Vanaf 1 mei in onze boekhandels, het Boek van de Maand mei van Athenaeum Boekhandel Spui: Robert Macfarlanes Leeft een rivier? (Is a River Alive?), vertaald door Nico Groen. Lees nu een fragment en koop dat boek!
Overal ter wereld sterven rivieren door vervuiling, droogte en indamming. Al sinds mensenheugenis moeten rivieren dienstbaar zijn voor vervoer, voor energie, als bron van voedsel, als open riool. Wereldwijd is er echter ook een beweging gaande die het leven en de rechten van rivieren en andere natuur wil erkennen en wil vastleggen in de wet om verdere vernietiging tegen te gaan.
Natuurschrijver Robert Macfarlane is diep overtuigd van deze Rights of Nature. In Leeft een rivier? neemt hij zijn lezers mee op een reis langs drie grote stroomgebieden, in Ecuador, India en Canada. Van nevelwouden naar lagunes en van kreken naar kolkende watermassa’s. Alle drie de rivieren worden bedreigd en voor alle drie wordt een strijd geleverd.
Leeft een rivier? is Macfarlanes meest persoonlijke én politieke boek tot nu toe. Het bruist van de fascinerende ideeën, onvergetelijke personages en verhalen, en van de haarscherpe natuurobservaties die zijn handelsmerk zijn. Hij verweeft cultuur- en natuurgeschiedenis, reportages, reis- en natuurverslagen met poëtisch proza.
Proloog
De bronnen

Twaalfduizend jaar geleden wordt er een rivier geboren. In een holte aan de voet van een heuvel waar vuurstenen op liggen, wit als ogen, welt water voor het eerst op uit een kier in het krijt... en stroomt weg. Welt op en stroomt weg, welt op en stroomt weg: dagenlang, jarenlang, dan decennialang, eeuwenlang, gezien door een maan op een midzomerdag en een winterzon zo rood als bessen, gezien in elk weertype, gezien door herten met een schofthoogte van twee meter, gezien door wachters als roofvogel en vos, gezien door ijzel en hagel, gezien door oerossen die van kop tot kont drie meter meten.
Dit bronwater was eerst sneeuw. Die bleef liggen, smolt, sijpelde sloom door het gesteente, waarna het hier als bron aan de oppervlakte kwam, een nimmer slapende, zilveren zindering die de poel die ze heeft laten ontstaan fluisterend en murmelend doet rimpelen.
De jaren onder de grond hebben dit water gezuiverd. Het is doorschijnend als glas en heeft iets blauws. Ten noorden van hier trekken gletsjers zich met tegenzin terug, enorme kristallijnen ijslobben en .punten, die knarsen en kreunen doordat het opwarmende klimaat ze terughaalt naar hun laatste bolwerk in het hoge land. De grote ijskap laat gladgepolijste grond, bekraste steenvlakken, smeltwatermeren en morene achter. Een immens gewicht is weggenomen en het land rijst op in reliëf. Bomen volgen de gletsjers naar het noorden: eerst berk en hazelaar, daarna grauwe wilg, ze vullen de holten. In het zuiden heeft de vorst eindelijk zijn ijzeren greep laten verslappen: water doordrenkt de aarde diep, verzadigt de ondergrondse waterlaag en laat deze bron aan de voet van de heuvel ontspringen.
Bron wordt stroom wordt rivier, en alle drie zoeken ze de zee.
Inmiddels is het achtduizend jaar geleden, de tijd van de linde. Een lindewoud tiert, verdringt zich aan de kusten en strak langs de poel waar de bron ontspringt. Gevoed door regen stroomt het water naar zee: het werk van de zwaartekracht, of van een soort verlangen. De stroom komt uit in de rivier, die in dikke windingen naar de monding meandert, waar hij eindelijk – tussen bronzen stranden door – de zee bereikt en getij en woelige wind hem smoren in golven.
