De nieuwe roman van Isabel Allende is Scheltema’s Boek van de Maand: Mijn naam is Emilia del Valle (Mi nombre es Emilia del Valle), vertaald uit het Spaans door Rikkie Degenaar! Wij publiceren voor. Lees nu een fragment en reserveer dat boek!
Een rijke en hartstochtelijke nieuwe roman van de grootste verteller van onze tijd.
- ‘Isabel Allende heeft álles.’ The New York Times
In deze nieuwe betoverende historische roman van de internationale bestsellerauteur van Violeta en De wind kent mijn naam reist een jonge schrijfster naar Zuid-Amerika om de waarheid over haar vader – en zichzelf – te ontdekken.
In het San Francisco van 1866 bevalt een Ierse non, die door een Chileense aristocraat zwanger is verlaten, van een dochter genaamd Emilia del Valle. Opgevoed door een liefdevolle stiefvader groeit Emilia op tot een onafhankelijke denker en een zelfredzame jonge vrouw.
Ze is vastberaden om haar passie voor schrijven te volgen en moet daarbij de maatschappelijke normen van die tijd trotseren. Op haar zestiende begint ze pulpromans te publiceren onder een mannelijke schuilnaam. Wanneer die fictieve werelden niet meer genoeg zijn voor haar avontuurlijke karakter, stapt ze over op de journalistiek en wordt ze bij de Daily Examiner gekoppeld aan verslaggever Eric Whelan.
Emilia zet alles op alles om zichzelf te bewijzen, maar haar onrust keert terug. Totdat ze verslag mag doen van een dreigende burgeroorlog in Chili. Ze grijpt deze kans, samen met Eric, en ontmoet daar haar biologische vader. Terwijl Eric en zij de liefde ontdekken, escaleert de oorlog en komt Emilia in groot gevaar, waarbij ze vreest voor haar leven en twijfelt aan haar identiteit en haar lotsbestemming.
Mijn naam is Emilia del Valle is een meeslepend verhaal over persoonlijke groei en liefde, van een van de meesterlijkste vertellers van onze tijd.
Deel één
1
De dag dat ik zeven jaar werd, op 14 april 1873, trok mijn moeder, Molly Walsh, me mijn zondagse kleren aan en nam me mee naar Union Square om een foto van me te laten maken, de enige die bestaat uit mijn kindertijd. Ik sta naast een harp, met het verbijsterde gezicht van een gehangene omdat ik minutenlang mijn adem in had moeten houden voor een zwarte kist en ik was geschrokken van de steekvlam die de lamp had veroorzaakt. Het geval wil dat ik geen enkel instrument kan bespelen, de harp was een van de stoffige toneelaccessoires van de studio, samen met zuilen van papiermaché, Chinese vazen en een opgezet paard.
De fotograaf was een besnord mannetje van Hollandse afkomst, die sinds de periode van de goudkoorts van zijn beroep had kunnen bestaan. In die tijd lieten de mijnwerkers, die van de bergen naar beneden kwamen om hun goudklompjes in bewaring te geven aan de banken van San Francisco, een foto maken om naar hun bijna vergeten familie te sturen. Toen er van het goud niet meer over was dan de herinnering, bestond de clientèle van de studio uit deftige mensen die poseerden voor de eeuwigheid. Wij behoorden niet tot die categorie, maar mijn moeder had zo haar eigen redenen om een foto van haar dochter te laten maken. Uit principe, meer dan uit noodzaak, steggelde ze met de kunstenaar over de prijs. Voor zover ik weet heeft ze nooit iets gekocht zonder zichzelf het genoegen te gunnen korting te vragen.
‘Nu we toch hier zijn, gaan we naar het hoofd van Joaquín Murieta kijken,’ zei ze, toen we uit de studio van de Hollander kwamen.
