Leesfragment: De wolven van de eeuwigheid

30 oktober 2024, door Karl Ove Knausgård

7 november verschijnt de nieuwe, grote roman van Karl Ove Knausgård, het vervolg op De morgenster! Wij publiceren voor uit De wolven van de eeuwigheid (Ulvene fra evighetens skog), uit het Noors vertaald door Marin Mars. Lees nu een fragment en bestel vast je boek!

Het is 1986 en in Tsjernobyl is een kernreactor ontploft. Syvert keert terug van militaire dienst en gaat bij zijn zieke moeder in Noorwegen wonen. Na een droom over zijn overleden vader onderzoekt hij zijn verleden en ontdekt hij brieven die naar de Sovjet-Unie wijzen. In hedendaags Rusland worstelt Alevtina, ooit een ambitieuze bioloog, met haar identiteit.

De wolven van de eeuwigheid verbindt op meesterlijke wijze de levens van Syvert en Alevtina en belicht het diepgaande, tijdloze karakter van menselijke relaties.



 

Helge

 

Ik heb net naar het album Rockin’ All over the World van Status Quo zitten luisteren. Ik ben nog steeds in shock. Toen het uitkwam, draaide ik het non-stop. Dat was in 1977 en ik was elf jaar. Sindsdien heb ik die nummers nooit meer gehoord. Tot nu toe dan, toen ik me in mijn werkkamer zat te vervelen en enkele sporen terug in de tijd volgde; via bands die op andere bands leken, die weer op andere bands leken, verscheen het opeens weer op mijn scherm. Bij het zien van de hoes alleen al liepen de rillingen me over de rug. Het beeld van de aarde, oplichtend in de zwarte ruimte, met de naam van de band in een soort elektrisch schrift en de titel van de plaat in computerletters eronder – wow! Maar toen ik het afspeelde, was ik gewoon verbijsterd. Ik herinnerde me alle songs nog, het was alsof de melodieën en de riffs uit hun eigen geheime plekje in mijn onderbewustzijn tevoorschijn kwamen om dat waar ze ooit uit waren voortgekomen te ontmoeten en te omarmen. Eindelijk ontmoetten ze hun oorsprong weer, hun ouders, deze oude Status Quo-nummers. Maar dat niet alleen. Ze brachten een vloed van herinneringen met zich mee, een wirwar van smaken, geuren, beelden, gebeurtenissen, stemmingen, sferen – you name it. Mijn gevoelens konden die enorme hoeveelheid informatie niet aan; de drie kwartier dat het album duurde, trilde en sidderde alles vanbinnen.
Ik had het op cassette – niemand die ik kende had een platenspeler, behalve mijn zus, maar die luisterde alleen naar jazz en klassiek – en draaide het de hele dag door op de zwarte cassettespeler die ik het jaar ervoor met kerst gekregen had. Hij liep op batterijen en ik nam hem bijna overal mee naartoe. En ik zong alle nummers mee.

You donou me, don hang around
You donou me nomore

Geweldig om dat weer te horen!
En dit!

Tutututake us alone men a ment to tain going you where
Die doe doe die doe doe!

Status Quo, Slade, Mud, Gary Glitter, dat waren de bands waar we naar luisterden; degenen die wat ouder waren vulden dat nog aan met Rory Gallagher, Thin Lizzy, Queen en Rainbow. Toen veranderde alles op slag, voor mij tenminste, want opeens waren Sham 69, The Clash, The Police en The Specials het helemaal. Maar al die bands had ik zo af en toe nog wel beluisterd. Alleen Status Quo niet. Daarom was het alsof ik vanbinnen explodeerde. Daarom moest ik huilen toen ik deze regel hoorde:

An ai laik it ai laik it ai laik it ai laik it ai la la la la laik it la
la la laik it
her we go -o:
rockin all over the world

