Nu in onze boekhandels en een #vakantielezen-tip: Nico Dros’ Eiland van gisteren. Texelse verhalen. Lees een fragment en bestel dat boek!
Met Eiland van gisteren schetst Nico Dros, geboren Texelaar, het eiland in al zijn kleuren. Hij weet aan Texel, naast drama en vlijmend leed, een ruwe lieflijkheid te geven die de lezer blijmoedig stemt. De tien verhalen van het eerste deel roepen een rustieke samenleving op zoals die ruim een halve eeuw geleden nog bestond.
In het tweede deel – over het eiland van eergisteren (1850– 1925) – maken we kennis met het dagboek van Jacob Huizinga, een doopsgezinde vermaner die probeerde zijn kerkvolk van drank en ontucht af te brengen, het verhaal van Frerik van der Vis, een visserman die zijn leven in een berijmd volksepos gestalte gaf en Floris Dekker, een ‘ziener’ die de patriarch werd van een kleine gemeenschap in een kwijnende polder.
Het boek eindigt met een montere beschouwing over het Tessels, een streektaal die op sterven na dood is. Maar Dros wekt haar tot leven.
1
Gisteren
Verhalen
Is zij het?
Terwijl hij glazen spoelt en de bar met een doekje afneemt, monstert Wout van der Sterre zijn klandizie. Hij is een man van begin vijftig met een knevel en imposant postuur. Over zijn herkomst valt weinig anders te vertellen dan dat zijn familie reeds eeuwenlang in het stuifzand hier aan de westkust bivakkeert. Vroeger kon Wout op school niet erg meekomen, maar in zijn strandpaviljoen heeft hij zijn zaakjes op orde. Bij het opbouwen in het vroege voorjaar heeft hij nota bene zelf een ellipsvormige glazen koepel aan de zeezijde op het schuine dak gemonteerd. De neergaande zon tovert hierdoor een fraai oud licht in zijn strandtent. Het aantal eters in de avonduren is dit seizoen verdubbeld. Wout heeft zijn zinnen inmiddels gezet op een nieuwe Chevrolet, een cabriolet met vleugels. Misschien is het volgend jaar al zover.
Met een trotse en argwanende blik houdt hij zijn boeltje in de gaten. Wout is allerminst een horecahouder van de dienstbare soort. Duits spreekt hij niet. Hij bakt bij niemand zoete broodjes, ze komen toch wel terug. Nergens zo’n uitzicht als vanaf zijn kluft.
Aan de tafeltjes voert men gedempte gesprekken. Velen eten bij hun drankje een broodje bal, een lekkernij van het huis. Kranten ritselen. Op de achtergrond speelt zachtjes de muziek van The Dave Clark Five. Het terras zit al halfvol met bierklanten. Nog meer klandizie komt over het strand aanlopen. Wout spoort zijn piepjonge serveersters aan. Draven moeten ze.
Zijn oog valt op een stelletje buiten voor het raam. Gisteren zaten ze er ook, urenlang achter hetzelfde glaasje te treuzelen. Die haaibaai staat haar vent geen tweede gelagje toe. Kijk hem daar nou zitten, lul met vingers, ja en amen knikkend, terwijl zij maar door blijft vitten. Zo’n piswijf zou hij graag eens mores leren. Verbeten zet Wout de bestellingen op het dienblad neer. Reken maar dat ze uit de hand zou eten, sodeju.
Zijn eigen vrouw Dinie komt uit de keuken vandaan sloffen. Ze is in de loop der jaren schraal en zwijgzaam geworden. Als ze langs hem schuifelt en aan de zijkant van de toog gaat staan en leunt, trekt Wout zijn wenkbrauwen op. Het verbaast hem hoe muizig haar gezicht de laatste seizoenen is geworden. Denkend aan haar buik ziet hij een breiwerk van littekens voor zich, en daaronder knokige benen. Met deze vrouw moet hij de nacht in.
Een dorpsgenoot van Wout komt even binnenlopen. Leunend tegen de bar drinkt hij een glaasje Exota en begint over de afgelopen nacht. Het was weer een klerezooi op straat. Er was brand gesticht op het pleintje. Het geschreeuw was niet van de lucht, er werd gevochten. Ze waren allemaal apezat.
