Leesfragment: Dit zijn de namen

14 maart 2025, door Tommy Wieringa

Tommy Wieringa’s met de Libris Literatuurprijs bekroonde roman Dit zijn de namen (2012) staat op plaats 42 in de lijst met beste boeken van de 21ste eeuw. Tijd voor een fragment!

Een grensstad in de steppe. Uit de vlakte duikt een groep verwilderde vluchtelingen op. Ze veroorzaken angst en onrust in de stad. Als Pontus Beg, commissaris van politie, ze laat oppakken, wordt in hun bagage het bewijs van een misdaad gevonden. Beg ontrafelt de geschiedenis van hun helletocht, die gaandeweg verweven raakt met de ontdekking van het verhaal over zijn eigen afkomst. De ontmoeting met een oude rabbijn, de laatste Jood van de stad, leert hem de waarheid kennen over zichzelf. Met humor en wijsheid verbindt Tommy Wieringa de duistere binnenwereld van de mens met de vraag naar wie wij zijn en of verlossing mogelijk is. Nominaties en prijzen voor Dit zijn de namen: Prijzen - Libris Literatuurprijs 2013 - Lezersjury Gouden Boekenuil 2013. Nominaties: - Nominatie NS Publieksprijs 2013 - Nominatie Gouden Boekenuil 2013 - Tiplijst (longlist) AKO Literatuurprijs 2013 - Nominatie E. du Perronprijs 2012.



 

Najaar

Hoofdstuk 1
Het echte ding

Pontus Beg was niet de oude man geworden die hij zich had voorgesteld. Er ontbrak iets aan. Er ontbrak zelfs tamelijk veel aan. Als jongen had hij een tijdje met een veiligheidsbril op zijn neus over het erf van zijn vader rondgelopen, met zijn handen op zijn rug – zo stelde hij zich het leven van een oude man voor. Soms gebruikte hij een tak als wandelstok. Meer dan iets anders wilde hij oud zijn. Traag en bedachtzaam, een kapitein die bedaard de storm doorstond. Hij zou sterven als een wijs man.
Toen het aan weerszijden van zijn neus begon te zweren, legde hij de bril terug bij de slijpmachine in de schuur en wachtte de ouderdom rustig af in plaats van hem tegemoet te rennen.
Een oude man voelde hij zich pas sinds hij een koude voet had. Hij was drieënvijftig jaar, nog te jong om voor echt oud door te gaan, maar hij las de tekenen. Er was een zenuw bekneld geraakt in zijn onderrug. Sindsdien had hij een koude lin kervoet. Als hij ’s morgens op de badkamervloer stond, zag hij dat ze ver schillend van kleur waren. De rechter was goed doorbloed, zoals het hoorde, maar de linker was bleek en koud. Als hij erop drukte, voelde hij bijna niks. Het leek of de voet een ander toebehoorde. Het sterven begint vanuit de voeten, dacht Beg.
Zo zou het zijn, de weg naar het einde: een geleidelijk uit elkaar groeien van hem en zijn lichaam.
De naam is de gast van het echte ding, had een filosoof uit het oude China gezegd, en zo kwam hij, Pontus Beg, ook steeds meer tegenover zijn lichaam te staan – hij was de gast en zijn lichaam het echte ding. En het echte ding begon zich nu van de gast te ontdoen.

De dagen worden korter, het leven keert naar binnen. ’s Nachts zijn er onweersbuien boven de vlakte die lang blijven hangen. Beg staat voor het raam en kijkt het onweer na. Het weerlicht in de verte, een web van gloeiende barsten in het hemelgewelf. Hij staat op het zeil met een warme en een koude voet en bedenkt dat hij zich nog iets moet inschenken om weer in slaap te raken.
De slaap is naarmate hij ouder wordt steeds vaker een onbetrouwbare vriend.

Zijn flat staat aan de rand van de stad. Er zijn plannen geweest voor stadsuitbreiding naar het oosten, er waren halfslachtige bouwvoorbereidingen, maar het is er allemaal niet van gekomen, het raam kijkt nog altijd uit over een wildgroei aan schuurtjes en moestuinen, en de eindeloze ruimte van de steppe daarachter. Ook al is het een teken van stagnatie, zo mag het blijven van hem, hij houdt van het uitzicht.
In de kleine keuken haalt hij de fles Kubanskaya uit het vriesvak en schenkt zich in. Hij is geen zware drinker, hij matigt zich, anders dan bijna iedereen ten oosten van de Karpaten.
Dan gaat hij weer voor het raam staan en kijkt zonder bestendige gedachten in de koker van de nacht.

In de slaapkamer hoest zijn huishoudster. Eens per maand legt hij voor een nacht beslag op haar, al geven die woorden de verhouding niet goed weer. Het zou beter zijn om te zeggen dat zij eens per maand een nacht beslag op zich laat leggen. Zij bepaalt welke nacht dat is, altijd ergens voor afgaand aan haar men struatie. De rekentabel van haar voortplantingsorganen is schimmig terrein voor hem, hij denkt er liever niet aan. Hij hoort het wel wanneer het zijn dag is.

