Jeroen Brouwers’ met de ECI Literatuurprijs bekroonde roman Het hout (2014) staat op plaats 24 in de lijst met beste boeken van de 21ste eeuw. Tijd voor een fragment!
Het hout van Jeroen Brouwers geeft een indringend beeld van de misdaden en de hypocrisie in de roomse kerk, die heden nog de verontwaardiging en frustratie oproepen van wie er het slachtoffer van zijn geweest. In een door kloosterlingen geleid jongenspensionaat vindt in de jaren vijftig van de vorige eeuw seksueel misbruik, sadisme en vernedering plaats. Broeder Bonaventura is er getuige van en zwijgt zoals iedereen. Maakt dit hem medeplichtig?
I
De pij irriteert mijn huid.
Het lompengewaad van Franciscus van Assisi die met wolven sprak.
Kloosterlingen die in zijn orde zijn getreden dragen zijn habijt dat de vorm van een kruis heeft. Voorzien van een capuchon hangt het zwaar aan de schouders, reikt tot de voeten en hult het hele lichaam in faecaal bruin, de stof is ruw en schrijnt. Men moet er kleding onder dragen om niet zinneloos te worden van jeuk, die het naakte vel teistert als termieten.
Wat draagt een kloosterling onder zijn pij? Een tot het middel reikende kiel, een trainingsbroek, een onderbroek, dit lijfgoed is voorzien van verstelbare elastieken.
Over de pij wordt het scapulier gedrapeerd. Dit is een baan stof van dezelfde lengte, materie en kleur als de pij met een gat erin om het hoofd door te steken. Te dragen over borst en rug, zoals een celebrant het kazuifel. Alles van uniforme snitloze makelij, alles in dezelfde forse maat, waardoor iedereen alles hoe dan ook past.
Op zaterdag moet alles in de was, het taakdomein van Plechelmus, die er schoon goed voor in de plaats levert. Wij ordebroeders houden er naar voorbeeld van onze stichter geen persoonlijke bezittingen op na, dus ook geen eigen kleren. Zo dragen wij al naar het toeval wil om beurten het hemd, de onderbroek, de hobbezak die een confrater een week tevoren aan zijn lijf heeft gehad. Ik overtreed de orderegel door nooit de gemeenschappelijke kloosteronderbroek te dragen.
De lompenjurk van Franciscus wordt rond het middel bijeengegord door een wit koord met drie knopen erin, die ons zijn leefmotieven in herinnering houden. Knoop een: armoede. Knoop twee: gehoorzaamheid. Knoop drie: onthouding of kuisheid. Ga er maar aan staan. Il poverello heeft er gedichten over nagelaten, ze hangen ingelijst in de kloosterrefter.
Begin april, dinsdag in de goede week. Omdat het eergisteren palmzondag was hangen er verse buxustakken achter alle kruisbeelden en wijwaterbakjes. Nauwelijks lente en het is al etmalen zo agressief heet alsof mijnheer broeder zon woede uitbraakt. Vlammende hitte als kokende kots, die overal doorheen dringt, zelfs door de muren van de gewoonlijk koele, zelfs kille kapel. Daar dendert de zon door de gebrandschilderde ramen met de Franciscustaferelen, waarvan de kleuren verbleken in het als brand inslaande licht. Zo heet als in de keukenfornuizen van Severinus en zijn juvenist die nog geen kloosternaam heeft. Als het zelfs in de kapel al zo moeilijk te harden is, waar dan te blijven in mijn kamertje onder het dak, waar ik in mijn broeiende gewaad als slaapzaalsurveillant de wacht zit te houden, om mij heen is het rumoeren van de jongens in hun chambrettes.