Schaduwen schieten tussen de bomen rond de bron door: voor het eerst zijn hier mensen, aangetrokken door dit oord waar water wordt geboren. De bron wordt een vaste pleisterplaats op hun omzwervingen, een vreemd aantrekkingspunt in de lussen en krullen van hun seizoensgebonden verplaatsingen. Hier drinken, eten en slapen ze, en gebruiken ze hertengeweien om werktuigen te kappen uit vuursteenknollen die wit vanbinnen zijn en donkerblauw vanbuiten. Ze bevestigen lemmeten aan houten schachten, maken priemen en dissels, scherpen burijnen om been te snijden. Ze vervaardigen haardsteden uit stenen om in te koken, laten ze geblakerd achter op het krijt. Hun nachtelijke vuren laaien in de grote leegte van dit schaarsbevolkte land, in de nog grotere leegte van het universum. Op een winteravond flakkert de aurora aan de hemel, schuivende, stralende luchtrivieren die vloeiend en vlechtend af en aan rollen, terwijl roze-groen licht op de opkijkende, verbijsterde gezichten van de mensen valt voordat alles opnieuw door het immense donker wordt verzwolgen.
De geschiedenis vliet en vertraagt, grijpt kolkend op zichzelf terug daar waar stroom stuit op tegenstroom. Leven en dood komen en gaan, en de lente organiseert, zoals ze altijd heeft gedaan, het bestaan om zich heen, legt het land een soort wil op. Mensen beginnen zich te vestigen: op een heuvel die uitkijkt over de bron wordt een greppel met toegangen rond een verhoging gegraven en verstevigd, groot genoeg voor een stuk of tien gezinnen. Eeuwen verstrijken. De omheining wordt verlaten, raakt overwoekerd, wordt opgeslokt door het groen. Nieuwe doden worden begraven in het oude krijt, met grafgiften: potten, kralen en de machtige hoorns van een oeros, gedood met een bijl die een gat in zijn schedel heeft geslagen, pal tussen zijn waterige ogen.
De toverlantaarn flakkert vlugger en vlugger. Tweeduizend jaren verstrijken: de krijtheuvels vormen opnieuw een vesting, de locatie van een enorm ringfort met greppels en palissaden. In het kleine bos zijn nog meer bronnen ontstaan, negen stuks, die twee poelen voeden met water. Waterdragers slijten een pad in de aarde uit, pendelen van fort naar bron naar fort, steeds opnieuw. De aanbidding van water vloeit weids uit over het land. Bronnen en beken worden heilige plaatsen, waar water spreekt met stemmen die kunnen worden verstaan noch genegeerd. In die tijd worden rivieren simpelweg beschouwd als goden en krijgen ze een naam: Dana (later de Donau), Deva (de Dee), Tamesa (de Theems), Sinnann (de Shannon). Maar als de stroom die ontspringt aan de bronnen en zwelt en zakt aan de voet van de witte heuvel ooit een naam heeft gekregen, dan is die verloren gegaan in de tijd.
Talloze nu’s veranderen in toens. De Pax Romana brengt vrede in de vallei van de bronnen. Keuterboeren verkavelen het land. Hun ijzeren ploegen slaan in de schemering oranje vonken uit vuurstenen, verbrijzelen de stenen zo dat de scherpe stukken niet zijn te onderscheiden van de vuistbijlen die vier. tot vijfduizend jaar eerder door mensenhand zijn gekapt. De Romeinen vereren de dryaden van de bomen en de najaden van het water. Het water van afzonderlijke bronnen en stromen is niet inwisselbaar. De bron van het water doet ertoe. De loop doet ertoe. Elke rivier heeft een andere geest en een andere taal en moet daarom op een andere manier worden vereerd. Hoog in het noorden, waar de gletsjers ooit met hun buik overheen schoven, bouwen Bataafse krijgers een tempel boven een bron en wijden hem aan de godin Coventina, wier naam ze ontlenen aan het Keltische woord gover, dat ‘beekje’ betekent. Er worden duizenden geschenken vervaardigd voor de watergodin: munten, kralen van been en lood en git, een koperen waterslangenbroche. En wat de kleine bronnen met hun heldere water betreft: elk jaar verlaten enkele legionairs de rechte, hoger gelegen weg anderhalve kilometer verderop, leggen hun speren en dolken neer, lessen hun dorst en prevelen hun gebeden. Ze noemen de plek Nona, naar een van de schikgodinnen. Na verloop van tijd wordt Nona Nine: Nine Wells. De bronnen van het lot, waar een rivier wordt geboren.
