7 maart verschijnt de nieuwe roman van Karl Ove Knausgård: Het derde rijk. Morgenster 3 (Det tredje riket), uit het Noors vertaald door Maaike van Rijn! Wij publiceren voor. Lees een fragment en bestel je boek!
Een heldere nieuwe ster boven Noorwegen zaait onrust en angst. Terwijl kunstenaar Tove in een psychose belandt, onderzoekt Geir een sinistere moord. Maar het meest verbijsterende is de ontdekking van begrafenisondernemer Syvert: sinds de ster verscheen, is niemand meer gestorven.
Tove
Ze zeggen dat depressie uit gestolde woede bestaat. Zelf stel ik het me voor als een versteende trol. Een schepping van het duister uit de rafelranden – razend, gevaarlijk – door het daglicht veranderd in iets onbeweeglijks, levenloos.
Manie is volgens mij dat je jezelf vergeet, zoals je een kokende pan op het fornuis kunt vergeten.
Psychose treedt op als de manie is uitgewoed, als alleen nog de confrontatie met de werkelijkheid voor haar over is (en manie is banger voor de werkelijkheid dan voor wat dan ook). Dan is psychose dus een optie. Psychose is als een van die drie deuren in sprookjes, degene die je absoluut niet moet openmaken. Hij mag niet open. Dat weet iedereen. Toch gaat hij uiteindelijk altijd open. Als de keuze gaat tussen iets en niets, probeer je eerst iets.
Die sprookjes.
De trollen, de drie deuren, het grote bos. Dat bos waar dieren kunnen praten en mensen in dieren veranderen. Dat met die heksen, pachters, koningen, onderaardse gewelven en hallen, boomstronken, prinsessen die zich door niemand de mond laten snoeren, stiefmoeders en oude vrouwtjes, hooggelegen bergweitjes en blauwe toppen aan de einder.
Van jongs af aan had ik het gevoel dat die sprookjes iets verborgen. En dat hun geheimen belangrijk waren. Later las ik Jung en zijn theorie over archetypes en het collectief onbewuste, maar dat was niet wat ik in die sprookjes voelde, dat was iets anders. Van Jung nam ik mee dat ik de Magiër was en Arne de Wees (ook al had hij tot aan diens dood een goede relatie met zijn vader en nog steeds een goede relatie met zijn moeder), een zeker begrip van de universaliteit en de kracht van symbolen en verder niets. Degene die verandert, is de Magiër. De Magiër is een revolutionair. Degene die behoeftig is, is de Wees. De Wees is een manipulator.
Een psychose is niet de hel. Uit een psychose komen is de hel. Dat is de hel op aarde. Niets van wat je dacht, zag of geloofde blijkt waar. En je dacht, zag en geloofde het met heel je wezen. En dat is nog niet alles. Ineens staan ze je daar aan te kijken, man en kinderen. Smekend of boos, ik weet niet wat erger is.
Dan is het tijd voor tranen. Een bodemloos verdriet.
Waarover?
Mijzelf en mijn ontoereikendheid.
Niemand wil een gekke mamma hebben. En niemand wil er een zijn.
‘Ben je nu weer normaal?’ zei Heming een keer toen ze op bezoek kwamen. Wat kon ik anders doen dan knikken en huilen en zijn onwillige lijfje tegen me aan drukken?
Laat op de avond kwamen we aan bij het vakantiehuis, na een hele dag in de auto. Heming, Asle en Ingvild zaten min of meer verlamd door de monotonie op de achterbank. Arne, die de laatste uren was opgeleefd nu hij terug was in het landschap van zijn jeugd, zette de motor uit en draaide zich glimlachend naar de kinderen om.
‘Acht uur en twee minuten,’ zei hij. ‘Dat is dertien minuten sneller dan vorig jaar!’
‘Goed, zeg,’ zei Ingvild en glimlachte terug.
De tweeling vertrok geen spier.