Het ruimtetje waar ik me ophoud is twee bij vier tussen triplex wanden, zonder plafond. Zolang op mijn tafeltje het gloeipeertje brandt dat uit de lampenkap is gezakt en eronder bungelt, werpt het een rechthoekige lichtvlek tegen het plafond van de slaapzaal boven mijn cel. Een lichtbolletje van weinig sterkte. Niets naast het daveren van de zon en toch lijkt de hitte, die ook ’s nachts niet uit mijn pij trekt, door dat bolletje te worden veroorzaakt. Ik staar in de matte gloed ervan en heb dorst, maar de thermosfles, door Severinus’ koksmaat gevuld met thee, is tot de laatste druppel leeg. In tegenstelling tot mezelf. Wat ik met kleine teugen aan koude bittere thee heb gedronken plenst met bolle droppels mijn lijf uit, nietswaardig lijf, ik druip van hoofd tot helemaal beneden. Kiel en broek heb ik van me af gestroopt, scapulier ook, koord ook, de pij natuurlijk niet. Ook voor mijn kamertje hangt maar een kort gordijn tot zowat een halve meter boven de vloer. Wie zijn bed uit komt, streng verboden tenzij stringente reden, kan mijn blote voeten in de franciscaanse sandalen zien, aan meer bloot kan ik mij hier als toezichthouder niet overgeven. Zo zit ik naakt in de pij, overal gebeten door de stugheid ervan, alsof ik in een juten zak woon. Ik probeer niet te bewegen en de kemelharen tent op zo weinig mogelijk plaatsen met mijn vlees in aanraking te brengen, verachtelijk vlees, dat ik met het knopenkoord zou moeten geselen. Ik kijk wel uit.
Ik heb het lampje uitgeknipt. Met lichtkringen achter mijn ogen tuur ik door het raam, dat openstaat, hoewel ik het beter gesloten zou laten om de hitte buiten te houden.
De nacht is een zwarte massa explosieve broeierigheid. Geen sterren te zien. Ook zuster maan is er niet. Beneden mij ligt de speelplaats met de kastanjebomen. Aan de overkant van de betegelde vlakte is het schoolgebouw, waar nog licht brandt in het meest rechtse raam van de tweede verdieping. Daar zit Mansuetus die zijn naam uitspreekt als Mansoeweetoes. Hoofd van de middelbare klassen. Knapen van twaalf tot zestien, zeventien jaar, over wie ik in deze slaapzaal moet waken.
Ik hoor je wel Bruinsma! Zodra ik mijn gloeipeer doof en de lichtvlek van het plafond verdwijnt, komt het janhagel tot leven. Bruinsma doet of hij nadrukkelijk kucht. Ahèmm ahùmm. Uit een andere chambrette komt geknor. Jou ook Weytjens! Ga slapen, man, het is hier geen varkensstal. Ik tik met het kruis van mijn rozenkrans op het tafelblad. Ik heb het ding in mijn hand om iets in mijn hand te hebben. Wij dienen dit kralensnoer dagelijks ten einde te prevelen daar wij zijn toegewijd aan de heilige maagd volgens de regel van Franciscus, zelf een gebeten vrouwenhater, al had hij volgens apocriefe bronnen iets met de heilige Clara.
In de voorlopig weergekeerde stilte lijkt de hitte te gonzen. De atmosfeer als dreigend beest. Achter het schoolgebouw gloeit het schijnsel van de buitenwereld, zoals wij het autistisch noemen. De buitenwereld omspant de hele planeet en het universum. Onze gebouwencomplexen vormen een gesloten enclave, wij leven separaat van de buitenwereld, waar wij niet bij horen, onze terreinen zijn afgegrensd door muren. Wij vormen een autonome mannenkloostergemeenschap met jongenspensionaat, ons instituut heet Sint Jozef ter Engelen, gesitueerd in het afgelegenste zuidoosten van Nederland. Om ons heen ligt het mijndorp Blijderhagen, waar soms fanfaremuziek vandaan komt, gedempt door verte. Soms stemmen en gelach van mensen zoals ik aan de andere kant van de muren. Ik zit met zondige opstandige gedachten en met heimweeërige verlangens die in strijd zijn met knoop drie. Naar rechts loopt de straat dood op de grensboom met Duitsland. Ongeveer op dat punt brandt het licht in Mansuetus’ kamer. Twee tl-buizen. Het raam waar dat licht schijnt is een gele lap in het pastoorzwart van de nacht, te zien door de takken van de kastanjes. Hij van daaruit zal het povere schijnseltje van mijn lampje wel niet zien als het brandt.
