Nu in onze boekhandels, ruim op tijd voor de Kinderboekenweek: Yorick Goldewijks nieuwe, grote roman Albatros! Lees bij ons een fragment en koop dat boek.
Op de ochtend dat de 12-jarige Abel wakker wordt, is het ongewoon stil. Al zo lang hij zich kan herinneren klinken er geluiden van gevechten, vanwege de strijd tegen het noorden, aan de andere kant van de rivier. Maar niet vandaag. Als Abel wil gaan kijken wat er aan de hand is ontdekt hij dat zijn moeder in een hert is veranderd. Zijn vader is spoorloos en als hij buiten komt, lijkt iedereen wel een dier te zijn geworden. Op zoek naar overgebleven mensen steekt Abel de brug over naar het noorden. Uitgerekend daar vindt hij de enige andere mens die geen dier is geworden: de cynische, hatelijke Kat. Veroordeeld tot elkaars gezelschap gaan ze op zoek naar andere mensen, tot ze achter een waarheid komen die ze diep vanbinnen misschien al kenden...
I
Het einde van de wereld
1
Soms word je wakker en weet je meteen dat er iets niet goed is. Je weet niet hoe je het weet, maar je weet het, zo zeker als de zon die door je raam naar binnen schijnt. Misschien was het wel juist door die zon dat Abel het wist, die ochtend, want het licht was anders. Feller en warmer. Het was licht van later, veel later. Licht van te laat. Licht van allang geen ochtend meer. Abel veerde omhoog, klaarwakker en alert. Hij was eraan gewend dat dagen zomaar anders konden beginnen, anders verlopen, anders eindigen. Zou dit weer zo’n dag worden?
Nu herinnerde hij het zich weer: het noorden had gedreigd met een aanslag. Misschien een luchtaanval, misschien ook wel een bom ergens in een straat. Ze zeiden nooit precies wat en waar, natuurlijk. Om hen bang te maken. Om paniek te zaaien.
‘Zou het misschien weer hier in de buurt kunnen gebeuren?’ had Abel aan zijn ouders gevraagd.
‘Maak je maar geen zorgen,’ had zijn vader gezegd. ‘Zo ver komen de noorderlingen niet meer zo gemakkelijk tegenwoordig. Als er iets gebeurt, is dat waarschijnlijk veel dichter bij de rivier. Maar het is nog altijd te gevaarlijk om naar buiten te gaan.’
Dus iedereen moest binnenblijven vandaag, dat had de burgemeester laten weten. Er was een uitgaansverbod. Er zou geen school zijn. Alweer. Maar school of niet, was het niet gek dat niemand hem even wakker had gemaakt? Abel keek op zijn wekker. Twaalf uur al. Dat was raar laat.
‘Mam?’ riep hij.
Hij schoof het gordijn opzij en keek naar buiten. Vanuit zijn zolderkamer kon hij net over de meeste omliggende huizen heen kijken. Hij wist ongeveer waar de rivier door de stad stroomde, maar de hemel daar was rustig en blauw. Geen lichtflitsen, geen rook, geen lawaai. Abel stapte uit bed, ging de trap af naar de eerste verdieping en luisterde aan het trapgat. Het was doodstil beneden.
‘Mam?’ riep hij.
Het antwoord kwam niet van beneden, maar van achter hem, uit de slaapkamer van zijn ouders.
‘Abel...?’
Het leek een beetje op zijn moeders stem, maar ze klonk vreemd, lispelend, alsof ze net van de tandarts kwam.
‘Mam...?’ Voorzichtig duwde Abel de deur van de slaapkamer open. Het was er schemerig, de lange blauwe gordijnen waren dicht en het zonlicht raakte verstrikt in de dikke stof. Maar Abel zag genoeg om te zien wat er in zijn ouders’ bed lag.
Een hert.
‘Ik voel me een beetje wazig, Abel,’ lispelde het hert, met zijn moeders stem.
Als bevroren staarde Abel naar het dierenhoofd dat boven de dekens uitstak.
‘Is dit een droom?’ fluisterde hij, eigenlijk meer tegen zichzelf. Maar het hert gaf antwoord, opnieuw met die rare tandartsstem.
‘Was het maar zo. Ik voel me niet goed, Abel. Mijn hele lijf voelt gek en mijn stem is raar. Ik krijg de woorden nauwelijks uitgesproken.’
