Leesfragment: Grondwerk

06 september 2025, door Tijl Nuyts

Op de shortlist van de Boekenbon Literatuurprijs 2025 en (update) winnaar van de Boon 2026: het romandebuut van Herman de Coninckprijswinnaar Tijl Nuyts, Grondwerk! Tijd voor een fragment. Lees je in en koop dat boek!

Grondwerk onthult een verborgen wereld onder het Vaderlandsplein in Brussel. Verscholen in een gangenstelsel wacht een naakte molrat, op missie vanuit de Hoorn van Afrika, op een briefing. Een mens die zich bij haar hol meldt, wint haar vertrouwen en tekent haar verhaal woord voor woord op. Ondertussen groeien overal in de stad zinkgaten. Er broeit iets in het bestuurlijke hart van Europa. Is er een opstand ophanden?

Grondwerk is een verhaal over verzet en herstel, over collectieve actie, gedeelde grond en pogingen om de wereld bewoonbaar te maken. Een roman vol complottheorieën en toekomstbeel­den, die laat zien dat we niet zonder elkaar kunnen.



1

Ik wacht op de briefing. Dat doe ik ondertussen al langer dan ik me kan herinneren. Ongetwijfeld hebben ze de precieze duur bijgehouden en in een verhelderend grafiekje gegoten, samen met andere variabelen: mijn loopsnelheid, mijn gewicht, welke geluiden ik voortbreng, hoe vaak ik me bovengronds vertoon. Ik vraag me af of ook jij mijn gedrag zo nauwlettend monitort wanneer je me bezoekt.
Het voelt ondertussen al zo lang geleden. Die dag toen ik me kwam nestelen onder dit plein, onder het gravel en het gazon, tussen het speeltuintje en de zandbak, het hondentoilet en de glascontainers. Alles was zo vreemd toen, zo anders. Uitgeput stond ik in de tunnel die ik net had gegraven. Een laatste laag aarde scheidde me van de bovenwereld. Ik was te moe om ook nog maar één vinger te verroeren, maar hiervoor was ik die hele weg gekomen. Dus sprak ik mezelf moed in en plantte mijn handen in de grond. Natte kluiten tussen mijn vingers, de geur van paddenstoelen, een opening die met elke graafbeweging wijder en wijder gaapte – en toen brak de buitenlucht als een vuist mijn gang in en vocht zich een weg door mijn neus, mijn luchtpijp, mijn longen.
Bij voorkeur blijf ik ondergronds, zoals mijn soortgenoten dat al miljoenen jaren doen. Maar ik had een opdracht. Dus toen ik min of meer gewend was aan het hoge zuurstofpercentage, dwong ik mezelf om mijn hoofd door het gat te steken, de bovenwereld in.
Het licht was hier minder fel dan thuis, maar dat comfort viel in het niet bij de tsunami aan informatie die op me afkwam. Ik zette me schrap, probeerde weerstand te bieden, trok een mentale barrière op die de prikkels voor me moest filteren. Tevergeefs. Golf na golf aan gegevens beukte op me in. Gedonder van motoren, knetterende elektriciteit, smog, het geborrel van miljoenen stemmen, allemaal door elkaar, het gewicht van voertuigen op de grond en in de hemel, boomwortels die zich fluisterend door asfalt wurmden, vlees sissend in een pan, ratelende wielen, een regendruppel die langzaam van een kastanjeblad rolde, metaal over keien, de doordringende lucht van teer, bloesems en benzine.
Ik plaatste mijn armen en benen wijd op de vloer van de tunnel en hield me met alle macht vast aan de aarde, mijn enige houvast. Dit kon ik onmogelijk op m’n eentje verwerken. Ik kon het niet aan. Nu nog niet. Dus draaide ik me om en trok me terug in de tunnel. Voor ik de oppervlakte verkende, bleef ik beter nog even in het donker dat ik zo goed kende.
De eerste dagen na mijn aankomst werd ik volledig in beslag genomen door het graven van een hol. Een zorgvuldig verborgen drempel die naar een eerste verdieping van oppervlakkig gelegen gangen leidde. Van daaruit enkele schuin naar beneden lopende tunnels die uitmondden in het dieper gelegen gangenstelsel. Daar groef ik onder meer een magazijn (waar ik noodgedwongen voedsel van inferieure kwaliteit opsla), vier toiletkamers (hoewel ik aan één kamer natuurlijk genoeg heb) en een vergaderzaal (in afwachting van de briefing). Het langst heb ik gewerkt aan de nestkamer, die ik voorzag van traditioneel metselwerk, een buitengewoon zachte vloer en een driedubbel beveiligde deur. Recent heb ik die nog extra verstevigd, want nu ik weet dat ze me op het spoor zijn, neem ik geen enkel risico.
Ja, ik heb mijn hol helemaal alleen gegraven. En voor je me de les gaat spellen: dat is niet zoals het hoort, dat weet ik. Al eeuwenlang verlopen onze graafwerkzaamheden volgens een zorgvuldig gecoördineerde choreografie, een dans in het donker van ons immer uitdijende hol. Wanneer we op zoek gaan naar voedsel, vormen we een lange slinger lichamen. De eerste graver duwt de aarde naar achteren, in de richting van de werker die vlak achter de koploper heeft plaatsgenomen. Ook de tweede schopt de aarde met een welgemikte trap weg, de derde doet hetzelfde, enzovoort, tot de uitgang is bereikt. Zoiets lukt haast niet in je eentje. Maar ik had geen keuze. Dus ik groef. Alleen.
