Leesfragment: Vilhelms kamer

21 november 2024, door Tove Ditlevsen

29 november verschijnt Tove Ditlevsens Vilhelms kamer (Vilhelms værelse), uit het Deens vertaald door Lammie Post-Oostenbrink! Wij publiceren voor. Lees een fragment en bestel vast je boek!

  • ‘Niemand kan zo luchtig over zulke vreselijke ellende schrijven als Tove Ditlevsen.’ - Connie Palmen

Lise en Vilhelm - zij een instabiele kinderboekenauteur, hij een opvliegende krantenman - hebben oprechte strijd en minstens zo oprechte verzoeningen. Maar na twintig jaar van aantrekken en afstoten lijkt hun huwelijk finaal te knappen wanneer Vilhelm daadwerkelijk zijn biezen pakt om er met zijn zoveelste minnares vandoor te gaan en zijn kamer leeg komt te staan.

In Vilhelms kamer ontmaskert Tove Ditlevsen het huwelijk als een loopgravenoorlog waar zelfs de liefde niet kan overwinnen. Wie vernietig je eerst: jezelf of de ander? Het is Ditlevsens meest gewaagde roman en wordt, samen met de Kopenhagen-trilogie, gezien als haar meesterwerk.

Tove Ditlevsen (1917-1976) is een van de belangrijkste stemmen van de Deense literatuur. Nu wordt haar rauwe en springlevende oeuvre wereldwijd herontdekt.
Lammie Post-Oostenbrink (1970) vertaalt uit het Deens, Noors en Zweeds. Ze is de vaste vertaler van Tove Ditlevsen.



 