Als je nu niet onmiddellijk ophoudt met die smerige geluiden, Weytjens! Schreeuwen doe ik niet. Het heeft hier alles van een strafinstelling. Broeder? Ja Weytjens? Mark Freelink is er nog altijd niet. Knor knor. Ahômm. Besmuikte geluiden in verschillende slaapcoupes. Stilte! Iedereen slapen! Ik produceer opnieuw een roffel met het kruis van het weesgegroetensnoer met de houten kralen. Daar rinkelt de lamp van in de fitting, het resoneert in de thermosfles.
Ik kom niet van mijn stoel en word weer onbeweeglijk. Druppels aan mijn oren en neus. Er glibbert er een van nek naar stuit. Nog een van borstbeen naar daaronder, waar het jeukt. Kloosterzakdoek om te vegen en te deppen was vanmorgen al doorweekt. De lap hangt achter mij aan het bed te drogen nadat ik hem onder de kraan heb uitgespoeld. Medebroeders op de aardappel. en groenteakkers opzij van de gebouwen leggen een knoop in de vier punten van de zakdoek en spannen hem zo over het hoofd. God weet wat de confraters nog meer met hun zakdoeken doen. Naast God weet ik dat ook, ik doe er hetzelfde mee, waartoe het weefsel bij voorkeur droog zij, nat is niet prettig.
Mark Freelink moest nablijven na de avondstudie.
Mansuetus verscheen in de deuropening van de studiezaal en commandeerde met die snorkende stem van hem, na eerst dat schraapgeluid: Freelink! Als hij opdoemt slaat meteen absolute stilte in. Als hij weer in de gang is opgelost, deur geluidloos achter zich gesloten, zoals hij hem ook opeens geluidloos heeft geopend, blijft iedereen nog seconden verstijfd. De leerlingen, maar wij, zijn kloosterbroeders, evengoed, die Mansoeweetoes ook buiten het schoolgebouw meemaken.
Een stronk van een kerel, die door zijn gestalte boven alles uitsteekt, ook als hij zit of knielt. Het franciscuskleed bergt een zo omvangrijk lichaam dat het hem niet tot de voeten maar tot halverwege de behaarde onderbenen reikt. Daar verplaatst hij zich niet mee met dreunend misbaar als de kolos die hij is, maar onhoorbaar, zonder te sluipen, of hij met grote stappen zweeft. Opeens is hij er, opeens staat hij voor of achter je en je schrikt. Die schrik is angst. Dat bolle kale hoofd met de kleine loerende ogen boven pofferige wangen. Broeder ever. Hij zet een stem op die wel altijd dreunt. En voordat hij iets zegt altijd eerst dat bijna rochelende aggrômm. Alleen al bij de klank daarvan verstommen mens en natuur, terwijl de mens er ook nog bij verbleekt. Onze broedergemeenschap ziet hem alleen in de kapel, niet altijd bij alle diensten, en in de kloosterrefter in het slot. Het slot is in het hoofdgebouw de afdeling die alleen voor de broeders is, verboden te betreden voor ieder ander. In het slot, afgezonderd van de leerlingen, hebben wij broeders onze gemeenschappelijke eet. en ontspanningsruimten en ieder onze eigen cel met bed, wijwaterkuipje met palmtak aan het hoofdeinde, tafel, stoel, bidbank, kruisbeeld, kast. Ik woon ook in zo’n cel zonder ramen, behalve als ik zoals nu nachtsurveillance heb.
[…]
© 2014 Jeroen Brouwers