Leesfragment: Vertel me alles

19 augustus 2024, door Elizabeth Strout

Nu in al onze boekhandels: de nieuwe roman van Elizabeth Strout, waarin Lucy Barton en Olive Kitteridge elkaar ontmoeten, Vertel me alles (Tell Me Everything), vertaald door Inger Limburg en Lucie van Rooijen. Lees bij ons een fragment en koop dat boek!

Advocaat Bob Burgess is verstrikt geraakt in een moordzaak waardoor heel Crosby, Maine in rep en roer is. Hij is sinds een tijdje ook nauw bevriend met schrijfster Lucy Barton. Tijdens hun wekelijkse wandeling praten ze over hun levens, hun angsten, de dingen waar ze spijt van hebben, wat had kunnen zijn. Lucy wordt eindelijk voorgesteld aan de iconische Olive Kitteridge. In het seniorenflatje van Olive vertellen ze elkaar verhalen over de levens van mensen die ze hebben gekend.

Nieuwe vriendschappen, oude liefdes, het verlangen om iets van blijvende waarde achter te laten, al is het maar een verhaal: Elizabeth Strout weet feilloos waar het echt om gaat in het leven. Zoals Lucy Barton zegt: Liefde kent zoveel vormen, maar het is altijd liefde.



Boek een

1

Dit is het verhaal van Bob Burgess, een grote, stevig gebouwde man die in Crosby, Maine woont, en op het moment van schrijven is hij vijfenzestig. Bob heeft een groot hart, maar dat weet hij niet van zichzelf; zoals zovelen van ons kent hij zichzelf minder goed dan hij denkt, en hij kan zich onmogelijk voorstellen dat hij iets in zijn leven heeft dat het waard is om te worden opgetekend. Maar dat heeft hij wel, net als wij allemaal.

*

De herfst komt vroeg in Maine.
Al in de tweede of derde week van augustus kan het gebeuren dat iemand die vanuit de auto om zich heen kijkt in de verte een rode boomtop ziet. In Crosby begon het dit jaar bij de grote esdoorn naast de kerk, terwijl het nog niet eens half augustus was. Maar de boom begon al te verkleuren aan de kant die naar het oosten was gericht. Daar keken de mensen die hier al jaren woonden van op: ze konden zich niet herinneren dat deze boom ooit als eerste was verkleurd. Eind augustus was de hele boom niet eens meer rood, maar licht oranjegeel, zoals je kon zien als je afsloeg naar Main Street. En toen werd het september: de zomergasten keerden terug naar waar ze vandaan kwamen, en nu liepen er in Crosby een stuk minder mensen over straat. Over het algemeen oogden de bladeren een beetje flets, en men nam aan dat dat kwam doordat het in augustus – en ook in september – zo weinig had geregend.

Een paar jaar eerder kwam je, als je vanaf de snelweg Crosby binnenreed, langs een autodealer, een donutzaak en een diner, en ook langs grote, bouwvallige houten huizen met op de veranda allerhande spullen zoals fietsbanden, plastic speelgoed, kapstokken en airco’s die in geen jaren waren gebruikt, en in een van die huizen woonde een oudere man die Ricky Davis heette. Hij was dik en vaak dronken, en hij stond geregeld over de balustrade van zijn zijveranda geleund, met zijn broek op halfzeven, zodat zijn enorme achterwerk, met bilspleet en al, goed zichtbaar was voor iedereen die voorbijreed, en de mensen die dat voor het eerst zagen draaiden vol verbazing hun hoofd om beter te kijken. Maar toen had de gemeenteraad besloten om op die plek het nieuwe politiebureau te bouwen, en nu waren Ricky Davis en het huis waarin hij had gewoond verdwenen; het gerucht ging dat hij nu in de Hatfield Daklozenopvang woonde, vlak bij het oude kermisterrein.

Als je dan doorreed naar het centrum van Crosby, zag je aan Main Street een stukje van de weg af een groot bakstenen huis staan. Vanaf november, als het eerder donker werd doordat de klok achteruit was gezet, konden de weinige mensen die door de straat reden of aan de overkant langskuierden door de geelverlichte ramen naar binnen kijken, en misschien zagen ze dan Bob Burgess en zijn vrouw Margaret Estaver samen koken in de keuken, tot ze de gordijnen dichtdeden. Iedereen kende ze en zonder dat iemand zich er echt van bewust was, ging er van dat echtpaar dat daar midden in het centrum woonde een zekere geborgenheid uit: Margaret was de predikant van de unitarische kerk, en ze had haar volgelingen. Bob had in zijn jongere jaren lange tijd als advocaat in New York gewerkt, maar dat werd hem niet aangerekend, waarschijnlijk omdat hij was opgegroeid in Shirley Falls, drie kwartier verderop; hij was bijna vijftien jaar geleden naar Maine teruggekeerd, toen hij met Margaret trouwde. Nog steeds nam hij af en toe strafzaken aan in Shirley Falls en iedereen wist dat hij daar nog een kantoor had, hoewel hij eigenlijk al met pensioen was. Bovendien – en hierover werd alleen gefluisterd – had Bob als kind een tragedie meegemaakt: hij had met de versnellingspook van de gezinsauto zitten spelen en toen was de auto de oprit van de familie Burgess afgerold; naar wat de mensen in Crosby ervan hadden begrepen, was de vader van Bob, die net was gaan kijken of er iets in de brievenbus zat, door de auto – en dus door Bob – doodgereden.