‘Ben jij het... mama?’
‘Jongen toch,’ lispelde het hert. Ze draaide haar kop naar hem. ‘Ben je soms nog niet helemaal wakker?’
‘Eh...’ stamelde Abel. ‘Ik weet het niet...’
‘Doe de gordijnen maar open, lieverd. Misschien moeten we allebei nog een beetje wakker worden. Hoe laat is het eigenlijk?’
Ja, het gordijn, dacht Abel. Licht. Hij liep naar het raam. Misschien was het gewoon het donker dat met zijn verbeelding speelde. Spoelde het licht zo deze hele bizarre verstandsverbijstering weg, was het gewoon een ongelukkig samenspel van schaduwen en lag daar gewoon zijn moeder in bed met keelpijn.
Met een ruk trok hij de gordijnen open. Achter zich hoorde hij het bed kraken en toen hij zich omdraaide, zag hij haar naast het bed staan, midden in de kamer, badend in het zonlicht, in een nachtjapon die in een vreemde draai om haar lijf gewikkeld zat. Op vier poten.
Van top tot teen hert.
Abel wist een schreeuw van ontzetting weg te slikken, maar deinsde wel achteruit de gordijnen in. Het hert leek net zo geschrokken als hij en keek hem aan met haar diepdonkerbruine ogen. Het waren weliswaar hertenogen, maar de blik was zonder enige twijfel die van zijn moeder.
‘Mama...?’ stamelde Abel.
In haar ogen zag hij dezelfde angstige verwarring die hij voelde. Hij kneep zichzelf om te zien of hij droomde, hoewel hij dat eigenlijk een achterlijke test vond. Het deed pijn.
‘Jij ziet het ook, hè, Abel?’ zei ze zacht. ‘Mijn armen, mijn handen... En mijn stem...’
Abel knikte langzaam.
‘Goed, Abel, zeg het me, alsjeblieft. Wat zie je als je naar me kijkt? Wat is er met me aan de hand?’
‘Je bent... een hert.’
‘Een hert?’
‘Een hert. Een hert in een nachtjapon.’
Zijn moeder bleef hem aankijken. ‘Draai de spiegel eens hiernaartoe,’ lispelde ze zacht.
Abel nam de spiegel van de muur naast zich en richtte die op zijn moeder. Ze slaakte een kort gilletje dat vreemd klonk uit haar hertenkeel. Daarna bleef ze heel lang roerloos naar zichzelf kijken, met op haar gezicht – haar kop – een blik van afschuw.
‘Lieve god, Abel,’ zei ze toen. ‘Ik ben een hert...’
‘Ja,’ zei Abel, want iets anders wist hij niet te zeggen. Zijn moeder bekeek zichzelf van dichterbij, haalde een hoef door haar vacht en keek toen met verbijstering naar haar hoef, toen weer naar haar kop, en toen naar haar hele lijf in haar gedraaide nachtjapon. ‘Jezus, Abel.’ Ze wendde zich tot hem. ‘Hoe kán dit? Dit kán toch helemaal niet?’
Ze draaide zich weer naar de spiegel en toen veranderde haar blik ineens. ‘De noorderlingen,’ zei ze toen toonloos. ‘Dit is vast wat ze bedoelden met die aanslag die ze beraamden. Ze hebben vast een of ander virus gemaakt. Dat moet het zijn. Misschien hebben ze wel allemaal dingen ingespoten met een of ander raar soort gif. Het water, onze groenten, je weet hoe ze zijn. Laf, achterbaks. Misschien zat het wel in de, weet ik veel, in de lippenstift of zo, die vond ik al zo verdacht goedkoop gisteren... hier–’ ze probeerde haar lippenstift van de kaptafel naast haar te pakken, maar besefte te laat dat haar handen hoeven waren geworden en stootte al haar make-upspullen van het blad.
‘Verdorie!’ riep ze.
‘Wacht maar, mam,’ zei Abel. ‘Ik ruim het wel op.’ Hij bukte en begon opgelaten de flesjes en potjes bij elkaar te rapen.
‘Ellendige noorderlingen...’ lispelde zijn moeder. ‘Stuk voor stuk schoften. Nou we pakken ze wel terug. Ze moeten niet denken dat ze ons op zo’n laffe manier klein kunnen krijgen.’
[…]
© Tekst: Yorick Goldewijk 2025