6 november verschijnt de nieuwe roman van Édouard Louis, De ondergang (L’Effondrement), vertaald door Kiki Coumans! Wij publiceren voor. Lees nu een fragment en reserveer je boek!
De grote nieuwe roman over de dood van de broer van Édouard Louis. De ondergang is het indrukwekkende slot van zijn serie romans over zijn familie.
‘Mijn broer bracht een groot deel van zijn leven door met dromen. In zijn arme arbeidersmilieu stelde hij zich voor dat hij een wereldberoemde ambachtsman zou worden, dat hij zou reizen, een fortuin zou verdienen, en dat zijn vader, die uit zijn leven was verdwenen, zou terugkeren en van hem zou houden.
Hij heeft niet een van zijn dromen kunnen verwezenlijken. Hij wilde meer dan wie ook zijn leven ontvluchten, maar niemand had hem geleerd te vluchten, en alles aan hem, zijn brutaliteit, zijn gedrag tegen vrouwen, tegen andere mensen, belette hem dat te doen; er restten hem niets dan gokken en alcohol om te vergeten.
Op zijn achtendertigste, na jaren van tegenslagen en depressie, werd hij dood gevonden op de vloer van zijn kleine studio.
Dit boek is het verhaal van een ondergang.’
1
Ik voelde niets toen ik hoorde dat mijn broer dood was; geen droefheid, geen wanhoop, geen blijdschap, geen genoegen. Ik hoorde het nieuws aan zoals je informatie over het weer buiten aanhoort, of zoals je zou luisteren naar iemand die je in de supermarkt vertelt wat hij die middag heeft gedaan. Ik had hem al bijna tien jaar niet gezien. Ik wilde hem niet meer zien. Soms probeerde mijn moeder me op andere gedachten te brengen, met aarzelende stem, alsof ze bang was me te kwetsen of een conflict tussen haar en mij te creëren:
– Weet je, je broer, misschien moet je hem een kans geven… Ik denk dat hij dat leuk zou vinden. Hij heeft het vaak over je…
Ik onderbrak het gesprek ruw, een ruwheid die ik niet van mezelf kende, en die ik in een andere context nooit tegenover haar had durven gebruiken; ik zei dat ik niets meer over hem wilde horen, mijn besluit stond vast; meestal probeerde ze dan nog iets anders, een tweede keer:
– Maar ik heb tegen hem gezegd: als je je broer nog eens ziet moet je hem niet lastigvallen met het verleden en met wat er tussen jullie is gebeurd. Laat hem met rust. En dat heeft hij gezworen. Hij heeft gezworen dat hij niet meer over het verleden zou praten…
Toen mijn antwoord uitbleef, liet ze haar stem oplossen in de stilte en sloeg haar ogen neer, naar de grond, waarna ze op een ander onderwerp overging met een te nadrukkelijk enthousiasme, een te luide stem, en ik snapte dat ze op die toon praatte om het ongemak te overstemmen dat haar mislukte verzoeningspoging en mijn plotselinge agressiviteit had veroorzaakt – het spijt me dat ik die pijn bij haar heb veroorzaakt, misschien had ik iets meer moeite moeten doen, maar misschien kan ik pas zeggen wat ik nu zeg omdat het te laat is, misschien kun je pas echt en oprecht spijt van iets hebben als het te laat is, ik weet het niet.
Ik hoorde op een dinsdag dat hij dood was, toen ik net een paar minuten wakker was. Het was een grijze en koude dag, de condens op de ramen vertroebelde de lucht buiten; ik was een boek aan het lezen en zag op mijn telefoon dat mijn moeder me meerdere keren had geprobeerd te bellen; het was te vroeg, ik had geen zin om te praten; maar ze belde nog eens, en nog eens, en toen begon ik me in te beelden dat er misschien iets ergs of in ieder geval iets belangrijks was gebeurd – een vage indruk, als een vaag instinct, zonder taal, zonder woorden. Toen de naam van mijn broer op het schermpje van mijn telefoon verscheen wist ik zeker dat er iets ongewoons was gebeurd.
Ik dacht aan een ongeluk, aan zijn dood – en ik had gelijk.
Ik nam op; mijn moeder huilde. Ze zei dat het ziekenhuis op het punt stond hem van de beademing te halen – hem, mijn broer –, dat hij alleen nog leefde omdat een machine hem in leven hield; de machine liet het hart van een dood lichaam kloppen.
De dag ervoor was hij gevonden door de vrouw met wie hij al een paar jaar een relatie had, hij was in elkaar gezakt en lag bewusteloos op de vloer van zijn appartement, als een stervend dier, als een beest. Zijn lichaam lag op de grond omdat zijn hart niet meer klopte. Toen hij iets later naar het ziekenhuis was gebracht stelden de artsen vast dat zijn lever ook niet meer werkte; en zijn nieren, zijn nieren waren te zwak, niet in staat hun functie te vervullen. Zijn organen verslechterden al sinds een paar jaar, te snel, hij was in de maanden voor zijn dood meerdere malen ziekenhuizen en spoedeisendehulpafdelingen in en uit geweest en nu was er geen hoop meer, deze val was zijn ondergang geweest. De doktoren zeiden tegen mijn moeder dat zijn hersenen door de hartstilstand een aantal minuten geen zuurstof hadden gekregen en beschadigd waren, alsof ze op meerdere plekken waren uitgedoofd, zoals de verschillende kamers in een appartement achtereenvolgens in duisternis worden gehuld, of alsof ze – zijn hersenen – zich in zichzelf hadden teruggetrokken, ineen waren gekrompen, onherstelbaar.
Zelfs als hij zou blijven leven, zeiden de doktoren, zelfs als hij zou blijven leven, zou hij niet meer kunnen lopen als hij zou ontwaken, niet meer kunnen praten. De man die zich tot mijn moeder richtte en haar uitlegde wat er aan de hand was, zei dat dat nog niet alles was, dat ze naast al die problemen ook een ernstige vorm van maagkanker hadden ontdekt, een abnormaal gezwel, aangetaste cellen, iets dat vreemd genoeg niet eerder was gediagnosticeerd.
Mijn moeder zei door de telefoon dat het gezicht van mijn broer in het bed op de intensive care paars en opgezet was; mijn broer was technisch dood, het ziekenhuis kon proberen hem nog een tijdje in leven te houden maar er was geen twijfel mogelijk, het was afgelopen, mijn moeder belde me om te zeggen dat ze het medische team toestemming ging geven hem van de beademing te halen. Hij was dood maar zij was de enige die hem mocht laten sterven. Hij was achtendertig jaar.
Copyright © 2024 Édouard Louis
Copyright Nederlandse vertaling © 2025 Kiki Coumans