Leesfragment: Het Buurtbos

10 juli 2024, door Dik van der Meulen

12 juli verschijnt Dik van der Meulens nieuwe boek Het Buurtbos. Natuurdagboek. Wij publiceren voor! Lees een fragment en reserveer je exemplaar.

Het Buurtbos gaat over alles wat je in de natuur kunt tegenkomen: van edelherten, dassen, vogels en vlinders tot teken en horzels. Je leest over wat je uit het bos wel en toch maar beter niet kunt eten, maar ook over ontmoetingen met wandelaars, boswachters, jagers en boeren. Want in het Nederlandse bos ben je zelden alleen. Sinds een kleine twintig jaar bezit Dik van der Meulen een huisje aan de rand van het bos. Omdat de natuur altijd in beweging is, besloot hij zijn waarnemingen bij te houden in een natuurdagboek. Daarbij maakte hij – soms haastig, vaak zeer aandachtig – tekeningen van wat hij zag.

Dat de natuur door toedoen van de mens verandert, blijkt uit zijn dagboek eveneens. Door klimaatopwarming en stikstofuitstoot zijn veel planten en dieren die je vroeger regelmatig zag, zeldzaam geworden of verdwenen. Tegelijk komen er nieuwe soorten bij, gewenst of ongewenst. Ook daarin is de natuur in beweging. Voor Van der Meulen leidt waarneming gaandeweg tot actiebereidheid: er verandert te veel, en te weinig ten goede.

Dik van der Meulen is de beste gids die je je kunt wensen: hij weet veel en vertelt met groot enthousiasme. Na deze Buurtboswandeling wil je meer natuur en ben je bereid daar iets voor te doen.



 

Jonge Grote Bonte Specht. Uit: Dik van der Meulen, Het Buurtbos

Woord vooraf

Op 19 november 2021 zag ik voor mijn raam in het Buurtbos een bijzondere vogel. Een jonge grote bonte specht, op het eerste gezicht, maar november is geen maand voor jonge vogels. Ook was de buik verkleurd en week de tekening van de kop af, zodat er geen twijfel mogelijk was: hier zat mijn allereerste middelste bonte specht. Gretig noteerde ik mijn waarneming in het natuurdagboekje dat ik op de Veluwe bijhoud. Omdat mijn fototoestel met zoomlens het had begeven, maakte ik er meteen een tekeningetje bij.
Op dezelfde bladzijde had ik de dag ervoor al een vuurgoudhaantje gekrabbeld, een klein vogeltje dat je in Nederland ook niet zo vaak ziet. Met mijn mobiele telefoon maakte ik er een foto van die ik, om haar de ogen uit te steken, naar mijn vogelkijkende vriendin Nicolien mailde, schrijfster in mijn woonplaats. Ze heeft een speciaal zwak voor spechten. Ze antwoordde niet, maar daags erna kreeg ik wel een telefoontje van Menno van Uitgeverij Van Oorschot.
‘Nicolien stuurt me een pagina uit je natuurdagboek. Dat gaan wij dus uitgeven.’ Ik moest even tot mezelf komen voordat ik kon antwoorden.
‘Dat gaan we helemaal niet uitgeven! Dat dagboek is privé en trouwens, die aantekeningen zijn helemaal niet interessant. Gortdroge waarnemingen, meer niet.’ Ik probeerde mijn stem schril te laten klinken, maar de doorgewinterde uitgever liet zich niet misleiden.
‘Wanneer spreken we af?’
Het onderhoud op de uitgeverij duurde niet lang. Ter voorbereiding had ik een paar oude aantekeningen gelezen, die minder dor bleken dan ik had gedacht. Bovendien kwamen we al snel tot het besluit dat de dagboekschrijver tevens zijn eigen redacteur zou zijn, met een grote bewegingsruimte.
Anders gezegd: ik mocht de zaak bewerken. En die vrijheid heb ik genomen.