Tijd verspringt, herhaalt zich, en de bronnen stromen voort, seizoen na seizoen. Bloesems volgen elkaar op: sleedoorn, pruim, meidoorn, hondsroos, wilde kardinaalsmuts. De bladeren hebben verschillende groentinten: haagbeuk, hazelaar, eik en esdoorn. In het bos rond de bronnen roepen uilen naar elkaar vanuit es en beuk, jaar na jaar. Iemand bevestigt met een lange ketting een ijzeren lepel aan een boom naast de poel, die voorbijgangers in het koude water van de bron kunnen dompelen om te drinken.
Eeuwen gaan voorbij. De pest trekt met grote sprongen westwaarts vanuit Europa en bereikt het gebied. Scherpgetand en uitgehongerd belaagt hij de jonge stad Cambridge, die zich inmiddels uitbreidt nabij de bronnen... en verslindt de inwoners. De helft van de stad sterft. Half Europa sterft. Een oude doornboom groeit bij de bronnen, en smekelingen binden repen stof aan de takken in de hoop dat het levende water hen tegen de dood zal beschermen. Maar in hun oksels en hun kruis zweren nog steeds de bubo’s. Sommige doden worden apart en met zorg begraven, andere op een hoop gegooid in greppels op kerkhoven. Nog altijd stromen de bronnen, nog altijd zoekt de rivier de zee.
Het zijn de jaren dertig van de zestiende eeuw. Hendrik viii heeft met Rome gebroken en de autoriteit van de paus aan zijn laars gelapt. De Reformatie is in aantocht, maar niet alleen altaren en koorhekken worden kapotgeslagen. Er raast ook een zuiveringsgolf over het bezielde land, met als doel die hoogst verachtelijke zonde der afgoderij uit te bannen. Burgerwachten verspreiden zich over het land. Vooral water dat stroomt – dat kan helen, zegenen, handelen – moet het ontgelden. Heilige bronnen worden gedempt en afgedekt. In het verre westen wordt een kapel bij een heilige bron verwoest, de aanvallers zweren geen steen boven op een andere te laten. Sommigen van degenen die pelgrimstochten naar bronnen en rivieren blijven ondernemen worden opgepakt en berecht. Er blijven mensen komen, soms onder dekking van de duisternis, nog steeds laten ze offerandes achter. In de ogen van velen bevestigt de onderdrukking van de brongebieden alleen maar de numineuze kracht van water dat mysterieus en koppig uit de aarde opwelt, zoals het dat al duizenden jaren doet.
Bijna drie eeuwen later zwemt een beeldschone jonge dichter die met zijn ene been trekt en naar verluidt een beer in zijn universiteitsvertrekken houdt in een groene poel nabij de bronnen. Later schrijft hij een gedicht over een nachtmerrie waarin de zon dooft en de ijzige aarde blind en almaar donkerder door de ruimte tolt en alle rivieren, meeren en oceanen stilstonden, terwyl niets sich roerde in hun doodsche diepten.
Paarden maken plaats voor trekkers op de hellingen van de White Hill, zoals ze het hooggelegen gebied waar de bron ontspringt inmiddels noemen. Oorlog overspoelt de wereld, bedreigt het land. Duizenden inwoners van de stad graven een greppel van ruim elf kilometer lang waar de tanks van de Wehrmacht in zullen vastlopen als ze vanuit het zuiden aanvallen. Maar de grijze soldaten zullen nooit aan land gaan, de greppel wordt weer dichtgegooid en in de vredestijd die volgt verrijst een groot, nieuw ziekenhuis in de buurt van de bronnen.