Olive Kitteridge, die negentig was en in het seniorencomplex Maple Tree Apartments woonde, kende dat verhaal over Bob Burgess en had altijd een zwak voor hem gehad – ze vond dat er een stille droefheid om hem heen hing, ongetwijfeld door dat trauma uit zijn jeugd. Van Bobs vrouw Margaret was Olive minder gecharmeerd. Dat kwam doordat Margaret predikant was en Olive niet van predikanten hield, behalve van Cookie, die het huwelijk tussen Olive en haar eerste echtgenoot Henry had voltrokken. Geweldige man, dominee Daniel Cooke. En geweldige man, Henry Kitteridge.
De pandemie was een moeilijke tijd geweest voor Olive Kitteridge – voor iedereen, natuurlijk – maar Olive had zich erdoorheen geslagen, dag in dag uit in haar appartementje in dat seniorencomplex, al dacht ze dat ze knettergek zou worden toen de bewoners niet meer in de eetzaal mochten eten en hun maaltijden op hun kamer kregen. Aan het eind van dat eerste jaar kon ze, met haar vaccinaties en later met een booster, wel wat vaker naar buiten, en soms bracht iemand haar met de auto naar het centrum of naar het water. Maar het grootste probleem was dat Olives beste vriendin, Isabelle Goodrow, die twee deuren verder woonde, tijdens de pandemie een fikse smak had gemaakt en – alsof het allemaal nog niet erg genoeg was – was overgeplaatst naar ‘de overkant’, waar de verpleegafdeling zat. Nu stak Olive elke dag de rivier over om Isabelle de krant van a tot z voor te lezen. Maar het was moeilijk geweest, en dat was het nog steeds.

In het uiterste puntje van Crosby, hoog op een klif met uitzicht over het (meestal) woelige water van de Atlantische Oceaan, woonde Lucy Barton, een vrouw die twee jaar eerder tijdens de pandemie met haar ex-man William New York City was ontvlucht, en ze waren niet meer teruggegaan. Dat riep gemengde gevoelens op, wat deels te maken had met de ingebakken terughoudendheid jegens New Yorkers, maar ook met de huizenprijzen die in Crosby de pan uit waren gerezen, juist door lieden zoals deze Lucy Barton, die hadden besloten hier te blijven, waardoor mensen uit Maine die hadden gehoopt naar een mooiere woning te kunnen verhuizen, er geen meer konden betalen. Lucy Barton was opgegroeid in een klein stadje in Illinois en had haar hele volwassen leven in New York gewoond; ze was zelfs nog nooit als zomergast in Maine geweest voordat ze met haar ex-man hier was komen wonen. Bovendien schreef Lucy Barton romans, en daar dachten de mensen zo het hunne van; al met al hadden ze liever gezien dat ze was teruggegaan naar New York, maar eigenlijk had niemand iets op haar aan te merken, en behalve tijdens haar wandelingen langs de rivier met haar vriend Bob Burgess liet ze zich zelden zien. Al werd ze soms gesignaleerd als ze via de achterdeur van de boekhandel naar de daarboven gelegen kleine kantoorruimte ging die ze huurde.

In de meeste etalages aan Main Street hingen briefjes met personeel gezocht of vacatures, en langs de kust moesten een paar restaurants sluiten omdat ze niet genoeg mensen konden vinden. Wat was er misgegaan? Er deden verschillende theorieën de ronde, maar eigenlijk kon je wel stellen dat de meeste inwoners van Crosby het niet wisten. Ze wisten alleen dat er een hoop was veranderd in de wereld. En de meeste mensen in Crosby waren oud, of bijna oud, wat al jaren opging voor de hele bevolking van Maine. Volgens sommigen was dat het probleem: dat er te weinig jongelui waren voor die banen. Anderen voerden aan dat niet alleen Maine te kampen had met personeelsgebrek, maar het hele land; sommigen meenden dat het te maken had met de opioïdencrisis, dat mensen niet aan het werk mochten vanwege een positieve uitslag op de verplichte drugstest. En weer anderen stelden dat het lag aan de jongere generatie; zo had de zestienjarige kleinzoon van Malcolm Moody tijdens zijn driedaagse bezoek alleen maar zitten gamen op zijn iPhone. Wat deed je eraan?
Niets.

En toen, in oktober, spatte het bladerdak uiteen en daalde een sprenkeling van goud op de wereld neer. De zon straalde en overal wervelden gele bladeren; het was pure schoonheid. De dagen waren koud en ’s nachts regende het, maar ’s ochtends scheen de zon weer en hulde Crosby zich in de fonkelende glorie van de natuur. Soms onttrokken de laaghangende wolken plotseling de zon aan het zicht, en het volgende moment dreven die wolken weer uiteen en leek het net of iemand een felle lamp had aangedaan en was de hemel weer felblauw, terwijl de gele en oranje bladeren zachtjes naar beneden zweefden.

[…]

 

© 2024 Elizabeth Strout
© 2024 Nederlandse vertaling Inger Limburg en Lucie van Rooijen

Wil je van je bestaande account gebruikmaken op onze nieuwe website? Je behoudt dan onder meer je bestelgeschiedenis, reeds aangeschafte e-books en je persoonlijke verlanglijst. Als je toestemming geeft krijg je direct een mail om een nieuw wachtwoord in te stellen.

Voer een geldig e-mailadres in

Hostname: pro-mbooks2