Ook nu nog vergt het een grote inspanning om me bovengronds te begeven. Maar na me wekenlang in mijn gangenstelsel te hebben verschanst, ben ik er uiteindelijk toch in geslaagd mijn angst te overwinnen. Hoewel ik de voortdurende toevloed aan prikkels ondertussen min of meer onder controle heb en de meeste impulsen die me omringen weet te duiden, voelt het onnatuurlijk. Maar het moet. Dus hijs ik me elke dag opnieuw uit de nestkamer, loop door de tunnels en begeef me in de bovenwereld. Daar snuif ik de buitenlucht op en loop een eindje door het bedauwde gras. Op mijn tastharen voel ik telkens weer de vele vertrouwde voetstappen zinderen. De mensen die gehaast over de paden lopen, steentjes knarsend onder hun zolen. De jongeren die elkaar lachend de struiken in duwen. De vermoeide groepjes die aan de randen van het plein wachten tot ze worden meegenomen.
Er trekt een trilling door de bodem. Voel je dat? Nee, natuurlijk niet, zoiets valt jou nauwelijks op. Zelfs ik ben er ondertussen aan gewend. Om de zoveel tijd voel ik het plein daveren tot in de diepste kamers van mijn hol. De wanden schudden vervaarlijk, brokken aarde die ik zorgvuldig had aangestampt tuimelen naar beneden. Nu de grond voor de zoveelste keer begint te trillen, voel ik louter ergernis.
Toen ik het gedaver voor het eerst voelde, kort na mijn aankomst, beefden mijn ingewanden van schrik. Ik was net de muren van het magazijn aan het egaliseren toen alles om me heen begon te schudden. Ik ging op de vloer liggen en sloeg mijn armen over mijn hoofd. Dit was het dan; hier eindigde de missie, nog voor ik ook maar een stap van het Plan had kunnen uitvoeren. Het gedaver zwol aan in kracht, kwam steeds dichterbij – en trok toen even snel weg, als water dat wegsijpelt in de grond. Maar meteen daarna kwam er weer een nieuwe beving aanrollen, die even snel als de vorige verdween. En toen nog een. En nog een. Omdat er op het eerste zicht geen gevaar dreigde, stak ik mijn hoofd voorzichtig uit het hol. Ik bevoelde de lucht en dwong mezelf om te blijven staan toen de vijfde davering naderde.
Er kwam iets enorms op me af. Een slang? Ik had geen tijd om weg te duiken. Terwijl ik zijn schitterende ogen razendsnel dichterbij zag komen, kwam er een tweede naar me toe – ditmaal vanuit tegenovergestelde richting. Ik sprong het hol in. Met mijn neus naar de ingang wachtte ik af tot een van de beesten zijn platte kop zou binnensteken. Ik ontblootte mijn gebit, vastbesloten om me met hand en tand te verdedigen.
Maar de beesten kwamen niet. Ter hoogte van het hol, aan weerszijden van het plein, hielden ze halt. Mijn hol kwamen ze niet in gegleden. Lagen ze in een hinderlaag? Of hadden ze al gegeten en kwamen ze hier uitrusten? Enkele dieren – mensen, honden, bromvliegen – waren zo roekeloos om zich in hun buurt te begeven. Ze zochten zelfs toenadering! Maar vreemd genoeg werden ze niet opgeslokt door hun hongerige monden. Het waren de flanken van de slangachtigen die zich openden, langs één kant, en zich vulden met dieren die zich gedwee lieten opslikken, terwijl andere dieren langs dezelfde weg werden uitgespuwd. In wat voor wereld was ik beland?
Een mens en zijn jong wandelden intact uit een van de beesten. Energiek brabbelend stoof een groepje kinderen de andere kant uit. Ook zij leken ongeschonden. Een mens en een hond passeerden rakelings langs de ingang van mijn hol. De hond draaide zich om. Mijn hol barstte voor hem natuurlijk van de nieuwe aroma’s; hij snoof enthousiast de rondslingerende geursporen op en tilde zijn hoofd omhoog, zijn neus in mijn richting. Rook hij me? Ik week achteruit. De hond snuffelde aan het gravel op enkele meters van de ingang, maar de mens trok aan een koord rond zijn hals; hij jankte, draaide zich om en samen staken ze het plein over en verdwenen achter de bomen.
Na die eerste twee slangachtigen kwam er nog een hele rits langs. Geen enkele viel me aan. Dit waren niet de zandboa’s of de roodlipslangen die ik mijn hele leven had gevreesd, maar onbekende beesten die op gezette tijden kwamen aanrollen, elkaars bewegingen spiegelden en geroutineerd groepjes mensen opslikten en uitspuwden. Zolang ik niet dichterbij kwam, leek ik geen gevaar te lopen. Uit hun bek kwam geen gevorkte tong geflikkerd. Geen tongpunten die moleculen uit de lucht grepen en mijn locatie doorseinden naar hun brein. Hadden ze wel een bewustzijn? Ik betwijfelde het. De voortdurende aardbevingen op het plein leken veroorzaakt te worden door beesten die steeds weer dezelfde lusbeweging maakten, vastberaden, bijna slaafs.
Ondertussen herken ik het gedaver van de trams maar al te goed. Bang ben ik al lang niet meer. Of toch niet van hen. Want zoals je weet dreigen hier heel andere gevaren. Ook nu beeft de grond onder mijn voeten – en onder de jouwe. Snel enkele verstevigingen aanbrengen. Wacht hier. Ik ben zo terug.

 

© 2025 Tijl Nuyts

Gerelateerde boeken

Wil je van je bestaande account gebruikmaken op onze nieuwe website? Je behoudt dan onder meer je bestelgeschiedenis, reeds aangeschafte e-books en je persoonlijke verlanglijst. Als je toestemming geeft krijg je direct een mail om een nieuw wachtwoord in te stellen.

Voer een geldig e-mailadres in

Hostname: pro-mbooks3