‘Jij dacht: een riedeltje lood, dat zal helpen.’
‘Precies,’ zegt Karel.
‘Amper een jaar of tien terug was je zelf nog een nozem, Kareltje,’ zegt Wout. ‘Ze hebben jou en Sjorsie toen niet zomaar opgeborgen.’
‘Dat kun je niet vergelijken met de rottigheid van tegenwoordig,’ vindt Karel. ‘En de politie is nooit ergens te bekennen.’
Wout vindt ook dat er nogal wat schooiers onder die jeugdige toeristen zitten. Als het slecht weer is reageren ze zich af. En als het warm is doen ze hetzelfde. De gedachte aan rottigheid in zijn eigen tent doet zijn neusvleugels trillen. Hij heeft een honkbalknuppel op de greep, en zo nodig nog meer in zijn arsenaal.
Met enig kabaal komt een groepje binnenvallen. Mensen aan de tafeltjes kijken op van hun krant. Joviale stemmen bieden tegen elkaar op, er klinkt gelach. Wout slaat het gezelschap gekwetst gade. Met een zuinig knikje beantwoordt hij hun uitgelaten groet. Het viertal neemt plaats aan de grote tafel die net ontruimd is. Hij kent ze wel, in de zomer komen ze geregeld langs. Ze noemen zichzelf ‘Rasamsterdammers’, maar op het eiland heten zulke lui: gladbasten. Ze hebben hier een paar vakantiehuisjes. Waarvan ze het doen? Werken is er niet bij. Als ze eind juni komen aanwaaien, hebben ze al een gebruinde harses van het strand in Zuid-Spanje.
Zijn vrouw sloft op haar stramme benen naar de grote tafel om de bestelling op te nemen. Wouts aandacht gaat intussen uit naar twee nieuwkomers op het terras. Het is een echtpaar dat smaakvol gekleed gaat. Je kan zien dat ze het breed hebben. De man is in het wit, net als Perry Como, laatst op teevee bij de show van Rudi Carrell. Hij draagt het jasje over zijn arm. Zijn open overhemd onthult donker borsthaar. De vrouw, middelbaar maar met jeugdig postuur, draagt een zomerjurk van glanzende stof, waarschijnlijk satijn. Wanneer ze zich een kwart slag draait, stokt zijn adem. Hij denkt Fleur te herkennen, maar even later schudt hij het hoofd. Het regent bestellingen opeens, hij moet vier dienbladen vol zetten. Er is een bestelling van twee martini’s met ijs. Hij is er niet helemaal bij, er gaan drie glazen bier om.
Het blijft een hinderlijke drukte onder die Amsterdammers, maar Wout wenst er deze keer geen acht op te slaan. De dame op het terras: haar onbedekte schouders lijken door de tijd bewaard, net als haar volle wimpers. En dan dat ene gebaar met haar sigaret dat ze onder het spreken maakte. Het is hem niet ontgaan. Het was nog vóór de oorlog, bijna dertig jaar geleden, maar het voelt minder ver weg. Hij was een jonge kerel met krullen, niet echt een lekker joch. In haar buurt werd hij een ander. Hij heeft niets nagelaten om haar te krijgen. En hij heeft haar gehad. Door de mobilisatie raakte hij onverhoeds van het eiland. Een zondagmiddag, op de havenkade van Oudeschild, kuste hij haar betraande wangen ten afscheid. Zijn eenheid vocht in de meidagen om het vliegveld Valkenburg. Ze hebben het heroverd op de Duitsers. Het bombardement op Rotterdam zag hij van nabij. Daarop volgden capitulatie en krijgsgevangenschap. Na lange tijd keerde hij met ruw geschoren kop naar het eiland terug. Trots en ongebroken liep hij door de Dorpsstraat. Bij moeder thuis lag een brief op hem te wachten. Ze is vertrokken, vertelde het mensje. Waarheen wist niemand. Hij heeft haar brief vluchtig gelezen en toen verbrand.
[…]
© Copyright 2024 Nico Dros, Amsterdam