Zijn huishoudster reserveert haar vruchtbare dagen voor haar verloofde, een vrachtwagenchauffeur, tien jaar jonger dan zij. Hij rijdt met containers vol gebruiksartikelen uit de Volksre publiek op de hoofdstad, van waaruit een vloed aan rotzooi de bazaars van het land overspoelt. Geduldig wacht Zita op de dag dat hij haar ten huwelijk zal vragen.
Wat ze ook proberen, ze wordt maar niet zwanger; op deze manier zal ze kinderloos blijven. Ze brengt veel tijd door op haar knieën in de Benedictijnenkerk. Tussen gouden heiligen - beelden en plastic bloemen smeekt ze om een kind. In het biechthokje luistert de priester de geheimen van de mensen af; als hij de treden afdaalt in zijn zwarte habijt, tekent zijn hand een kruis boven haar hoofd en zegent hij haar en de geknielde boerenvrouwen met hun bonte hoofddoeken. Ze voelt het kruis branden op haar hoofd, die nacht zal het zaad tot bloei komen.
Aan het kettinkje rond haar nek bungelen naast het gouden kruisje ook de schildjes van heiligen bij wie je terechtkunt voor vruchtbaarheid.
Vrouwen, denkt Pontus Beg, zijn de lastdieren van het geloof, op hun rug dragen ze het heilige door de wereld.
Hij heeft Zita er nooit toe kunnen overhalen eens een oogje toe te knijpen en een vruchtbare nacht aan hem te schenken. Want dat het de chauffeur is die faalt en niet zij, weet hij zeker. Het is die vrachtwagen, zoveel zitten is niet goed voor een man. Het knijpt je ballen af.
Een kind? Wil hij een kind?
‘Haal je niks in je hoofd, Pontus,’ zegt Zita.
Hij meent het niet, denkt ze, en als hij het wel meent zou hij het niet moeten menen.

Beg slaat haar diensten in bed hoger aan dan die erbuiten. Ze is geen erg goede huishoudster. Ze maakt niet schoon, ze ruimt op. Ze doet een jaar met een pot groene zeep. Ze zijn allang voorbij het punt dat hij er nog iets van kan zeggen – gewoonte heeft de verhoudingen vastgelegd, er kan niet meer aan worden getornd. Zoals het is, zal het blijven. Zij ruimt op en hij houdt zijn mond.

Wanneer Zita er is, drinkt hij meer dan anders. Ze zitten aan tafel te roken en te praten. Hij vertelt anekdotes waar ze volledig in opgaat. Ze lacht en gruwt, ze is een dankbaar publiek. In de loop der jaren heeft hij sommige dingen al drie of vier keer verteld, maar ze luistert graag naar zijn verhalen over het leven van een politieman. Aan tafel met Zita maakt alcohol hem niet wee moedig maar juist vrolijk en schalks. Hij ver heugt zich op de avonden met haar, ze zijn de vreugde van zijn leven.
Dan gaan ze naar bed. Het licht gaat uit.
Vaak ligt hij wakker als zij er is. Hij vraagt zich af of hij misschien niet te lang alleen is geweest, zodat hij niet meer kan wennen aan een ander lichaam naast zich.
Dat, en het andere probleem.
Ze onderhoudt een levendige relatie met haar moeder in haar slaap. Het is ’s nachts een drukte van belang in zijn bed. Eerst, na de liefde, slapen ze een uur, soms twee. Dan begint het. Dan zetten moeder en dochter het gesprek voort dat door haar plotselinge dood ruw werd onderbroken. Beg herinnert zich de eerste keer dat hij Zita ’s nachts hoorde praten. Hij hoorde het deel van het gesprek dat zich in deze wereld afspeelde een tijdje aan, zonder te weten dat het haar moeder was aan de andere kant. Het waren geen diepe geheimen die van gene zijde werden medegedeeld, ze bespraken de prijs van meel, de kwaliteit van eieren en de aanhoudende schande die lege winkels betekenen voor een vrouw die in de stem - ming is om iets te kopen. Het was als een telefoongesprek dat je goed kon volgen, ook al hoorde je alleen maar wat aan deze kant van de lijn werd gezegd.
Toen de verveling ondraaglijk werd, had Beg haar wakker geschud.
‘Je praat in je slaap,’ zei hij.
Ze ging rechtop zitten en zei: ‘Pontus, je stoort ons! Nu moet ik maar weer zien hoe ik haar terugvind!’
Sindsdien verliet hij het bed wanneer het geklets hem te veel werd, zoals ook vanavond. Op een warme en een koude voet staat hij voor het raam en staart naar het onweer boven de vlakte.

 

Copyright © 2012 Tommy Wieringa

Wil je van je bestaande account gebruikmaken op onze nieuwe website? Je behoudt dan onder meer je bestelgeschiedenis, reeds aangeschafte e-books en je persoonlijke verlanglijst. Als je toestemming geeft krijg je direct een mail om een nieuw wachtwoord in te stellen.

Voer een geldig e-mailadres in

Hostname: pro-mbooks2