Aan de andere kant van het plein, naast de ingang van de Chinese wijk, kocht ze een kaneelbroodje voor me en voerde me daarna mee naar een ongezonde kroeg. We betaalden de toegang en liepen een lange gang door naar het achterste gedeelte van het café, waar een ongure kerel een zwaar gordijn ophief om ons binnen te laten in een door kerkkaarsen verlichte ruimte met lugubere draperieën. Achterin stond een met zwarte lappen bedekte tafel met daarop twee grote glazen stopflessen. De rest van de inrichting herinner ik me niet, want ik was verlamd van schrik. Terwijl ik me bevend van angst met twee handen vastklemde aan mijn moeders rok, leek zij euforisch. In de eerste stopfles zweefde een menselijke hand in een gelige vloeistof en in de tweede bevond zich het hoofd van een man, met dichtgenaaide oogleden, opgetrokken lippen, ontblote tanden en rechtopstaand haar.
‘Joaquín Murieta was een bandiet. Net als je vader. Zo komen bandieten meestal aan hun eind,’ zei mijn moeder.
Het spreekt vanzelf dat ik die nacht last had van vreselijke nachtmerries. Ik was koortsig, maar mijn moeder vond het nooit nodig, tenzij iemand leegbloedde, om in te grijpen. De volgende dag, met dezelfde jurk en dezelfde rottige rijglaarsjes aan die ik al twee jaar droeg en die me veel te krap zaten, haalden we de foto op en wandelden naar het chique gedeelte van San Francisco, een buurt waar ik tot dan toe nog nooit een voet had gezet. Geplaveide straten kronkelden tegen de heuvels op, met aan weerszijden statige huizen met rozentuinen en keurig gesnoeide struiken, met koetsiers in livrei en glanzende paarden, en nergens een bedelaar te bekennen.
Mijn bestaan speelde zich af in het Mission District, in de veelkleurige, veeltalige menigte immigranten uit Duitsland, Ierland en Italië, verder woonden er Mexicanen, voor wie Californië altijd al hun thuis was geweest, en een aanzienlijke groep Chilenen die tijdens de goudkoorts van 1849 waren gekomen en nu, tientallen jaren later, nog net zo arm waren als toen ze emigreerden. Niks geen goud. Als ze al iets vonden in de mijnen in de bergen, werd het ze door de blanken die later kwamen, afgenomen. Veel Chilenen keerden terug naar hun land, zonder een cent maar met prachtige verhalen om te vertellen, anderen bleven echter omdat de terugreis lang en kostbaar was. In The Mission hadden we fabrieken, werkplaatsen, afval, zwerfhonden, magere ezels, lijnen vol wasgoed en deuren die wijd openstonden, want er viel niets waardevols te stelen.
Tijdens die pelgrimstocht met mijn moeder naar het onbereikbare universum van de hogere klasse begon het me voor het eerst te dagen dat we arm waren. Dan heb ik het niet over hongerlijden tussen de ratten, zoals de armoede die mijn grootouders aan moederskant in Ierland hadden meegemaakt, maar het bescheiden bestaan van mensen die niet verder kijken dan de dag van vandaag. Tot dat moment had ik nooit nagedacht over mensen die rijker waren dan wij, en omdat ik geen contact met hen had, zag ik ze alleen in de verte als ik met mijn ouders naar het centrum van de stad ging, wat maar heel zelden voorkwam. De koetsen met glanzende paarden, de dames met opzichtige victoriaanse jurken met ruches, franjes en rozetten, de heren met hoge hoeden en wandelstokken en de kinderen in matrozenpakjes waren een ander soort wezens. Onze wijk werd bevolkt door arbeiders, we waren allemaal min of meer gelijk. De meeste huizen herbergden een of twee gezinnen met kinderen op blote voeten, eeuwig zwangere vrouwen en drankzuchtige mannen die alles aanpakten om brood op de plank te krijgen. Vergeleken met onze buren was mijn kleine familie goed af. Zoals mijn eerbiedwaardige stiefvader altijd zei: we hadden werk, liefde en waardigheid, meer was niet nodig. We hadden ook een fatsoenlijk huis, al was het klein, en geen schulden.