1

De kamer bestaat niet meer. Dag in dag uit zag ik door de vieze ramen de ravage groeien als ik zomaar even langsliep. Ik stond stil op de Boulevard en staarde naar binnen naar de witte slopers, die altijd deden alsof ze me niet zagen. Toch bestond er tussen hen en mij een vreemde, furieuze verstandhouding, als bij de omhelzing van twee mensen die elkaar intens haten. Als ik daar in het scherpe zonlicht stond, met mijn gezicht tegen de ruit gedrukt, raakten ze bezeten van een soort bezieling die hun bovenmenselijke krachten leek te geven. Ze braken de muren af, droegen de witte vleugeldeuren op hun naakte, zwetende ruggen naar buiten en smeten die in de container die naast de poort stond. Ze braken de vloer op met overdreven, balletachtige bewegingen, want zo zwaar als ze het deden voorkomen waren de kleine stukken parket niet. Pas toen ook het hoge, sierlijk gedecoreerde plafond met de dikke gipsen engeltjes verdwenen was, verloor ik mijn interesse voor de vernielingen en begon ik de kamer in mijn hoofd opnieuw op te bouwen. Daar leeft die nu, vol fluisterende schaduwen, zacht gelach als spottend vogelgekrijs en warme tranen die worden weggekust of vrij mogen stromen als het vocht uit de scheuren in het behang, dat bevlekt is met hartstocht en wanhoop. Ik wil een boek schrijven over Vilhelms kamer en over de gebeurtenissen die er plaatsvonden of daaruit voortkwamen en die tot de dood van Lise leidden. Haar heb ik alleen overleefd om het verhaal van haar en Vilhelm te kunnen opschrijven. Een ander doel heeft mijn bestaan niet. De jongen zit op een kostschool, waar zijn vader hem heeft geparkeerd toen hij instortte na de dood van zijn moeder. Daar heeft hij het aardig goed. Elk weekend krijgt hij bezoek van het meisje Lene, dat op zijn moeder lijkt toen zij jong was, en dan praten ze altijd over zijn kindertijd, die duister en spannend is als een sprookje, en Lene vindt in vergelijking daarmee de hare zo saai dat ze er nooit iets over vertelt. Zelf ben ik alleen, en alles wat ik doe wordt vanbinnen beslist. Andere mensen gaan dwars door me heen als een schaduw; slechts weinigen hebben oog voor me zoals de slopers dat hebben en zij doen ook heel tactvol alsof ze me niet opmerken.
Ik verblijf in een flat twee huizen verderop van de oude, een flat waar ik nooit zal wonen. Het woord ‘thuis’ heeft zijn betekenis voor mij verloren, het is gewoon iets wat ik ooit heb gehad. Ik zit achter mijn typemachine, die soms zelf lijkt te beslissen welke toetsen ik moet aanraken, zo komt het me voor. Verder staan alleen mijn bed, een kledingkast en een ladekast in deze vreemde kamer. Het raam kijkt uit op een kleine binnenplaats met vuilnisbakken en fietsenrekken, net als in mijn kindertijd. De andere drie kamers staan vol verhuisdozen, maar de gordijnen en de lamellen heeft de oude weduwnaar laten hangen, omdat ze toch niet zouden passen in de nieuwe koopflat die de vakvereniging voor hem heeft geregeld, toen de onderhandelaars eindelijk kans zagen om hun computersysteem te installeren in wat ooit Vilhelms kamer was geweest. Het spreekt voor zich dat die moest worden afgebroken en dat de onderhandelaars met hun domme, vochtige ogen, net als de slopers en ik, slechts een excuus waren om de innerlijke waarheid te onthullen die elk mensenleven zinvol en boeiend maakt. In het verhaal van Lise en Vilhelm, dat misschien over veel meer zal gaan, is niets toevallig, en niets had ook anders kunnen verlopen. De meeste feiten zijn onbelangrijk, maar een aantal blijkt opeens een verrassend belang te hebben, zoals wanneer je een stukje stof uit de lapjeszak vist en juist dat stukje het patroon iets levends en moois geeft.
Vandaag werd de container opgehaald, waaruit alles van waarde was verwijderd. Wat overbleef was onbruikbare, oude rommel, want Vilhelm en Lise hadden zich nooit gehecht aan spullen, en twee mensen die twintig jaar lang elke dag voorgoed afscheid van elkaar nemen, kopen niets nieuws en brengen geen veranderingen aan. Zelfs alle foto’s heb ik weggegooid om me beter te kunnen concentreren op de afbeeldingen aan de muren van mijn hart. Slechts één heb ik gehouden: de foto van Vilhelm en Lise op de Himmelbjerg. We zijn jong en gelukkig en er hangt zo’n waas van verliefdheid om ons heen, dat het zelfs de fotograaf jaloers moet hebben gemaakt. Want er is iets aan elk puur, nieuw begin waardoor mensen de neiging krijgen om het tere bouwwerk aan diggelen te slaan of in elk geval tegen de stenen te duwen, zodat het scheefgroeit en incompleet wordt en niemand er meer aanstoot aan neemt. Het merkwaardigste aan grote liefde is dat die wil worden bekeken en tentoongesteld, alsof alles wat twee zulke gelukkige zielen ondernemen de aandacht van de hele wereld vereist. Later is het onmogelijk je te herinneren wat je eigenlijk tegen elkaar zei, ook al was het ongelooflijk betekenisvol, en je gunde jezelf nauwelijks slaap, omdat dat stilte betekende. Voor je het wist was stilte vanzelfsprekend geworden en was spreken een soort koorts waar je af en toe door werd bevangen. En daarna verspreidde zich een gevaarlijke leegte tussen de woorden, die je heel vaak in je mond ronddraaide voor je ze losliet. De muren schoven naar elkaar toe, zodat er niet genoeg zuurstof in de kamer was. Je moest iets zeggen, maakte niet uit wat, en zelfs dat was moeilijk geworden omdat de woorden diep in de bittere bedroefdheid van ons innerlijk waren weggezonken.

 

© Nederlandse vertaling: Lammie Post-Oostenbrink
Oorspronkelijke titel © Tove Ditlevsen & Gyldendal, Kopenhagen 1975. Deze uitgave kwam tot stand door bemiddeling van Gyldendal Group Agency.

Wil je van je bestaande account gebruikmaken op onze nieuwe website? Je behoudt dan onder meer je bestelgeschiedenis, reeds aangeschafte e-books en je persoonlijke verlanglijst. Als je toestemming geeft krijg je direct een mail om een nieuw wachtwoord in te stellen.

Voer een geldig e-mailadres in

Hostname: pro-mbooks3