Sting), in de vertaling van Dirk-Jan Arensman! Wij publiceren voor. Lees nu een fragment en bestel vast je boek.
De familie Barnes zit in de problemen. Het lucratieve autobedrijf van Dickie Barnes draait niet meer. Dickie kijkt ervan weg door met de bouw van een bunker in het bos te beginnen. Zijn vrouw Imelda vindt de avances van Big Mike, een rijke veeboer, steeds aantrekkelijker. Tiener Cass, die altijd de beste van haar klas is geweest, reageert op deze neergang door te besluiten elke dag dronken te worden tot ze afstudeert, terwijl de dertienjarige PJ een plan maakt om van huis weg te lopen.
Wanneer het leven en de wereld uit elkaar vallen, rijzen de grote vragen: wanneer en waar is de kiem gelegd? De dag waarop Dickie op tienjarige leeftijd bevend voor zijn vader stond en leerde hoe hij een echte man moest worden? Het auto-ongeluk twaalf maanden voor Cass’ geboorte? Of de verwoestende bijensteek die Imelda’s trouwdag verpestte?
De bijensteek is een grandioze roman over het verval, de angsten, de leugens en het liefdesleven van een familie op het Ierse platteland.
Sylvia’s
I
Een dorp verderop had een man zijn gezin vermoord. Hij had de deuren dichtgespijkerd, zodat ze niet naar buiten konden; de buren hoorden ze door de kamers rennen, om genade schreeuwen. Toen hij klaar was, richtte hij het wapen op zichzelf.
Iedereen had het erover – over wat voor man zoiets kon doen, over de geheimen die hij gehad moest hebben. Er dwarrelden geruchten rond over affaires, verslaving, verborgen bestanden op zijn computer.
Elaine zei alleen maar dat het haar verbaasde dat het niet vaker gebeurde. Ze stak haar duimen door de riemlussen van haar spijkerbroek en keek omlaag naar de saaie hoofdstraat van haar dorp. Ik bedoel, zei ze, dan heb je tenminste iets te dóén.
Cass en Elaine hadden elkaar leren kennen in de scheikundeles, toen Elaine tijdens een proefje jodium op Cass’ eczeem goot. Het was een ongelukje; zij had meer gehuild dan Cass en erop gestaan dat ze met haar meeging naar de schoolzuster. Sindsdien waren ze vriendinnen. Cass kwam elke ochtend naar Elaines huis, en dan liepen ze samen naar school. In de lunchpauze rolden ze hun lange rokken op en dwaalden door de supermarkt, luisterden naar muziek op Elaines telefoon en aten croissants van de broodafdeling, die tegen de tijd dat ze bij de kassa kwamen op waren. ’s Avonds gingen ze bij elkaar thuis huiswerk maken.
Cass had het gevoel dat ze Elaine altijd had gekend; het sloeg nergens op dat ze niet altijd vriendinnen waren geweest. Hun levens vertoonden zoveel overeenkomsten dat het bijna eng was. Beide meisjes kwamen uit bekende families in het dorp: Cass’ vader Dickie was eigenaar van de plaatselijke Volkswagen-dealer, terwijl Elaines vader Big Mike zakenman en veeboer was. Beide meisjes waren van iets meer dan gemiddelde lengte; ze waren allebei slim, haalden consequent de hoogste cijfers van de klas. Ze waren allebei van plan op een dag te vertrekken en nooit meer terug te komen.
Elaine had goudblond haar, groene ogen en een volmaakt figuur. Als ze online kleren kocht, pasten ze altijd perfect, alsof ze voor haar gemaakt waren. Wanneer Cass in haar dagboek over haar schreef, gebruikte ze woorden als ‘elegantie’ en ‘stijl’. Ze had wat de Fransen ‘je-ne-sais-quoi’ noemden. Zelfs als ze haar teennagels knipte, zag ze eruit alsof ze een perzik aan het eten was.
Als Cass bij Elaine thuis kwam, gingen ze op haar bed zitten met de carrousellamp aan en keken ze naar de website van Miss Universe Ierland. Elaine dacht er serieus over mee te doen, hoewel het haar niet zozeer om de titel ging als wel om de kansen die het misschien zou bieden. De winnares van het voorgaande jaar was nu ambassadrice van een fruitsapfabrikant.
Cass vond Elaine mooier dan alle deelneemsters van wie er foto’s online stonden. Maar het was tricky. De meisjes die meededen aan de Miss Universe Ierland-verkiezingen, en vervolgens aan de Miss Universe-verkiezingen voor de hele wereld c.q. het hele universum, hadden allemaal obstakels die ze hadden moeten overwinnen. Eentje was als vluchteling gekomen uit een land in oorlog in Afrika. Een ander had als klein meisje een operatie nodig gehad. Een erg slanke deelneemster was vroeger heel dik geweest. Het obstakel moest iets ergs zijn, zoals een leerstoornis, maar niet iets héél ergs, zoals dat je tien jaar lang in een kelder aan de ketting was gelegd door een pedofiel. Cass’ eczeem zou een perfect obstakel zijn; ze vroegen zich af of ze het, als ze haar huid maar lang genoeg tegen die van Elaine hield, aan haar kon doorgeven. Maar dat leek niet te werken. Volgens Elaine was dat obstakelvereiste oneerlijk. Als je erover na gaat denken, is het bijna een soort discriminatie, zei ze.
De huishoudster klopte op de deur om te zeggen dat het tijd was voor Elaines zwemles. Elaine rolde met haar ogen. In het zwembad wemelde het altijd van de pleisters en de oude mensen. Die híér vandaan komen, zei ze. Als dat geen obstakel is, dan weet ik het ook niet meer.
