18 september verschijnt het nieuwe boek van Europese Literatuurprijswinnaar Claire-Louise Bennett: Dikke kus, dag-dag (Big Kiss, Bye-bye), vertaald door mede-winnaars Martine Vosmaer en Karina van Santen! Wij publiceren voor. Lees nu een fragment en reserveer je boek!
De hoofdpersoon van Dikke kus, dag-dag is van de stad naar het verre platteland verhuisd. Daar, ontworteld en zwevend tussen twee werelden, denkt ze aan iedereen die ze heeft achtergelaten. Vooral aan haar oudere minnaar Xavier, die haar – zo zegt hij – beter kent dan zij zichzelf. Ze houdt nog steeds van hem, maar het verlangen is verdwenen. Een onverwachte brief rakelt nog meer herinneringen aan vroegere liefdes op. Er was geluk en ongeluk, bevrijding en beknotting. De sporen die zij achterlieten in haar leven – koffievlekken, voicemails, bloemboeketten – vormen een rariteitenkabinet waardoorheen ze zich beweegt, terwijl ze steeds dichter om de kern cirkelt van wat het betekent om je te verbinden. Waarom willen we de ander aanraken, wie mag ons aanraken? En hoe laten we weer los?
I
Over twee weken woon ik hier niet meer. Dan zit ik in het houten huis in L. Xavier zal niet weten dat ik hier niet meer woon. We hebben geen contact meer. Zijn laatste mail was drie maanden geleden en ik heb hem niet beantwoord. Het was echt onmogelijk erop te reageren. Ik zou nu wel zin hebben om hem te bellen – ik vraag me af wat hij zou zeggen. Maar het lijkt onomkeerbaar, zo voelt het tenminste. Het is denk ik beter om niets meer met hem te maken te hebben – en heeft hij me eigenlijk een keus gegeven? Ik weet niet meer wat ik aanhad de laatste keer dat ik hem zag. Het was eind juli, dus ik had nog een goed kleurtje. Ik zag er goed uit. Ik wilde er altijd goed uitzien als ik een afspraak met hem had. We hadden elkaar bijna een jaar niet gezien vanwege de pandemie. Toen ik het hotel-restaurant binnenkwam zat hij er al, met een glas prosecco. Ik kom altijd een paar minuten te laat zodat Sean weg is en hij al lekker ontspannen geïnstalleerd is. Hij zat pal naast een gigantisch tv-scherm. Het was zo’n vreemde plek om te gaan zitten dat ik zichtbaar verontwaardigd was. ‘Kom naast me zitten,’ zei hij, en dat deed ik. ‘Kijk,’ zei hij, ‘we zijn de enigen in de zaal die het niet kunnen zien.’ En hij had gelijk, dat waren we, maar ik was me ervan bewust dat mensen die naar de tv keken ook een steelse blik op ons wierpen. Ik had zelfs het idee dat ze helemaal niet naar de tv keken. Er was vooral één man die best vaak onze kant uit keek, en elke keer minder discreet. Hij zat in zijn eentje te eten. Net terug van de renbaan, dat was duidelijk. Hij had biefstuk met frites en een groot glas rode wijn en daarna een groot glas cognac. Hij dronk en keek, en uiteindelijk staarde ik terug. Denk ervan wat je wil. Het was de week van de paardenrennen, en ik was bang geweest dat we geen tafel zouden kunnen krijgen. Hij had gebeld. Ik had hem dat gevraagd en hij had gebeld. Waarschijnlijk had hij tegen degene die opnam gezegd dat Patrick ons kent, en misschien zou Patrick zich ons herinneren. Waarschijnlijk wel, trouwens, omdat ik geklaagd had over de high tea die we ooit hadden gekregen. Die was heel magertjes. Ik had een mail gestuurd waarin ik uitlegde hoe teleurstellend ongeïnspireerd de taartjes en sandwiches waren, en Patrick, de onlangs aangestelde algemeen manager, schreef onmiddellijk terug en bood ons een lunch aan bij wijze van excuus. Het was een goede lunch. We genoten. Het was waarschijnlijk een van de meest geslaagde lunches die we ooit hadden gehad. We deelden garnalen als voorgerecht en ze waren heel lekker. We bestelden ze deze keer weer, maar ze waren lang niet zo lekker en mijn glas prosecco was verschaald. Ik vroeg hem of zijn prosecco verschaald was en hij dacht van niet, zei hij, en inderdaad zag die er niet verschaald uit – de mijne zag er heel verschaald uit, dus ik vroeg om een nieuwe. Ik was verbaasd, opgelucht eigenlijk, hoe prettig het was in het hotel-restaurant – ik had verwacht dat het vol zou zitten met opgedofte vrouwen, want het was donderdag en donderdag is damesdag bij de paardenrennen. Dat zal hij leuk vinden, dacht ik toen ik me aankleedde. Hij ziet graag opgedofte vrouwen, hij zal in zijn element zijn. Niet dat hij veel naar ze zal kijken. Een snelle blik waarschijnlijk, om alle moeite die was gedaan en het totaaleffect ervan in zich op te nemen. Dat zal meer dan voldoende zijn. Een te kritische blik zou de illusie van raffinement kunnen bederven en Xavier heeft liever niet dat zijn illusies hem worden ontnomen – hij vindt ze juist prettig en is van mening dat er niet veel anders is: ‘Het leven is een illusie,’ zegt hij vaak, ‘maar dat wist je vast al.’ Ik droeg een zwarte jurk, herinner ik me nu, iets zijdeachtigs. Hij vond hem mooi. En vroeg of ik hem gekocht had van het geld dat hij me had gegeven en ik zei ja ook al was dat niet helemaal waar. Ik droeg gouden oorringetjes, waarvan ik er eentje een week later verloor. Ze waren vrijwel splinternieuw. Hij hield mijn hand vast en dat kan geen kwaad. Ik bestelde voor hem, zoals ik meestal doe: ‘Kies jij maar voor me,’ zegt hij. ‘Waar ben je voor in de stemming?’ zeg ik. ‘Maakt niet uit, liefje,’ zegt hij, ‘het gaat me niet om het eten.’ Ik weet niet meer op welk moment ik mijn boek uit mijn tas haalde en het aan hem gaf. Hij sloeg het open, zei hoe verzorgd het eruitzag, draaide het om en keek naar mijn foto op de achterkant. ‘Schattige oortjes,’ zei hij. ‘Goed gedaan, schat,’ zei hij. Ik stelde voor om het in de tas te doen die aan een handvat van zijn rolstoel hing, maar hij zei dat hij het naast zich wilde houden. Ik koos een milde curry voor hem en een vegetarische moussaka voor mij. Ik was in een goede bui – spraakzaam, geanimeerd. Ik trakteerde vanavond. Meestal betaalt hij voor het eten. Het is een paar keer voorgekomen dat ik van plan was te betalen maar dan eindigde de maaltijd zo slecht dat ik geen zin meer had om de rekening op me te nemen. Veel maaltijden eindigden slecht. Kwam het door de drank? Inderdaad ging het iets beter als we minder dronken. We bestelden niet meer een hele fles. Mijn moussaka was walgelijk, en dat was ergerlijk want ik had honger. Ik zei er niets over tegen hem, we praten niet over het eten. Hij vroeg of ik hem wilde kussen, wat me verbaasde. Dat had hij al heel lang niet gevraagd, maar ik had hem ongeveer een jaar niet gezien, een vreemd jaar ook – het zou vergefelijk zijn, toch, om te vergeten, om over het hoofd te zien, hoe de zaken ervoor stonden. ‘O, niet hier,’ zei ik. Hij pakte mijn hand, daar op het bankje met het boek ernaast, kneep erin en vroeg het opnieuw. ‘Schat,’ zei hij, ‘zou je het niet fijn vinden?’ ‘Nee,’ zei ik, ‘nee, liefje, het spijt me.’ Toen sloeg ik mijn armen om hem heen en mompelde iets van dat ik heel dol op hem was maar hij was als een blok, het was vreselijk – hij beantwoordde mijn omhelzing niet, gaf niet mee, hardde zich ertegen. Ik trok me beschaamd terug. ‘Vind je me niet meer aantrekkelijk?’ zei hij. ‘Nee,’ zei ik, ‘niet meer.’ ‘Vind je me oud?’ ‘Ja,’ zei ik, ‘je bent oud, schat,’ en ik begon te huilen. ‘Alsjeblieft, niet weer. Het is te pijnlijk,’ zei ik. ‘Het is pijnlijk omdat je van me houdt,’ zei hij. ‘Kwel jezelf niet zo, engel.’ En toen: ‘Ik zal iemand anders moeten vinden, iemand die geschikter is. Dat is me eigenlijk al een tijdje vrij duidelijk.’
Hij mailde me later die avond en herhaalde zijn voornemen. Ik antwoordde dat hij natuurlijk gewoon moest doen waar hij gelukkig van werd. De volgende dinsdag mailde hij om te zeggen dat hij mijn boek had gelezen, en dat was, zei hij, ‘een soort hel’. Ik stond in de rij bij de supermarkt toen ik dat las. Het benam me de adem. Ik liet bijna mijn mandje met boodschappen achter. Ik heb niet geantwoord. Wat viel er te zeggen? Dat was drie maanden geleden en sindsdien geen woord. Ik verhuis over twee weken. Hij is hier een paar keer geweest toen ik er net woonde, bijna zeven jaar geleden. Het paste niet bij ons, het appartement. De ramen reiken van de vloer tot aan het plafond en de muren zijn flinterdun. Er kwam te veel van de buitenwereld binnen, daar werden we nerveus van, bovendien is hier geen open haard. We wisten niet wat we met onszelf aan moesten, eigenlijk. Het paste helemaal niet bij ons.
[…]
Copyright © Claire-Louise Bennett 2025
Copyright Nederlandse vertaling © 2025 Martine Vosmaer en Karina van Santen