Leesfragment: Het goede kwaad

27 juni 2025, door Samanta Schweblin

Een van onze favorieten (Zoë, over ‘de koning van de korte verhalen’: ‘altijd ongemakkelijk, maar altijd geweldig’), en een van de titels in onze NRC-advertentie van 27 juni: Samanta Schweblins Het goede kwaad. Verhalen (El buen mal), vertaald uit het Spaans door Eugenie Schoolderman. Lees nu een fragment en koop dat boek!

Het goede kwaad belicht de kwetsbaarheid van het leven en de oncontroleerbaarheid van datgene wat ons juist heel dierbaar is. Zoals een verdrietige vader die niet in staat is om met zijn zoon te communiceren, na een ongeluk dat hij uit onoplettendheid niet had weten te voorkomen; zoals een moeder die tevergeefs wacht op de terugkeer van haar dochter; zoals een vrouw die moe is van het leven, maar zich uit liefde gedwongen voelt het voort te zetten.

Onberispelijk, zwartgallig grappig, en absoluut schitterend is Het goede kwaad, en de verhalen tonen ons een schrijfster op de toppen van haar kunnen. Schweblin is een meester in het opbouwen van spanning en ze beroert en verontrust de lezer in gelijke mate.



Welkom bij de club

Ik spring vanaf het uiteinde van de steiger in het water en zink, terwijl ik mijn neus dichtknijp. Na de plons doe ik mijn ogen open en laat ik me rustig verder vallen, langzamer nu, en kijk ik naar de nieuwe tinten om me heen, donkerder, glinsterender. Ik zak dieper, ik houd nog steeds mijn adem in.
Misschien is er een minuut verstreken. Eindelijk raak ik met mijn voeten de drabbige bodem, langzaam, als een astronaut die op de maan landt. Ik laat mijn neus los en laat mijn armen zakken, mijn lichaam spant zich. Ik voel kramp vanuit mijn longen, een stuip, ik wacht nog wat langer. Ik voel even aan de stenen die ik om mijn middel heb gebonden – de knoop kan altijd nog los. Om te voorkomen dat ik spijt krijg, adem ik in. Mijn borst loopt vol met water, ik voel een nieuwe, felle kou rond mijn ribben. Ik wil dat het pijnloos gaat. Uit mijn mond en neus borrelt een tiental belletjes op. Ik voel weer kramp, ik ben bang voor wat er nu kan gebeuren. De lucht die ik nog heb blaas ik uit. Het verrast me, de gewaarwording van vloeistof waar eerst lucht zat, maar vooral hoe helder ik ben, hoe kalm. Ik kijk naar mijn handen, ze zijn groter en witter dan boven water, en ik vraag me af hoelang het zal duren voordat ik het bewustzijn verlies. Wier, scholen zilverkleurige ogen, als glitters rondzwevend plankton. Mijn lijf voelt helemaal los, daar in de warme, koele en dan weer warme stromen. In de verte wordt de bodem troebel. Hoeveel tijd zou er zijn verstreken? Drie minuten, misschien wel vijf, dat kan ik niet meer inschatten. Ik was er zeker van dat het allemaal sneller zou gaan.
Ik voel aan de stenen en zoek de knoop. Ik heb geen spijt, in dit stadium is het ‘gebeurd is gebeurd’. Het is gewoon nieuwsgierigheid. Ik maak de knoop los, de stenen zakken naar beneden. De val veroorzaakt een beving bij mijn voeten, die op hun beurt langzaam loskomen van de grond. Niet wetend wat ik moet doen, zweef ik daar als het ware. En ik weet nog dat ik op dat moment dacht: En wat als dit het dan is? De rest van de eeuwigheid daar blijven zweven en twijfelen: de eerste echte angst die ik die dag voelde. Nooit meer voor- of achteruit kunnen, geen enkele kant op kunnen.
Ik rol mezelf op, stamp met mijn voeten op de bodem en duw mezelf omhoog. Waar ging het mis? Ik probeer het te begrijpen. Even lijk ik makkelijk op te stijgen, maar na een paar meter stopt mijn lichaam, gerieflijk zwevend. Het duurt een tijdje voor ik er ben, voor ik eindelijk de kristalheldere warmte van de oppervlakte bereik. Zal ik gewoon weer kunnen ademen als ik bovenkom? Ik vraag me af of iemand me aan het zoeken is, ik vrees een schandaal. Ik doe een paar slagen, kom eindelijk met mijn hoofd boven water en voel de opluchting van de frisse lucht op mijn natte gezicht.