De strengste winter ooit gemeten dient zich aan in 1967: de bronnen zijn zes weken lang stijf bevroren en takken breken af onder het gewicht van het ijs. De ernstigste droogte doet zich voor in 1976: wegen smelten, er woeden natuurbranden en ontelbare bladluizen zweven als groene rookwolken boven akkers en steden. Aangetrokken door de bladluizen zwermt een lieveheersbeestjesplaag over het zuiden; de beestjes strijken in groten getale neer op mensen, die ineens blinken van duizenden insecten, alsof ze dekschilden krijgen. De bronnen vallen voor het eerst sinds de gletsjers zich hebben teruggetrokken droog. En in die augustusmaand, wanneer de droogte op zijn hevigst is, wordt er een jongen geboren; hij heeft heel donker haar, dat al snel vlasblond wordt.
De snel uitdijende stad snakt naar water: om mee door te spoelen, in te wassen, op te drinken. Er worden putten geslagen, de ondergrondse waterlaag wordt aangesproken, voor het eerst wordt water aan beek en rivier onttrokken. Het grondwaterpeil daalt wanneer gewassen, kranen en tuinslangen hun deel opeisen. Bijna niemand bezoekt de bronnen nog, waarvan de stroming steeds zwakker wordt. De beek wordt verwaarloosd en raakt verstikt door algenbloei en eendenkroos. De rivier stroomt trager, raakt steeds ernstiger vervuild. Het waterbedrijf vreest een slechte pers als de bronnen onder zijn beheer droogvallen, dus stuurt er mannen met graafmachines en blauwe plastic buizen op af voor een ‘herstelplan’: water van elders in het stroomgebied wordt in de bronnen gepompt om ze te laten voortbestaan.
Vijfhonderd meter verderop, in het ziekenhuis, liggen allemaal mensen aan de beademing, hun borst rijst en daalt op het gestage ritme van de zuurstofpomp of de bliepjes van een hartmonitor. Hier, in het kleine bos, worden ook de bronnen kunstmatig in leven gehouden.
De jongen met het vlasblonde haar, die inmiddels een man is geworden en voor het eerst vader, is naar de rand van de stad verhuisd, anderhalve kilometer van de voet van de White Hill. Het duurt twee jaar voordat hij de bronnen ontdekt, zozeer zijn ze in vergetelheid geraakt, zo goed liggen ze verborgen in het beuken- en essenbosje tussen de tarwe. en gerstakkers nabij de spoorlijn. Al snel raakt hij gefascineerd door de bronnen. Hij bezoekt ze geregeld, te voet, op de fiets of hardlopend naar het bos, soms drie of vier keer per week. Hij mag graag een handvol bronwater drinken; het ligt rond op de tong en heeft de zijdezachte koelte van gesteente. Hij komt erachter dat de beek die aan de bronnen ontspringt een van de ongeveer tweehonderd beken op aarde is die hun oorsprong vinden in krijt, dat een door een bron gevoede krijtbeek tot de zeldzaamste leefomgevingen op aarde behoort. Hij komt erachter dat in het huidige tempo waarin het water vervuild raakt en wordt gewonnen het complete netwerk van krijtbeken in Engeland waarschijnlijk de tweede helft van de eeuw niet haalt.
Nog eens tien jaar gaan voorbij. De man, die ik ben, heeft inmiddels drie kinderen. Het is de zomer van 2022, wereldwijd de warmste tot dusver gemeten, de zomer waarin alle rivieren bijna sterven.
[…]
Copyright © 2025 Robert Macfarlane
Copyright Nederlandse vertaling © 2025 Nico Groen / Athenaeum—Polak & Van Gennep, Weteringschans 259, 1017 XJ Amsterdam