Ik schrijf dit stukje zittend voor de openslaande deuren met uitzicht op mijn tuin. Daar is deze ochtend van alles te zien. In het lange gras (maai in mei en juni niet) zitten veel kevertjes die eruit geplukt worden door mussen. Een heggemus scharrelt op de voederbak. Kauwen beschermden zojuist met veel kabaal een jonge kauw tegen een aanval van eksters. En boven mij, al een paar weken mijn favoriete vogel: de gierzwaluw. Ik lees Het vogelboek van Robert Macfarlane en Jackie Morris.
Het kenmerkende geluid, het gegier vandaar de naam, is voor mij een soort startpunt van de zomer. Rond Koningsdag zijn ze er en 100 dagen later vertrekken ze weer naar midden Afrika om te overwinteren.
De gierzwaluw is een van de 49 beschreven en getekende vogels in het recentelijk verschenen meesterwerk van schrijver Macfarlane en illustrator Morris.
Wat een prachtig vogelboek is dit. Met niets te vergelijken.
Dit vogelboek is anders. Daarin vragen de makers zich niet af wat voor vogel dat is, maar wie die vogel is. De gids wil lezers uiteraard helpen vogels te herkennen, maar ook om zich ermee te vereenzelvigen. In plaats van foto's: verf. Behalve harde feiten: metaforen, verhalen, poëzie. In plaats van definities: betrekkingen. Niet alleen classificeren, ook een soort van liefhebben.
Om een beetje een idee te geven, hier een voorbeeld van die lyrische beschrijvingen van Macfarlane, als hij de gierzwaluw (Apus apus) introduceert:
‘De eerste week van mei: sommigen spitsen dagelijks hun oren op zoek naar striemend gekrijs, ijselijk, duivels gegier, dat steeds dichter nadert (ja, echt, elk moment), en wie het hoort (wie het ziet, heeft het door), in Londen, Amsterdam, Praag, Parijs, laat alles uit zijn handen vallen, vergeet zijn mobieltje, zijn drankje, zijn zorgen... en kijkt met een brede grijns of verwondering omhoog, want diep in het blauw (daar! daar!) zeilen twee kruisboogjes voorbij, wat wil zeggen dat de gierzwaluwen er weer zijn (ze zijn terug! ze zijn terug!) om de wereld weer te verwilderen met hun zwier en stijl, het hart te beroeren met hun bloedsnelheid, met hun razende reizen door ruimte en tijd.’
In het voorwoord beschrijven de makers hun boek:
‘De ruggengraat van dit boek wordt gevormd door de 'zeven wonderen' die tezamen het alledaagse wonder opleveren dat we simpelweg vogel' noemen: nest, ei, snavel, zang, veer, vliegvermogen en trek. Gerangschikt onder die wonderen, in zeven groepen van zeven, staan vignetten van negenenveertig vogels - van alk tot wulp en van auerhoen tot zwaan - die allemaal op de Rode Lijst van bedreigde diersoorten staan. Elke soort ploetert, worstelt, hapert. Elke soort verdwijnt langzaam uit onze steden, akkers, heuvels, rivieren, bossen, kusten en zeeën. Elke soort glijdt langzaam af naar het totale duister van de uitsterving.’
Wat gaat er verloren wanneer vogels verloren gaan? Bovenal de vogels zelf, in al hun pracht. En voor mensen: taal, verhalen, schoonheid, mogelijkheden, verbeelding, iets wat je opbeurt, andere manieren van zijn. Vogels zijn verbonden aan plaatsen en herinneringen, zijn onze kalender en onze klok. Ze rijgen de delen van de wereld aaneen: aarde aan lucht, rivier aan bos, berg aan zee, land aan land, halfrond aan halfrond. Zonder vogels valt alles in losse delen uit elkaar.
Dit met veel zorg gemaakte boek, (heel veel prachtige afbeeldingen, leeslintje, mooi gebonden, bijzonder goed vertaald door Nico Groen en dat voor nog geen € 40,—, hoe kan het?) moet je echt in een van onze winkels komen bekijken. Een simpele beschrijving als hierboven staat, doet geen recht aan dit magnifieke boek.
Dirk Jan Veerman is boekverkoper bij Boekhandel het Martyrium.