De stenen oever is even leeg als altijd, trappelend waad ik naar de houten trap en ik klim op de steiger. Ik kokhals en buig voorover en verwacht dat al het water eruit komt, maar er gebeurt niets. De druppels die van mijn kin glijden verdampen meteen op het warme hout. Ik wil gaan staan, maar ik ben zo slap als een vaatdoek, ik wacht even en probeer het dan nog eens. Aan de andere kant van de tuin staat de zon recht op de grote ramen, het licht doet pijn aan mijn ogen. Ik wring mijn haar uit, probeer hetzelfde te doen met het voorpand van mijn t-shirt en met de onderkant van mijn broek, en loop naar het begin van de steiger. Mijn slippers staan nog op het gras, precies zoals ik ze had achtergelaten. Ik trek ze aan en met grote moeite loop ik de helling op, door de tuin naar boven.
Ik weet nog hoe ik thuis aankom: ik zie mezelf in het grote achterraam, mijn drijfnatte kleren plakken aan mijn lichaam, mijn hand die ik uitsteek om de glazen pui, die piepend en knarsend over de rail gaat, open te schuiven, het kozijn dat voor mijn ogen langs beweegt en de weerspiegeling wegneemt, en daarachter de woonkamer en de eettafel met de niet-afgeruimde resten van het ontbijt. Ik houd me even vast aan het kozijn en stap dan met een laatste krachtsinspanning over de drempel.
Binnen is er niets dan rust. De hortensia’s die ik ’sochtends heb afgesneden staan nog precies zoals ik ze heb neergezet in de twee vazen in de keuken. De twee brieven die ik bij de boeketten heb gezet haal ik weg, de brief die ik aan hem heb geschreven en die aan de meisjes. Ik weet niet zeker of het een goede beslissing is om de brieven weg te halen, ik ben er niet eens zeker van of ik ze van dezelfde tafel pak als waarop ik ze niet lang daarvoor heb neergezet. Ik ben nergens zeker van, toen niet en ook nu niet, maar ik zie op de klok dat het al tien voor half een is, daarom ga ik naar boven, stop de brieven in de la van mijn nachtkastje, trek mijn natte kleren uit, doe iets droogs aan en ga weer naar beneden om het middageten te maken.
Toeterend komen ze aangereden en als een wervelwind stormen de meisjes binnen. Ze hebben een hok met een konijn erin bij zich.
‘We moeten tot donderdag voor hem zorgen,’ zegt hij, ‘een week per gezin.’
Ik sta eieren te kloppen. Dat veronderstelt een enorme inspanning, maar ik tril helemaal, ik hoop maar dat ze door het kloppen niet doorhebben hoe ik eraan toe ben. De meisjes omhelzen me bij mijn heupen, ik moet de kom omhooghouden om hun gezicht te kunnen zien.
‘Hij heet Tonnetje.’
‘Ja, Tonnetje!’
Hun stemmen galmen in mijn hoofd.
De oudste duwt haar neus in mijn buik en snuift uit alle macht.
‘Mama, je stinkt.’
De jongste doet haar na.
‘Het is echt zo! Naar vieze blubber of zo.’
‘Oké,’ zeg ik, ‘we gaan eten.’
Ik weet nog hoe bang ik ben om te stoppen met kloppen. Maar ik stop en er gebeurt niets, niemand die op me let. De oudste schuift het hok tegen de muur en laat het konijn vrij. Haar vader gaat snel de schuifpui dichtdoen. Als hij terug is roept hij ons door drie keer in zijn handen te klappen: ‘Nu alles goed dichthouden,’ zegt hij.
Ik doe de vijfde omelet in de pan en serveer de andere die al klaar zijn. Hij weet dat hij zelf op de omelet die nu op het vuur staat moet letten, omdat hij de enige is die er altijd twee eet. Dus we gaan aan tafel, en eindelijk, althans een paar seconden lang, helpt de stilte van de meisjes die hun eerste hapjes nemen me wat te kalmeren.
Alles is in orde, zeg ik tegen mezelf, rustig maar.

[…]

 

© Samanta Schweblin, 2025
© 2025 Nederlandse vertaling Eugenie Schoolderman

Wil je van je bestaande account gebruikmaken op onze nieuwe website? Je behoudt dan onder meer je bestelgeschiedenis, reeds aangeschafte e-books en je persoonlijke verlanglijst. Als je toestemming geeft krijg je direct een mail om een nieuw wachtwoord in te stellen.

Voer een geldig e-mailadres in

Hostname: pro-mbooks2