27 augustus wordt Safae el Khannoussi’s romandebuut Oroppa gepresenteerd bij Athenaeum Boekhandel Spui, en vandaag publiceren we voor. Update: Oroppa is ons Boek van de Maand september! Lees een fragment en bestel je boek!
Een wervelende, uitbundige vertelling over de kant van Europa die voor de meesten onzichtbaar blijft. Irad Abergels kroeg in Parijs is het laatste toevluchtsoord voor de zusters en broeders van de nacht. Zijn moeder, Salomé Abergel, is verdwenen, en het meisje Hind vindt in de kelder van Salomé’s huis in de Rivierenbuurt in Amsterdam haar nagelaten schilderijen, beelden die tot haar spreken, waar ze ’s nachts van wakker ligt.
Oroppa gaat over hoe macht mensen dingen kan laten doen waarvan ze niet wisten dat ze ertoe in staat waren. En over degenen die weigeren nog deel te nemen aan dat systeem. Van Amsterdam tot Parijs, van Tunis tot Casablanca hebben ze levens opgebouwd, achtervolgd door spoken uit het verleden. En gezamenlijk heffen zij het glas: op Oroppa!
Proloog
De zoveelste schreeuw sneed door de kamer. Maar deze was anders. Op het bed lag de doodverklaarde met opengesperde ogen en mond, haar handen verkrampt in de lucht. De doodsreutel steeg op van het lichaam, klanken als rollend puin, een stem op straat vroeg om een aansteker en de stervende vrouw begon te schudden, te schudden alsof ze om een grap lachte. Salomé Abergel, geboren als Salma Abergel, in een voor haar lang vervlogen wereld nu bevolkt door nieuwe gezichten, krijste zichzelf terug de wereld in.
Met de rug tegen de balkondeuren gedrukt en haar minuscule hoofdje tussen de gordijnen gestoken, keek het kind verbijsterd toe met een ernst die niet bij haar jonge leeftijd paste, de stof in haar vuistjes geklemd. Salomé Abergels getuige zag hoe de herrijzenis zich voltrok en bedacht dat het geen fraai gezicht was, nee, dat het angstaanjagender is om terug te keren dan om heen te gaan.
Dokter Mehdi was laatst nog wezen kijken. Ze hadden hem laten zweren met geen woord over de vrouw in hun huis te reppen en hij had verrast maar met gepaste plechtigheid verklaard dat hij aan zijn tong boven het hellevuur mocht bungelen als hij erover zou spreken met wie dan ook. En laat me nu dan maar eens de patiënte zien, had hij streng gezegd – want hij verkeerde nog in de veronderstelling dat er iets te redden viel! Nadat hij de vrouw had onderzocht, had hij diep gefronst boven zijn ronde brilletje, waarvan de poten niet op zijn oren maar hoog in zijn grijzende krullen waren gestoken. Terwijl hij zijn neus in een propje snoot, verklaarde hij dat het een verloren zaak was. Dat deed hij door heel langzaam maar stellig, zodat er geen twijfel of sprankje hoop meer mogelijk was, zijn hoofd te schudden, waarna de anderen, die van de dokter naar de patiënte naar de dokter keken heel langzaam hun hoofd mee schudden.
De vrouw woog inmiddels nog geen veertig kilo. Daar hoefde je geen weegschaal voor te hebben. Dat kon je zo zien. Eén long, waarin een mysterieuze bacterie zich had genesteld, hing als een verschrompelde vrucht in de borstkas. Nu was de tweede aan de beurt. En ook die was in feite verloren.
Maar daarvoor was dokter Mehdi niet geroepen. Dat gehoest, zo hevig dat je je afvroeg hoe het kon dat het resterende longetje niet al lang was geknapt, dat begrepen ze wel, maar waarom toch al dat gegil, dokter. Hierop merkte dokter Mehdi droogjes op dat hij geen psychotherapeut was. Maar kon hij dan geen enkele verklaring bedenken? Hierop had de dokter een onbehouwen grap gemaakt. Hij zei: ‘Zoals een ezel balkt als-ie de duivel langs ziet lopen, zo schreeuwt mevrouw wanneer de dood zich over haar buigt.’