De vraag is daarmee of dit natuurdagboek, eenmaal in druk verschenen, die naam nog kan dragen. Een aantal oorspronkelijke aantekeningen heb ik ingekort of juist uitgebreid. Meer dan eens zijn al te beknopte notities aangevuld met herinneringen – of, wat waarschijnlijker is, met wat ik me méén te herinneren.
Bij zulke ingrepen heb ik wel mijn best gedaan mezelf achteraf niet wijzer te maken dan ik was. Een voorbeeld: hoewel de neergang van de natuur en – daarmee samenhangend, al is het niet hetzelfde – de opwarming van de aarde al tientallen jaren onmiskenbaar zijn, vind ik er in mijn oudere verslagen maar af en toe iets over terug. Ik reserveerde mijn dagboek aanvankelijk voor wat ik in en rondom het Buurtbos tegenkwam, en dat waren geen zakenlui, aannemers of bewindvoerders met bloeddoorlopen ogen. Om die reden (vermoed ik) schreef ik nauwelijks over het rampspoedig natuurbeleid van het eerste kabinet-Rutte (cda/vvd met gedoogsteun van de pvv), met staatssecretaris Henk Bleker (toen cda, tegenwoordig fvd) als inquisiteur en beul tegelijk.
In latere aantekeningen verandert er iets. De ontwikkelingen hielden me natuurlijk al langer bezig en tussen de regels is er ook wel wat over te vinden, zoals op 21 januari 2008, toen ik iets noteerde over de klimaatveranderingen. Toch duurde het nog jaren voordat de zorgen over natuur en milieu zo groot werden, dat ze mijn dagboek gingen domineren.
Maar ik was al eerder afgedwaald van mijn oorspronkelijk plan uitsluitend over mijn natuurbelevenissen rondom het Buurtbos te schrijven. Mijn échte huis staat in Haarlem, op een kwartiertje fietsen van de Noord-Hollandse duinen. Al vind je daar geen edelherten of wilde zwijnen, de flora en fauna is er niet minder rijk dan op de zandgronden, zodat ik wel eens bezweek voor de verleiding om een spectaculaire waarneming aan de kust te noteren. Wie kan immers een ontmoeting met een visarend of een grote kruisbek onvermeld laten? Hetzelfde geldt voor bijzondere observaties in de Achterhoek, waar ik ben opgegroeid. Of Zuid-Limburg en de Voerstreek, waar ik vaak rondfiets.
De kern is echter het Buurtbos. In 2007 betrok ik een huisje op een huisjespark in dit bos aan de zuidwestelijke Veluwezoom. Om het hier gangbare woord chalet te vermijden, spreken mijn vrienden en ik van datsja, een term die in 2007 minder besmet was dan nu en die tijdens het genoemde kabinet-Rutte i zelfs een komische lading kreeg, met dank aan de staatssecretaris voor Cultuurbezuinigingen. We hebben het trouwens ook vaak over het Kamp, vanwege de regels waaraan de bewoners zich hebben te houden, en ook wel een beetje door de nabijheid van de Muur van Mussert, een van de weinige bewaard gebleven nazimonumenten in Nederland. Wat niet wegneemt dat het een bijzonder aangename plek is.
Vanuit mijn datsja begon ik wandelingen en fietstochten te maken door een natuur die ik langzaamaan heb leren kennen. In het oosten bepalen bossen en heidevelden het landschap, het domein van edelherten, wilde zwijnen, dassen en sinds enige tijd zelfs de wolf. In het westen strekt zich de Gelderse Vallei uit, met langs het Valleikanaal de Binnenlandse Hooivelden, een nieuw natuurgebied vol weidevogels, waar je zowaar weer wat hoop krijgt voor het buitengebied in de toekomst.
Want het is niet louter neergang en treurigheid wat er over de bossen en velden te vertellen is. Zelfs in een door stikstof en droogte aangetast bos is niet alles dood: waar bomen sterven, grijpen nieuwe organismen hun kans. Al is dit geen vrijbrief voor veehouders, (vracht)automobilisten, wegenbouwers, aannemers, fabrikanten en supermarktbazen, het betekent wel dat herstel mogelijk is, mocht de uitstotende sector eindelijk serieuze beperkingen worden opgelegd.
De aantekeningen zullen in de loop van het dagboek dus ‘breder’ worden, met steeds meer aandacht voor de actuele bedreigingen. Maar gelukkig ook voor wat wél goed gaat.
Toch is dit niet wat mij bij het teruglezen en bewerken het meest is opgevallen. Dat zijn de plaatjes.