‘Jullie dragen je eigen spullen naar binnen,’ zei Arne. ‘En wel meteen, zodat het maar klaar is. Ingvild, neem jij de kat?’
‘Het kinderslot zit erop,’ zei Heming.
‘Jaja, ik doe hem al open,’ zei Arne.
Ik keek Ingvild aan. Ze glimlachte net zo naar mij als ze naar Arne had gedaan. Tilde de reiskooi met de kat van haar schoot, zette hem naast zich en maakte haar gordel los terwijl de jongens door het portier aan de andere kant verdwenen.
Ze was te lief.
‘Je mag best wat vaker schijt aan de dingen hebben, weet je dat?’ zei ik.
‘Ik weet het,’ zei ze en glimlachte weer. Maar in haar ogen zag ik een flits van duisternis. Daarvan had ze veel in zich.
Zou ze dat zelf ook weten?
Ik pakte de sigaretten en de aansteker uit het handschoenenkastje en stak er bij de auto een op. De anderen verdwenen met hun koffers en rugzakken om de hoek.
Het rook naar zee. En het ruiste vanuit de baai. Regelmatig en zachtjes, alsof daarbeneden iemand lag te slapen.
Sssjj-ssjj. Sssjj-ssjj.
De lucht grauwwit. Het gras grijszwart. De bomen en struiken zwart. Toen ging het buitenlicht aan en ineens kleurde het gras onnatuurlijk groen.
‘Een sigaret is vast lekker nu,’ zei Arne, die terugkwam om meer te halen.
‘Ja,’ zei ik. ‘Wil je er een?’
‘Haha,’ zei hij, zwaaide een grote rugzak op zijn rug, pakte de tasjes eten mee van de supermarkt beneden bij de brug en verdween weer om de hoek.
De buren met de rottweilers waren er ook, er scheen licht uit hun huis achter me. Iedereen zou er wel zijn nu de zomervakantie was begonnen.
Ik gooide de peuk in het grind en pakte een koffer mee op weg naar binnen. Kwam halverwege Arne tegen, die zijn hoofd heen en weer bewoog alsof hij naar muziek luisterde die hij fijn vond.
‘Dans je voor me?’ zei ik.
Hij boog zich naar me toe en kuste me.
‘Het is fijn om weer hier te zijn,’ zei hij. ‘Vind je ook niet?’
‘Jawel.’
‘Ik trek een flesje wijn open.’
‘Hebben we dat dan?’
‘Ja hoor. Er staan hier nog wat flessen van vorig jaar. Als Egil tenminste niet alles heeft opgedronken. Maar dat betwijfel ik. Wat wij drinken is toch niet goed genoeg voor hem!’
Binnen dwaalden Heming en Asle van de ene kamer naar de andere, het was precies lang genoeg geleden dat we hier voor het laatst waren om het een beetje spannend voor ze te maken. Ingvild was nergens te zien, die zat waarschijnlijk met de kat op haar kamer. Ik sleepte de koffer de trap op naar de slaapkamer en liep daarna door de tuin, in de richting van de steile helling omlaag naar de baai. Stak een sigaret op, probeerde mezelf in te voelen in het landschap, in hetzelfde tempo te komen. Hier te zijn.
De zomeravond. Het grijzige licht, met nog een heel klein beetje blauw. De weerschijn van het licht uit de vakantiehuizen daarin.
‘Zullen we buiten gaan zitten?’ zei Arne nogal luid vanuit de deuropening achter me. ‘Ik kan de tuinmeubels net zo goed meteen tevoorschijn halen.’
Zonder op antwoord te wachten liep hij het gras over, deed de deur van het gastenhuisje van het slot, liep naar binnen en kwam meteen weer naar buiten met in elke hand een stoel, die hij in het gras onder de appelboom zette.
[…]
Oorspronkelijke tekst © Karl Ove Knausgård, 2022
Nederlandse vertaling © Maaike van Rijn en De Geus bv, Amsterdam 2025