Leesfragment: De wetten

31 oktober 2024, door Connie Palmen

Altijd op voorraad bij Athenaeum Boekhandel Spui (dankjewel Bob): Connie Palmens De wetten. Lees de eerste pagina’s, die spelen in de boekhandel die Mischa Cohen ‘samen met twee vrienden was begonnen, Van Dale in de Saenredamstraat, waar [Palmen] één dag in de week werkte’ en koop dat boek!

De wetten is een van de succesvolste literaire Nederlandse debuten ooit. Van de bildungsroman over een vrouw die in zeven jaar tijd zeven mannen ontmoet werden binnen een jaar meer dan 400.000 exemplaren verkocht. De roman kende een internationale zegetocht, werd verkozen tot European Novel of the Year en genomineerd voor de International IMPAC Dublin Literary Award.

  • De wetten is één grote schatkamer waaruit je naar hartenlust citaten kunt halen die het verdienen onthouden te worden.’ NRC Handelsblad
  • De wetten is een ernstig boek, rijk aan ideeën, een hartstochtelijke zoektocht naar waarheid en geluk. Het is bovendien een heel scherpzinnig en humoristisch boek, laconiek van stijl, elegant van redenering. Een debuut om jaloers op te zijn.’ Trouw


 

I
De astroloog

De astroloog ontmoette ik voor het eerst in de zomer van 1980. Het was op een vrijdag de dertiende. Zulke dingen merk ik achteraf pas op. Een vrijdag de dertiende kan voorbijgaan als iedere andere dag, maar als er van alles bijkomt en het een dag van gebeurtenissen wordt, is het toch alsof de naam en het getal een geheim verbond hebben en het alleen aan je eigen verwaandheid te wijten is als je de vingerwijzingen van het lot in de wind durft te slaan.
Sinds het begin van mijn studietijd werkte ik iedere vrijdagmiddag in een modern antiquariaat in de Pijp. Het was er rustig en ik kon op mijn gemak een boek lezen of de kranten doorbladeren. Kranten lees ik nooit, ik blader er wat doorheen. Echt nieuws heeft genoeg aan de koppen en de geschiedenis van het nieuws is altijd oud en welbekend.
Meestal schreef ik een brief aan een of andere oude bekende. Nu ook.
Het was een warme dag, het rek met kranten stond buiten en de deur stond open. Iemand was onhoorbaar binnengekomen, een kleine, gedrongen man met een volle baard en zo’n halve bril. Het ergerde mij dat ik niet wist of hij al een tijd zo naar mij had staan kijken, met een scheef hoofd en met een peilende blik over de randen van de glazen turend, waardoor er zo akelig veel oogwit te zien is van iemand zijn oogbol.
Ik hoef niet zoveel oogwit te zien van iemand zijn oogbol.
Uit de omvang van mijn wrevel maakte ik voor het eerst die dag op dat ik een slecht humeur had en liever niemand wou zien. Rust aan mijn kop, kaken op elkaar, zwijgen.
Ik groette vriendelijk en boog me weer over mijn brief. Nu was het vooral zaak om te voorkomen dat de zin in mijn hoofd uit zou dijen tot een monotone litanie. Als ik ‘Sta me niet zo aan te gapen, rund!’ bleef herhalen had ik daar alleen mezelf mee, want ik kan mij opzwepen tot grote emoties zonder dat iemand er erg in heeft.
Ik las de laatste zinnen uit mijn brief over. Zonder een witregel open te laten schreef ik erachter:
‘Nu staat er opeens een rund midden in de winkel. Je kent me, je weet dat ik niet met beesten om kan gaan. Wat moet ik met een rund?’
Het hielp.

Hij liep door de winkel. Het was een vreemde gang, een schuifelen meer. Als je langer in een winkel werkt leer je de mensen in de gaten te houden zonder dat zij zich bespied weten. Je bewaart ze constant als een schaduw in een van je ooghoeken en herkent al snel de afwijkende bewegingen.
Diefstal was wel het laatste waar ik hem van verdacht. Heel die aarzelende kromme gang was eerder van een schuw dier dan van iemand die de moed verzamelt om toe te slaan. Hij had nauwelijks oog voor de boeken. Als hij stilstond voor een rek of een tafel voelde ik dat hij onderzoekend en peinzend naar mij keek, alsof hij zich afvroeg waar hij mij eerder gezien had.
Ik heb een goed geheugen voor gezichten. Ik had hem nooit eerder gezien.
Zodra je ergens gevaar vermoedt kun je de vijand maar het beste recht in de ogen kijken. Als je je blik afwendt van iets waar je bang voor bent, wordt jouw angst duizendvoudig en blijft ook veel langer bij je dan nodig is. Van nature mijd je dat. Het is net als bij motorrijden. Achterop heb je in de bocht de neiging om je lichaam tegen de bocht in te bewegen en zo ver mogelijk van het asfalt vandaan te houden. Maar je moet juist meegaan, heel je lichaam in de bocht gooien tot je neus rakelings boven het wegdek scheert. Je moet doen waar je bang voor bent, want dat is het veiligste.
Ik keek op, pal in zijn gezicht en vroeg of ik hem ergens mee van dienst kon zijn. Het bracht hem hevig van zijn stuk, de vraag. Er kwam onverwacht veel beweging in zijn lichaam en hij schudde driftig zijn hoofd.
‘Oh nee, nee,’ zei hij alsof hij naar adem snakte.
Zoveel verlegenheid is onverdraaglijk om aan te zien en ik glimlachte maar eens om hem op zijn gemak te stellen. Koest, rustig maar, goed volk.
Zenuwachtige mensen kunnen opeens heel agressief worden.
Ik wou weer verder met die brief.
‘Nou, misschien,’ hakkelde hij. Enkele weken geleden wandelde hij ook door deze buurt en toen had hij, in een of andere boekwinkel, hij meende dat het deze was, maar wist het niet zeker, in ieder geval ergens in de Pijp, in een etalage, had hij een boek zien liggen over Vincent van Gogh. Daar was hij naar op zoek. Niet omdat hij van Van Gogh hield trouwens, integendeel, juist omdat hij van zichzelf niet begreep waarom hij iets had tegen Van Gogh, wou hij het boek lezen.
Hij praatte snel, maar heel zacht. Het was een mompelen met weinig lucht en met een accent dat ik niet thuis kon brengen. Maar dat kan ik bijna nooit.
‘Als we het hebben moet het daar staan,’ zei ik en wees naar de kast links van de tafel waaraan ik zat.
‘Ja, ja,’ zei hij en keek gewillig in de door mij aangewezen richting, wierp mij nog wat vragende blikken toe en bleef staan dralen.
Wat wou hij? Zijn verhaal had vreemd geklonken, maar je kunt wel met iedereen een boom opzetten over het voor en na van Vincent van Gogh en daar had ik toch geen zin in.
Met een gekromde rug liep hij voor mijn tafel langs. In het voorbijgaan rook ik een dorre lucht. Hij stond nu een meter bij mij vandaan, met zijn gezicht naar het rek met de boeken over kunst gekeerd.
‘Boogschutter-Schorpioen,’ zei hij.
Klopt.

[...]

 

© 1991 Connie Palmen

Wil je van je bestaande account gebruikmaken op onze nieuwe website? Je behoudt dan onder meer je bestelgeschiedenis, reeds aangeschafte e-books en je persoonlijke verlanglijst. Als je toestemming geeft krijg je direct een mail om een nieuw wachtwoord in te stellen.

Voer een geldig e-mailadres in

Hostname: pro-mbooks3