Niet dat er nou zoveel gebeurde in het jaar 1977, in elk geval niet voor mij, het was meer dat er iets gebeurde, met name dat er iets was.
Dat ik er was. En dat ik daar was.
In mijn kamer bijvoorbeeld.
Mmmm, de geur van de elektrische kachel.
De muziek op mijn cassettespeler.
Niet zo hard, pappa was thuis, maar hard genoeg om de sfeer diep tot me door te laten dringen.
De sneeuw buiten. Hoe die rook als hij nat was, bijna meer als regen dan als sneeuw.
An ai laik it ai laik it ai laik it ai laik it ai la la la la laik it la la la laik it
Hilde die de deur opendoet.
‘Er loopt een meisje voor ons huis heen en weer. Ken je haar?’
Ik ging voor het raam van de woonkamer staan. Er liep inderdaad een meisje langs ons hek. Ze stak de weg over en bleef aan de overkant naar ons huis staan kijken. Ze kon me niet zien, maar toch. En toen liep ze weer terug, tussen de struiken door en langs ons hek.
‘Ken je haar?’ zei Hilde.
‘Ja,’ zei ik. ‘Dat is Trude. Ze zit in de parallelklas.’
‘En wat doet ze hier?’
Ik haalde mijn schouders op.
‘Ik denk dat ze voor mij komt.’
‘Ha!’ zei Hilde. ‘Je bent pas elf, hoor.’
‘Ik heb al een heleboel vriendinnetjes gehad,’ zei ik.
‘Die je een kusje op hun wang hebt gegeven.’
‘Ik heb met ze gezoend.’
‘Ga dan naar haar toe.’
Ik schudde mijn hoofd.
‘Waarom niet? Ga je met iemand anders?’
‘Ze is een beetje apart.’
‘Is ze niet goed wijs?’
‘Nee, nee. Ze is alleen anders.’
‘Klinkt goed, vind ik.’
‘Dat is omdat je zelf apart bent,’ zei ik en keek haar aan, want ze begon te stralen toen ik dat zei.
‘Niet goed wijs,’ ging ik door.
Toen ging de bel.
‘Dat is Trude,’ zei Hilde. ‘Moet je niet opendoen?’
‘Kun je alsjeblieft zeggen dat ik niet thuis ben?’
‘Wat krijg ik ervoor?’
‘Iets.’
‘De helft van je zaterdagsnoep.’
‘Oké.’
Ik stond op de trap en hoorde Hilde zeggen dat ik niet thuis was en dat ze niet wist waar ik was. Toen zag ik Trude door de sneeuw naar huis lopen. Of het daadwerkelijk zo is gegaan, weet ik niet. Ik herinner me dat ik haar zag en ik herinner me dat ik een heleboel snoep aan Hilde gaf zodat ze voor me zou liegen. Maar het best herinner ik me de sneeuw, het gevoel van de sneeuw, de sfeer. Het mistte ook. Witte, papperige sneeuw, grijze mist. En dan Rockin’ All over the World.
Heb ik een herinnering die daar niet mee klopt?
Natuurlijk niet, want een mens is opgebouwd uit herinneringen die elkaar bevestigen, dat is wat je bent.
Toch heb ik één herinnering die op zichzelf staat. Die verder nergens iets mee te maken heeft. Het was iets wat ik zag. En het was diezelfde winter, in 1977, een paar weken voor kerst. Maar voor die herinnering heb ik geen muziek nodig. Het staat me nog heel helder voor de geest.
Ons huis stond aan een weg. Aan de ene kant was bos, dat glooiend afliep naar een smalle baai, aan de andere kant lag een nieuwbouwwijk. Als je de weg volgde tot het kruispunt en daar naar rechts ging, kwam je bij een lage brug over het water. Verderop lagen een aantal drijvende steigers en daar weer achter was de zee-engte.
Op een avond liep ik in mijn eentje de weg af. Het was donker en mistig, de sneeuw op de weg was in de loop van de dag voor een deel gesmolten, het asfalt was bedekt met papsneeuw. Ik weet niet meer waar ik heen ging of waar ik was geweest, dat is allemaal uit mijn geheugen gewist. Misschien wilde ik naar de drijvende steigers om te kijken of er iemand was, we hingen daar vaak rond. In ieder geval: duisternis, mist, papsneeuw op het asfalt. Mijn donsjas glom in het licht van de straatlantaarns. Over de brug. Het water zwart en koud.
Maar wat was dat?
Er scheen iets daar beneden.
In de diepte, in het zwarte water scheen iets.
Het duurde een paar seconden voor ik snapte wat het was.
Het was een auto.
Pas toen ik dat begreep, zag ik dat er een steen uit de afscheiding langs de weg ontbrak en dat er bandensporen naar de rand liepen.
Het moest net gebeurd zijn, aangezien de autolampen nog brandden. Ik draaide me om en rende weer naar boven. Ik moest bij een telefoon zien te komen en een ambulance bellen. Maar toen ik vlak bij de huizen was, was ik niet meer zo zeker van mijn zaak. Het hoefde geen auto te zijn. Het kon ook iets anders zijn. Misschien zou ik een enorme operatie in gang zetten voor niets. Wat zou pappa dan wel niet zeggen?
Ik kwam bij ons huis, ging naar binnen en trok mijn jas uit. Toen pappa me hoorde stak hij zijn hoofd uit zijn werkkamer.
‘Waar ben je geweest?’
‘Bij de nieuwe winkel,’ zei ik.
‘Het eten staat op tafel,’ zei hij. ‘En daarna meteen naar bed.’
‘Oké,’ zei ik.
Ik deed wat me gezegd was. At de boterhammen op die hij had gesmeerd en ging naar bed. Lag nog lang in het donker te denken aan het licht beneden in het water, aan de auto die onder water lag te schijnen terwijl ik hier lag.
De volgende dag stonden er een ambulance, een politieauto en een kraanwagen. De dag daarop stond het op de voorpagina van de krant. Iedereen had het erover. Behalve ik. Nu, vijfendertig jaar later, heb ik nog steeds niemand verteld wat ik die avond had gezien of wat ik gedaan had. Want ik weet dat ik hem had kunnen redden als ik juist gehandeld had. Maar dat heb ik niet gedaan en hij ging dood. Die herinnering is van mij, alleen van mij, en als er niets onvoorspelbaars gebeurt, neem ik haar mee in het graf.

 

Oorspronkelijke tekst © Karl Ove Knausgård, 2021
Nederlandse vertaling © Marin Mars en De Geus bv, Amsterdam 2024

Wil je van je bestaande account gebruikmaken op onze nieuwe website? Je behoudt dan onder meer je bestelgeschiedenis, reeds aangeschafte e-books en je persoonlijke verlanglijst. Als je toestemming geeft krijg je direct een mail om een nieuw wachtwoord in te stellen.

Voer een geldig e-mailadres in

Hostname: pro-mbooks3