Het kind had met stomheid geslagen naar dokter Mehdi geluisterd.
Sindsdien zat de dood met gekruiste benen op de stoel naast het ziekbed, kamde hij de haren uit het hoofd van de zieke, schuurde nog wat kleur uit haar gezicht, en fluisterde haar met zijn trieste doodsgrijns angstaanjagende nachtmerries in het oor.
Dokter Mehdi had ook nog gezegd dat mevrouw rust moest hebben, zodat ze vredig heen kon gaan. Maar Meryem, die de opdracht had gekregen de zieke te verzorgen, bleef het een goed idee vinden om haar uit bed te tillen en in bad te stoppen, en ’s ochtends, na het ontbijt, zette ze de vrouw op een stoel op het balkon, ging naast haar zitten roken en ze durfde te zweren dat bij het opsteken van de sigaret de oogleden van de vrouw trilden en haar mond een klein beetje openging.
Voorzichtig liep het kind naar het bed. De ogen van de vrouw, kalm en glinsterend, zochten het plafond af, zweefden naar de balkondeuren, en terug naar het plafond, bleven op de deuropening rusten, keerden terug, en streken, tussen een paar moeizame ademhalingen door, neer op de kruin van het meisje, kropen over haar gezicht en bleven ter hoogte van haar borstkas hangen.
‘Godverdomme,’ zei de vrouw.
Het klonk alsof je een nest jonge kraaien in een versnipperaar gooide.
Salomé Abergel was zonder enig bezwaar zo de dood ingegleden, als de dood haar, na eerst weifelend op haar te hebben gekauwd, niet weer terug had gespuugd – dat wil zeggen, terug het leven in. Vreemde manier om wakker te worden, dacht Salomé, al waren er gekkere manieren, zoals laatst, toen ze in de felle zon op het balkon ontwaakte naast een vrouw die met gesloten ogen zat te roken. Ze had toen geveinsd te slapen, maar ze was de hele tijd wakker, totdat ze weer in bed was gelegd en afgleed naar troebele wateren. Haar blik ving een klein wezentje op, dat trillend aan het voeteneinde stond en haar met grote ogen bestudeerde.
’t Moet er ook belachelijk uitzien, zo met die armen in de lucht. Precies op dat moment vielen haar armen neer, zo abrupt dat het kind het uitschreeuwde.
‘Nou, nou,’ zei ze, en ze wilde daaraan toevoegen: zo erg kan het toch niet zijn. Maar het kind was al de kamer uit gerend.
Wat een dag om weer tot leven te komen, dacht Salomé Abergel. Maar wat voor dag was het? Moeizaam richtte ze zich op. Ze opende de gordijnen en de balkondeuren en wierp een blik naar buiten. Het uitzicht: dakterrassen, met riet afgeschermde balkons, was die aan lijnen tussen de huizen hing te drogen. Ze was niet meer in Amsterdam, maar waar dan wel? Wat kwam ze hier in godsnaam doen? En waar waren haar sigaretten? Waar had ze die krengen gelegd?
Er klonken stemmen op de gang. Ze sloot de balkondeuren, rende terug naar het bed, ging languit liggen en deed alsof ze sliep.
Het kind kwam terug in het gezelschap van een vrouw. Salomé herkende de stem. Het was de stem van Meryem.
‘Heb je me hiervoor van mijn werk afgeleid? Laat het arme mens toch ’s met rust, ze is ziek, daar zit geen leven meer in.’
Maar het kind was koppig. ‘Ze was echt wakker, ze had haar armen in de lucht en heeft de dood gewurgd!’
Wat krijgen we nou? De dood gewurgd? Hoe komt ze daarop?
‘Ze was wakker, ik zweer het, ze hield haar armen zo! Echt zo! En maar krijsen. En toen gingen haar ogen open en ze wilde iets zeggen.’
‘Nu ophouden en mee naar beneden, jij. ’t Is niet meer gezond hoeveel tijd je hier doorbrengt.’
Arm kind. Het is een rotstreek. Maar geef me nog even, nog heel even. En nou opzouten, jullie! Moeder en kind. Laat me met rust. En vergeet terwijl je gaat niet een pakje Marlboro op het nachtkastje achter te laten.
© Safae el Khannoussi