Ik durfde mijn moeder niet te vragen waar we heen gingen, dus volgde ik haar heuvel op, heuvel af, zonder te zeuren over de blaren op mijn voeten. In die periode was Molly Walsh een jonge vrouw met een engelengezicht, dat wil zeggen, met de vrome uitdrukking van de martelaren in de kerken, en met die kristalheldere nachtegalenstem die ze nog steeds heeft en die bedrieglijk is, want ze is sterk en bazig. De zeldzame keren dat ze het over mijn vader heeft, verandert haar stem, en in plaats van haar normale, wat klagerige toon te gebruiken, spuugt ze de woorden uit. Zonder dat ze het zei, raadde ik dat die pijnlijke wandeling naar de wijk van de rijken met hem te maken had.
Buiten adem bereikten we Nob Hill, bovenaan de heuvel, met een panoramisch uitzicht over de stad en de Baai van San Francisco. We stopten voor de meest indrukwekkende villa van de straat, beschermd door een hoog ijzeren hek dat werd bekroond met pijlpunten, en door de spijlen ving ik een glimp op van een schitterende tuin met een stenen fontein waaruit water spoot via de mond van een vis. Achter in de tuin rees een enorm roomkleurig huis op met een galerij met pilaren en een monumentale voordeur van donker hout, geflankeerd door twee stenen leeuwen. Mijn moeder zei dat het een wangedrocht was, iets voor parvenu’s, maar ik was met stomheid geslagen, zo moest een sprookjespaleis eruitzien. We bleven een paar minuten voor dat hek staan om bij te komen, terwijl mijn moeder het zweet van haar gezicht veegde en haar hoed rechtzette. Ineens, voordat ze aan het koord van de bel had kunnen trekken, kwam via de zijkant van het huis een man in een zwart pak met een gesteven boord tevoorschijn, die het hele eind van de tuin naar ons toe liep en zich tot mijn moeder richtte zonder de poort in het hek voor haar open te doen. Ik denk dat één enkele blik genoeg voor hem was om precies te weten wat voor vlees hij in de kuip had, ondanks de zorg die zij had besteed aan onze verschijning.
‘Wat kan ik voor u doen?’ vroeg hij op hooghartige toon, met zo’n zwaar Brits accent dat we hem bijna niet verstonden.
‘Ik ben hier om met de heer Gonzalo Andrés del Valle te spreken,’ antwoordde mijn moeder, terwijl ze net zo hooghartig probeerde te klinken als die man.
‘Hebt u een afspraak?
‘Nee, maar hij zal me zeker ontvangen.’
‘Ik vrees dat hij op reis is, mevrouw.’
‘Wanneer is hij terug?’ vroeg mijn moeder, ontmoedigd.
‘Dat kan ik u niet vertellen.’
De man opende de poort, maar liet ons niet binnen, we moesten op straat blijven staan. Hij nam ons van top tot teen op en ik denk dat hij tot de conclusie kwam dat we geen bedreiging of overlast vormden, want hij klonk iets vriendelijker toen hij verderging.
‘Meneer Del Valle brengt van tijd tot tijd een bezoek aan San Francisco, maar hij resideert in Chili,’ verklaarde de Engelsman, en hij voegde eraan toe dat de familie geen visite ontving zonder voorafgaande afspraak.
‘Kunt u me een adres geven waar ik een brief naartoe kan sturen? Het is heel belangrijk,’ zei mijn moeder.
‘Die mag u bij mij achterlaten, mevrouw…’
‘Mevrouw Molly Walsh,’ antwoordde zij, zonder Claro, de naam van haar man te noemen.
‘Ik zal er persoonlijk voor zorgen dat hij de brief krijgt, mevrouw Walsh,’ verzekerde de man haar.
Zij reikte hem de envelop aan met mijn foto en de brief waarin ze hem zijn dochter Emilia voorstelde. Het was niet de laatste brief die ze mijn veronderstelde vader zou sturen.