Elaine haatte hun dorp. Iedereen kende iedereen, iedereen wist alles van je; als je over straat liep, gingen mensen in auto’s langzamer rijden zodat ze konden zien wie je was en naar je zwaaien. Er waren geen fatsoenlijke winkels; in plaats van McDonald’s en Starbucks hadden ze Binchy Burgers en Mangan’s Café, waar de eigenaren achter de toonbank werkten en naar je ouders vroegen. Je kunt niet eens een worstenbroodje kopen zonder dat je iedereen je hele levensverhaal moet vertellen, klaagde ze.
Dat kleine zou nog niet zo erg zijn geweest, als de dorpelingen ietsjes wereldwijzer waren geweest. Maar het enige waar die in geïnteresseerd waren, afgezien van het boerenbedrijf en het welvaren van de microchipfabriek, waren Gaelic sporten. Football, hurling, camogie, de regionale kampioenschappen, de Cup, de teams onder 21 – dat was het enige waar iedereen het over had. Elaine haatte de Gaelic Athletic Association. Ze was slecht in sport, ondanks haar elegantie. Ze was tijdens de gymlessen altijd als laatste boven in het touw; tijdens teamsporten beperkte ze zich tot de zijlijn, waar ze chagrijnig keek, haar haar naar achteren zwiepte en met tegenzin vaagjes in de richting van het spel heen en weer bewoog, als een prachtig varenblad op de bodem van een lawaaierige, kreunende oceaan.
Het Comité Dorpen aan Kant, waar Cass’ moeder lid van was, eikelde altijd eindeloos door over het natuurschoon in de omgeving, maar daar ging Elaine niet in mee. De natuur was in haar ogen bijna net zo erg als sport. Zoals alles maar bleef gróéien? Dat dingen, zoals oogsten en zo, afstierven en dan het volgende jaar weer terúgkwamen? Begreep niemand anders dan hoe griezelig dat was?
Ik wil niet negatief doen, zei ze. Ik wil gewoon ergens wonen waar ik koffie kan krijgen, geen natuur hoef te zien en niet iedereen eruitziet alsof ze van aardappelpuree zijn gekleid.
Cass was ook niet dol op de gaa, en ze was het eens wat betreft het algehele gebrek aan je-ne-sais-quoi. Maar voor haar was de aanwezigheid van Elaine genoeg om de tekortkomingen van het dorp te compenseren.
Ze had zich nog nooit zo met iemand verbonden gevoeld. Als ze elkaar ’savonds appten – soms bleven ze tot twee uur ’snachts op – zaten ze zo op dezelfde golflengte dat het net leek alsof ze dezelfde persoon waren. Als Elaine Cass appte wtf was dat met die trui vandaag, dan wist ze meteen over welke trui ze het had; van een enkel woord zonder verdere uitleg, ‘bagatel’ of ‘uitlikken’, kon ze zo hard in de lach schieten dat haar pa het aan de andere kant van de overloop kon horen en binnenkwam om te zeggen dat ze moest gaan slapen. In sommige opzichten waren dat de fijnste momenten – fijner nog dan samen zijn. Terwijl ze in bed lag en de berichten tussen hen heen en weer vlogen, had Cass dan het gevoel dat zij ook vloog, hoog boven het dorp, in een zuivere ruimte die totaal aan haar en haar beste vriendin toebehoorde.
Na school gingen ze meestal naar Elaines huis, maar soms ging Elaine met Cass mee. Dat was eens wat anders. Ze zat graag in de keuken te praten met Imelda – zo noemde ze Cass’ moeder, ‘Imelda’, zo nonchalant en vanzelfsprekend dat Cass het na een tijdje ook begon te doen. Die jeggings staan je zó goed, Imelda, zei ze dan. O, vind je? zei Cass’ moeder ‘Imelda’ dan, en dan boog ze met een onmogelijke, wilgachtige gratie naar opzij om de achterkant van haar eigen dijen te bekijken. Ik was niet helemaal zeker van die strepen. Die strepen maken ze juist, zei Elaine dan op besliste toon, en dan keek Imelda blij.
Cass’ moeder was een beroemde schoonheid. Zij had ook blond haar en groene ogen. Het is zo raar dat ze jouw moeder is, zei Elaine. Zou het niet logischer zijn als ik haar dochter was?
Dan zouden we zussen zijn! zei Cass.
Nee, in plaats van jou, bedoel ik, zei Elaine.
Cass wist niet zeker wat ze daarmee moest. Maar feit bleef dat Elaine beter met haar moeder kon opschieten dan zijzelf. Imelda gaf Elaine graag gezichtscrèmes om uit te proberen; ze wisselden schoonheidsgeheimpjes en make-upadviezen uit. Cass was tijdens die gesprekken een buitenstaander. Niets werkt op haar huid, zei Imelda, omdat ze eczeem heeft. Dat is een flink obstakel, was Elaine het met haar eens.
Op een keer had Imelda de meisjes meegenomen naar Dublin voor de pre-sale. De kortingen stonden nog niet op de prijskaartjes; alleen platina klanten wisten ervan. Door dat heimelijk boven andere klanten verheven zijn was Elaine zichtbaar uitgelaten geraakt; ze keek toe hoe Imelda langs de kledingrekken liep, als een keizerin op een slavenmarkt genadeloos de zweep over de kledingstukken liet gaan, alsof ze het verschil zag, als een aura dat om haar heen hing, een platina gloed.
[…]
© 2023 Paul Murray
© 2024 Nederlandse vertaling Dirk-Jan Arensman