Uit: Dik van der Meulen, Het Buurtbos

Ik ben geen kunstenaar. De tekeningen in mijn dagboek waren, ik schreef het al, uit nood geboren. Al in mijn schooljaren begon ik de natuur te fotograferen, wat geresulteerd heeft in dozen vol landschapsfoto’s met scheve horizonten, onduidelijke afdrukken van obscure plantjes en vooral stapels onscherpe vogels, soms tot in het absurde uitvergroot, want lange tijd hield ik er ook een doka op na. Mensen als ik lijmen niet maar plakken, wij schilderen niet maar verven, en wat er uit onze camera’s komt zijn geen foto’s maar kiekjes. Het heengaan van mijn laatste fototoestel was dan ook geen reden een nieuwe aan te schaffen. Om snel iets vast te leggen volstaat een mobiele telefoon; voor mijn natuurdagboekje zijn pen en potlood geschikter gebleken.
Ik kwam hier pas achter na het heengaan van mijn camera, kort na het eerste coronajaar. Weinig aan de hand, zou je zeggen – ware het niet dat er een besluit tot uitgave was genomen waarbij de plaatjes waren inbegrepen. Als bijzaak uiteraard, want al maak ik geen kunst, schrijven doe ik wel voor de kost, en wat men er verder ook van mag denken, het gaat om de tekst. Dit vermeld ik met enige nadruk, omdat ik als de dood ben dat ze me zullen vergelijken met echte tekenaars als Peter Vos en Peter van Straaten, die ook natuurdagboeken bijhielden. (Die van Vos zijn gedeeltelijk uitgegeven; van Van Straatens dagboeken vraag je je af waar erven en uitgevers op wachten.)
Toch was er een probleem. Omdat ik mijn notities pas in 2021 was gaan illustreren, moesten we iets verzinnen voor de vele jaren die eraan vooraf waren gegaan. Daarom schafte ik een doos verse kleurpotloden aan, een potje Oost-Indische inkt, pennen, een vlakgom en twee puntenslijpers. En ik begon te tekenen, te kleuren en zelfs een beetje te penselen, om ook de voorbije jaren van plaatjes te voorzien. Daarbij kon ik soms terugvallen op mijn onduidelijke foto’s en haastige schetsen uit die tijd, maar vaker moest ik een beroep doen op mijn geheugen – en iedereen die zich wel eens in het verleden heeft verdiept, weet hoe twijfelachtig die bron is. Ook leunde ik op mijn collectie natuurboeken. Maar mijn eigen waarnemingen waren en zijn mijn voornaamste bron.

Hoewel dit boek over planten en dieren gaat, komen er ook mensen in voor. Onvermijdelijk, in het Nederlandse bos, temeer daar ik er vaak met anderen op uit trek. De namen van de meeste vrienden en intimi zijn – zoals vaker in dagboeken – tot een voorletter ingekort. (Mocht dit hun onder ogen komen, dan zullen zij wel vermoeden om wie het gaat.) Publieke en historische figuren krijgen dit voorrecht niet. Twee van hen zal de lezer meer dan eens tegenkomen: Jac. P. Thijsse en prins Bernhard van Lippe-Biesterfeld. Allebei hielden zich bezig met de bescherming van de natuur, zij het op verschillende wijze – maar de reden dat ik ze af en toe opvoer, is dat beiden onderwerp zijn van boeken waaraan ik werkte.
Maar de hoofdzaak is en blijft het Buurtbos, een wandelbos dat reëel bestaat, al had het overal in Nederland of Vlaanderen kunnen liggen.

 

© Copyright 2024 Dik van der Meulen

Wil je van je bestaande account gebruikmaken op onze nieuwe website? Je behoudt dan onder meer je bestelgeschiedenis, reeds aangeschafte e-books en je persoonlijke verlanglijst. Als je toestemming geeft krijg je direct een mail om een nieuw wachtwoord in te stellen.

Voer een geldig e-mailadres in

Hostname: pro-mbooks3