Ik groeide op met het idee dat mijn biologische vader een steenrijke Chileen was en dat ik recht had op een erfenis die het lot me had ontstolen maar die God me, in zijn oneindige barmhartigheid, te zijner tijd ter beschikking zou stellen. De armoedige omstandigheden van het heden waren een beproeving die de hemel me zond als oefening in nederigheid, maar ergens in de toekomst zou ik beloond worden, mits ik gehoorzaam en deugdzaam was. Deugdzaamheid werd afgemeten aan maagdelijkheid en bescheidenheid, want niets mishaagt God zo als een losbandig, brutaal meisje. Tijdens de mis en bij het avondgebed, op mijn knieën voor mijn bed, moest ik van mijn moeder God vragen het hart van onze schuldenaren te verzachten en hen in dezelfde mate te vergeven als zij hun schulden betaalden. Het zou jaren duren voordat ik begreep dat dit bizarre gebed over mijn vader ging.
Mijn kindertijd was eigenlijk volmaakt. Mijn moeder verwende me, maar ze had het heel druk en bezat onvoldoende tijd en evenmin het karakter om me steeds in de gaten te houden, en mijn stiefvader was er zo zeker van dat zijn prinses niet tot enig kwaad in staat was dat hij me ook met rust liet. Hij had gelijk, ik was een introvert, eenzelvig en gevoelig kind, verslaafd aan lezen, dat zichzelf vermaakte en geen problemen veroorzaakte, tot de wervelwind van de puberteit me in een harpij veranderde. Gelukkig duurde die fase niet lang. De armoede waaraan mijn moeder refereerde deed er niet toe, want in onze omgeving was iedereen arm, en wat betreft die hypothetische erfenis, dat was een sprookje waar ik het niet met anderen over had, daar was ik heel zorgvuldig in, want ze zouden me hebben uitgelachen. Ik vond het een doodenge gedachte dat die mysterieuze Chileen, een bandiet, net zoals Joaquín Murieta, mogelijk ooit zou opdagen om me op te eisen als zijn dochter en me mee te nemen naar een ver land. Dat ik daar bang voor was kwam niet alleen omdat het idee van mijn moeder gescheiden te worden me beangstigde, maar ook omdat Francisco Claro, die ik altijd Papo heb genoemd, mijn vader was, en niemand anders. Dat was hij toen en dat zal hij altijd blijven, al hebben we niet hetzelfde bloed.
Molly Walsh, mijn moeder, is geboren in New York, als dochter van Ierse immigranten die naar Amerika kwamen om te ontsnappen aan de hongersnood in hun vaderland, de Potato Famine. Toen mijn opa hoorde dat de grond in Californië vol goud zat, sloten hij en zijn vrouw zich aan bij de stromen pioniers die in 1849 het continent van oost naar west overstaken in de hoop rijk te worden. Onderweg stierf een van hun kinderen, die ze achterlieten in een klein, naamloos graf. Een paar maanden na aankomst in de jonge, chaotische stad San Francisco, bezweek mijn oma aan de tering. Die vrouw had de vreselijke maanden van de reis heldhaftig doorstaan omdat ze moest waken over haar overgebleven kinderen, maar haar moed en wilskracht konden haar niet in leven houden in Californië, dat land met ruwe, ambitieuze mensen waar ze terecht waren gekomen, ze gaf bloed op en tijdens een van haar hoestaanvallen stopte haar hart. Haar weduwnaar, mijn opa, zag zich ineens alleen staan met zijn kinderen in een onbarmhartige stad, en hij besefte dat hij niet voor hen kon zorgen als hij zijn plan om goud te zoeken wilde doorzetten. Hij nam zijn oudste zoon, die al twaalf was, mee naar de bergen, plaatste de tweede als knecht zonder loon op een boerderij en liet de vierjarige Molly achter in een door drie Mexicaanse nonnen opgezet weeshuis, met de belofte dat hij haar zou komen halen zodra hij het fortuin dat hij najoeg, had vergaard. Dat is nooit gebeurd.
[…]
© 2025 Isabel Allende / Penguin Random House Grupo Editorial, Barcelona
© 2025 Nederlandse vertaling Rikkie Degenaar / Wereldbibliotheek